Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:10731

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
07-09-2018
Datum publicatie
17-09-2018
Zaaknummer
FT RK 18/1132
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek tot het toepassen van een dwangakkoord. Met name is niet gebleken dat het aanbod het uiterste is waartoe verzoeker financieel in staat kan worden geacht. Ieder van partijen draagt de eigen proceskosten.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 287a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team Insolventies – enkelvoudige kamer

rekestnummer: C/09/555564 / FT RK 18/1132

vonnis van 7 september 2018


in de zaak van

[verzoeker],

wonende te [adres]

[postcode en woonplaats],

verzoeker,

tegen

1 [X] Vastgoed

gevestigd te Den Haag,

2 SNS Bank (vertegenwoordigd door Flanderijn en Van Eck Gerechtsdeurwaarders)

gevestigd te Utrecht,

3 Haagwonen (vertegenwoordigd door Korenhof en Partners)

gevestigd te Den Haag,

verweersters.

[Verzoeker], voornoemd, zal hierna worden aangeduid als ‘verzoeker’. Verweersters zullen gezamenlijk worden aangeduid als verweersters, maar afzonderlijk van elkaar als ‘[X]’, ‘SNS Bank’ en ‘Haagwonen’.

1 De procedure

1.1

Op 27 juni 2018 is door verzoeker tegelijk met het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling een verzoek ingediend tot het bevelen in te stemmen met een door hem aangeboden schuldregeling als bedoeld in artikel 287a Faillissementswet (Fw).

1.2

Ter terechtzitting van 17 augustus 2018 is verzoeker, bijgestaan door T. Eisses en [A], hierover gehoord.

1.3

Verweersters zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen ter terechtzitting.

1.4

De uitspraak is bepaald op heden.

2 De feiten

De rechtbank gaat uit van de volgende vaststaande feiten.

2.1

Verzoeker heeft blijkens de verklaring ex artikel 285 lid 1 onder a Fw een totale schuld van € 675.072,18 aan 35 schuldeisers.

2.2

De vordering van [X] op verzoeker bedraagt € 2.740,33, zijnde 0,41% van de totale schuldenlast.

2.3

De vordering van SNS Bank op verzoeker bedraagt € 128.844,91, zijnde 19,09% van de totale schuldenlast.

2.4

De vordering van Haagwonen op verzoeker bedraagt € 3.391,24, zijnde 0,5% van de totale schuldenlast.

2.5

Namens verzoeker is bij brief van 3 januari 2018 een schuldregeling aangeboden, inhoudende dat aan preferente en concurrente schuldeisers een uitkering wordt gedaan van respectievelijk 0,37% en 0,19% tegen finale kwijting van het restant van hun vorderingen.

2.6

De aangeboden schuldregeling is door de andere schuldeisers aanvaard.

3 Standpunt van de partijen

3.1

Verzoeker stelt dat verweersters in redelijkheid niet hebben kunnen komen tot een weigering van de medewerking aan de schuldregeling die hij heeft aangeboden, nu de andere schuldeisers wel hebben ingestemd met de aangeboden schuldregeling.

3.2 [

X] heeft naar aanleiding van het verzoek haar standpunt niet aan de rechtbank kenbaar gemaakt.

3.3

Bij fax van 8 augustus 2018 heeft SNS Bank schriftelijk verweer gevoerd.

3.4

Bij fax van 2 augustus 2018 heeft Haagwonen schriftelijk verweer gevoerd.

Bij brief van 7 augustus 2018 heeft B. van Huessen namens verzoeker gereageerd op de fax van 2 augustus 2018 van Haagwonen.

4 De beoordeling

4.1

Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser vrijstaat om te verlangen dat zijn vordering volledig wordt betaald. Een schuldeiser kan dan ook slechts onder bijzondere omstandigheden gedwongen worden om in te stemmen met een aangeboden schuldregeling die er toe zal leiden dat door de schuldeisers afstand moet worden gedaan van een deel van een vordering. Een verzoek om weigerachtige schuldeisers te bevelen toch met de aangeboden schuldregeling in te stemmen, zal slechts kunnen worden toegewezen als de desbetreffende schuldeisers – in dit geval verweersters – in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling hebben kunnen komen, in aanmerking genomen enerzijds de onevenredigheid tussen het belang van verweerster(s) bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en anderzijds de belangen van verzoekers of van de overige schuldeisers die door die weigering worden geschaad. Tegen deze achtergrond oordeelt de rechtbank als volgt.

4.2

Bij het bepalen van de hoogte van het aangeboden percentage van nog geen procent is kennelijk uitgegaan van het huidige inkomen van verzoeker dat bestaat uit een Participatiewet uitkering ten bedrage van € 666,89 per maand. Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende duidelijk dat het voorliggende aanbod het uiterste is waartoe verzoeker financieel in staat kan worden geacht. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat verzoeker thans genoemde uitkering heeft, maar dat het ontbreekt aan stukken waaruit blijkt dat uitgesloten is dat hij in de (nabije) toekomst zal kunnen gaan werken. Hierdoor kan zijn inkomenssituatie verbeteren, ook indien daarmee het minimum loon wordt verdiend, én daardoor zal dan – mede gelet op het berekende vrij te laten bedrag – een groter deel van de vorderingen van de schuldeisers kunnen worden betaald. Het ontbreekt in ieder geval aan stukken waaruit voldoende duidelijk blijkt dat verzoeker niet in staat is tot het verrichten van betaalde arbeid. Een overzicht van de huisarts en/of een door een sociaal casemanager gemaakte inschatting van de (medische) arbeidscapaciteit van verzoeker is hiervoor onvoldoende. Dit maakt dat onvoldoende duidelijk is dat het voorliggende bod het uiterste is waartoe verzoeker financieel in staat kan worden geacht. Hierbij wordt mede in aanmerking genomen dat niet is gesteld op welke wijze nakoming van het aangeboden prognoseakkoord wordt gewaarborgd. Dit alles maakt dat niet voorbij kan worden gegaan aan het standpunt van de weigerachtige, althans niet-instemmende, schuldeisers waarvan de vorderingen 20% van de totale schuldenlast van verzoeker vertegenwoordigen. Dit brengt de rechtbank tot het oordeel dat niet is gebleken dat de hier bedoelde schuldeisers in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de minnelijke schuldregeling hebben kunnen komen. Het verzoek zal dan ook worden afgewezen.

4.3

Namens SNS Bank is verzocht verzoeker in de proceskosten te veroordelen. Gelet op de aard van het verzoek en omdat niet is gesteld of gebleken dat verzoeker misbruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid tot het indienen van een dergelijk verzoek, zal de rechtbank de proceskosten compenseren, aldus dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.

4.4

Verzoeker heeft ter terechtzitting laten weten het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling te handhaven, indien het verzoek ex artikel 287a lid 1 van de Faillissementswet zou worden afgewezen. Op het toelatingsverzoek zal afzonderlijk vonnis worden gewezen.

5 De beslissing

De rechtbank:

- wijst af het verzoek om een bevel op voet van artikel 287a eerste lid Faillissementswet te geven;

- bepaalt dat ieder der partijen zijn eigen proceskosten draagt.

Gewezen door mr. R. Cats, rechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 september 2018 in tegenwoordigheid van C.R. Cortenbach-van der Lek LL.B., griffier.

Tegen deze uitspraak kan de schuldenaar gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak in hoger beroep komen, in te stellen door een verzoekschrift, uitsluitend via een advocaat in te dienen ter griffie van het gerechtshof te Den Haag. Dit is slechts mogelijk indien de schuldenaar ook op dezelfde wijze hoger beroep instelt tegen de uitspraak tot afwijzing van het daarmee samenhangende verzoek om toepassing van de schuldsaneringsregeling (art. 292 lid 3 Faillissementswet).