Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:10707

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
15-08-2018
Datum publicatie
11-09-2018
Zaaknummer
NL18.13262
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Subsidiaire bescherming Duitsland, artikel 3.106a van het Vreemdelingenbesluit, kwetsbare minderjarige vreemdeling, gegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

3RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.13262


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiseres

(gemachtigde: mr. D.S. Harhangi-Asarfi),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. E. van Hoof).

Procesverloop
Bij besluit van 12 juli 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een asielvergunning niet-ontvankelijk verklaard.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL18.13263, plaatsgevonden op 9 augustus 2018. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen Z. Haile. Ook is C.R.J.M. Krijgsman, medewerker van Nidos, op zitting verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres heeft de Eritrese nationaliteit. Zij is geboren op [geboortedatum] . Duitsland heeft op 26 juli 2017 subsidiaire bescherming aan eiseres verleend. Ze heeft op 5 april 2018 een asielaanvraag in Nederland gedaan. Deze aanvraag is in het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiseres reeds internationale bescherming in Duitsland geniet.1

2. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de subsidiaire bescherming die eiseres geniet een zodanige band met Duitsland schept, dat het voor haar redelijk zou zijn terug naar Duitsland te gaan. Eiseres heeft niet voldoende onderbouwd dat de band met Nederland sterker zou zijn dan de band met Duitsland. Dat eiseres psychisch-medische problematiek ondervindt, of hiervoor onder specialistische behandeling staat, heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt. Eiseres heeft dit immers niet met medische stukken onderbouwd.

3. Eiseres stelt primair dat verweerder in het voornemen de kwetsbare positie van eiseres heeft erkend, maar in het bestreden besluit zijn standpunt heeft veranderd, en nu overweegt dat de medisch-psychische situatie niet is onderbouwd. Verweerder had na deze verandering van inzicht een nieuw voornemen aan eiseres moeten uitreiken.

4. Subsidiair stelt eiseres dat verweerder ten onrechte niet heeft getoetst of zij nog wel tot Duitsland zal worden toegelaten. Ook stelt zij dat ze aannemelijk heeft gemaakt dat zij een kwetsbare positie heeft. Deze vloeit voort uit haar minderjarigheid en haar psychisch-medische omstandigheden. Ondanks dat eiseres niet betwist dat de opvang in Duitsland op vergelijkbaar niveau is met de opvang in Nederland, vormt de overdracht aan Duitsland toch een risico op onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Eiseres stelt dat Duitsland heftige emotionele reacties en paniekaanvallen bij haar heeft opgeroepen. De mogelijke terugkeer is de oorzaak van de suïcidepoging van 21 maart 2018 en de dreigende suïcidepoging van 11 juli 2018. Ter staving hiervan heeft eiseres een patiëntendossier van haar huisarts overgelegd. Het kortdurende verblijf in Duitsland is door eiseres als traumatisch ervaren. Verweerder heeft bij de beoordeling van de band met Duitsland klaarblijkelijk onvoldoende gewicht toegekend aan de gestelde aard en duur van het verblijf aldaar. Ten slotte stelt eiseres dat verweerder is gehouden om de belangen van minderjarigen als uitgangspunt te nemen. Hiermee is onvoldoende rekenschap gehouden.

De rechtbank oordeelt als volgt.

5. Eiseres stelt primair dat verweerder zijn standpunt in het bestreden besluit heeft veranderd ten aanzien van het voornemen, en dat daarom een nieuw voornemen uitgereikt had moeten worden.2 De rechtbank volgt dit betoog niet. Het bestreden besluit geeft er geen blijk van dat verweerder de aanvraag anders heeft beoordeeld of gewogen ten opzichte van het voornemen. Verweerder heeft immers de medisch-psychische situatie van eiseres in het voornemen niet met zoveel woorden aannemelijk geacht.

6. De Duitse autoriteiten hebben op 14 maart 2018 laten weten dat zij subsidiaire bescherming aan eiseres hebben verleend. Het uitgangspunt is dat Duitsland zijn verdragsverplichtingen ten opzichte van vluchtelingen nakomt. Eiseres heeft niet nader onderbouwd dat zij, bij terugkeer naar Duitsland, haar beschermingsstatus niet meer zou kunnen genieten.

7. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiseres een sterkere band met Duitsland heeft. Verweerder kan de aanvraag voor een verblijfsvergunning niet-ontvankelijk verklaren,3 indien de vreemdeling een zodanige band heeft met het land dat subsidiaire bescherming heeft verleend, dat voor hem of haar redelijk zou zijn om naar dit land te gaan. Bij de beoordeling hiervan dienen alle relevante feiten en omstandigheden te worden betrokken, zoals de aard, duur en omstandigheden van het verblijf in dit land.4

8. Bij de beoordeling van alle relevante omstandigheden is het niet uitsluitend van belang dat eiseres subsidiaire bescherming in Duitsland geniet. Eiseres heeft aannemelijk gemaakt dat zij een kwetsbare minderjarige vreemdeling is. Eiseres heeft in dit verband terecht gewezen op de melding van Nidos tijdens het gehoor, de verklaring van haar gemachtigde uit eigen waarneming bij de zienswijze, dat eiseres vanwege haar paniekreactie met een ambulance moest worden meegevoerd en de telefoonnotitie van de medewerker van Bedrijfshulpverlening van verweerder. Bovendien worden de suïcidepoging en de paniekaanvallen bevestigd door het in beroep overgelegde patiëntendossier. Het standpunt van verweerder dat eiseres de gestelde medisch-psychische problemen niet aannemelijk heeft gemaakt, is dan ook onvoldoende gemotiveerd5. Uit de paniekaanvallen en de suïcidepoging van eiseres blijkt dat het verblijf in Duitsland traumatisch kan zijn geweest. Verweerder heeft nagelaten deze relevante feiten en omstandigheden in zijn belangenafweging te betrekken. Het bestreden besluit is dus ondeugdelijk gemotiveerd.

9. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit wordt vernietigd vanwege schending van artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht.

10. Er is aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 1.002 in verband met het beroep (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 501 en een wegingsfactor 1).

Beslissing


De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.002 (duizendtwee euro).

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. W.H. Mentink, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan, digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

1 Zie artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw)

2 Zie artikel 3.119, aanhef en onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb)

3 Zie artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw

4 Zie artikel 3.106a, tweede en derde lid, van het Vb

5 Zie in dit verband ook: Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 4 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1159.