Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:10658

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
09-08-2018
Datum publicatie
20-09-2018
Zaaknummer
NL18.13137 en 18.13141
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

opvolgende aanvragen, inhoudelijk oordeel, documenten, geen Bahaddar, kennelijk ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummers: NL18.13137 en NL18.13141


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam 1] , eiser

[naam 2] , eiseres,

mede namens hun minderjarige kinderen

[naam 3] (geboortedatum [geboortedatum 3] ) en

[naam 4] (geboortedatum [geboortedatum 4] ),

hierna: eisers

(gemachtigde: mr. N. van Bremen),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. C.W.M. van Breda).


Procesverloop
Eisers hebben beroep ingesteld tegen de besluiten van 12 juli 2018 (de bestreden besluiten).

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaken met kenmerk NL18.13138 en NL18.13142, plaatsgevonden op 2 augustus 2018. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Als tolk is verschenen M. Fayez. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eisers bezitten de Jordaanse nationaliteit. Zij zijn geboren op respectievelijk [geboortedatum 1] en [geboortedatum 2] .

2. Eisers hebben eerder asielaanvragen ingediend. Bij besluiten van 14 augustus 2017 zijn deze aanvragen afgewezen als kennelijk ongegrond. Verweerder heeft aan de besluiten ten grondslag gelegd dat uit het geloofwaardig bevonden asielrelaas niet volgt dat eisers in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel. Eisers worden niet aangemerkt als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag en hebben niet aannemelijk gemaakt dat zij bij uitzetting een reëel risico lopen op ernstige schade.

Deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, heeft de daartegen ingestelde beroepen bij uitspraak van 15 september 2017, NL17.7113, NL17.7116 en NL17.7118, ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak is hoger beroep ingesteld. Bij uitspraak van 18 oktober 2017 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State deze uitspraak bevestigd. De besluiten van 14 augustus 2017 zijn daarmee in rechte komen vast te staan.

3. Eisers hebben aan hun opvolgende asielaanvragen het volgende ten grondslag gelegd. Sinds hun vertrek uit Jordanië hebben de moeder en de broer

van eiser doodsbedreigingen ontvangen. Op 10 oktober 2017 is er ingebroken in de woning van eisers. Nadat een broer van eiser zag dat er een raam was ingeslagen heeft hij aangifte gedaan. De politie heeft onderzoek gedaan en in de woning een dreigbrief gevonden.

4. Ter ondersteuning van hun huidige asielrelaas hebben eisers de volgende documenten overgelegd:

1. een document van aankomst/vertrek van 4 december 2017;

2. een aangifte van een woninginbraak (op 10 oktober 2017) door de broer van eiser, waarbij een dreigbrief is gevonden;

3. een kopie van de dreigbrief zonder datum en afzender;

4. een bericht van 19 december 2016 van Sky News over een terreuraanslag op 18 december 2016 en drie andere aanslagen in Jordanië.

5. Deze documenten zijn door Bureau Documenten onderzocht. Blijkens de Verklaring van Onderzoek van 14 februari 2018 kan er vanwege het ontbreken van vergelijkingsmateriaal geen uitspraak worden gedaan over de eerste twee documenten. Verder is de dreigbrief een kopie en is het nieuwsbericht een uitdraai van internet.

6. Verweerder heeft vervolgens de opvolgende asielaanvragen onder verwijzing naar de voornoemde resultaten van het onderzoek afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, aanhef en onder g, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) en aan eisers een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd. De verklaringen over de inbraak en de aanhoudende bedreigingen zijn ongeloofwaardig, aldus verweerder.

7. Wat eisers hiertegen in beroep hebben aangevoerd komt hierna aan de orde.

De rechtbank oordeelt als volgt.

8. De stelling van eisers dat verweerder vanwege de onderzoeksresultaten nader onderzoek naar de documenten had moeten doen, onderschrijft de rechtbank niet. Verweerder heeft in het voornemen al gewezen op de vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dat het bij een herhaalde aanvraag op de weg ligt van eisers om de gestelde authenticiteit van documenten te onderbouwen1.

Zoals ook ter zitting is besproken, is het onmogelijk om de kopie van de handgeschreven dreigbrief zonder datum en afzender door een expert op authenticiteit te onderzoeken nu iedereen een dergelijke brief kan schrijven. Aan deze brief kan daarom niet die waarde worden toegedicht die eisers er aan toekennen.

9. De beroepsgrond van eisers waarin zij stellen dat er verschil bestaat in betekenis tussen ‘nieuwe elementen of bevindingen’ van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw en ‘nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden’ van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), behoeft naar het oordeel van de rechtbank niet te worden besproken. Reden hiervoor is dat verweerder er in dit geval voor heeft gekozen om de aanvragen niet niet-ontvankelijk te verklaren op basis van de overgelegde niet authentiek gebleken documenten, maar ook de verklaringen van eisers bij de beoordeling te betrekken. Dat heeft geleid tot de afdoening als kennelijk ongegrond, met toepassing van artikel 30b, aanhef en onder g, van de Vw. Ook het beroep van eisers op de ‘Bahaddar-toets’ van artikel 83.0a, van de Vw, kan om die reden onbesproken blijven.

10. Volgens eisers heeft verweerder eerst bij het voornemen van 10 juli 2018 de Verklaring van Onderzoek van Bureau Documenten van 14 februari 2018 overgelegd. Dusdoende heeft verweerder volgens eisers onzorgvuldig gehandeld en zijn zij in hun belangen geschaad.

Verweerder heeft ervoor gekozen om eisers tegemoet te komen in hun verplichting om bij hun opvolgende asielaanvraag met authentiek documenten te komen en dat aan te tonen. Dat heeft geleid tot een onderzoek van het Bureau Documenten van verweerder. Gelet op deze gang van zaken had het op de weg van verweerder gelegen om het resultaat van dat onderzoek terstond aan eisers kenbaar te maken. Dat is niet gebeurd. Ter zitting heeft gemachtigde van eisers desgevraagd echter verklaard dat hij geen pogingen heeft ondernomen om een contra-expertise op te starten nadat hij het voornemen met de voornoemde onderzoeksresultaten had ontvangen. De rechtbank ziet daarom aanleiding om met toepassing van artikel 6:22 van de Awb het geconstateerde gebrek te passeren, nu eisers hierdoor niet zijn benadeeld.

11. Het voorgaande leidt de rechtbank tot de volgende conclusie. Aangezien eisers hun nieuwe asielrelaas niet aannemelijk hebben gemaakt, heeft verweerder de aanvragen terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.

12. Tot slot is verweerder bevoegd en verplicht om aan eisers op grond van artikel 66a, eerste lid, van de Vw een inreisverbod op te leggen. Een belangenafweging, zoals eisers verlangen, vindt derhalve niet plaats. Voor zover eisers zich nog hebben beroepen op artikel 66a, achtste lid, van de Vw, stelt de rechtbank vast dat zij hierover niets hebben aangevoerd.

13. De beroepen zijn ongegrond.

14. Gelet op de toepassing van artikel 6:22 van de Awb ziet de rechtbank aanleiding om verweerder in de proceskosten te veroordelen. Die kosten bepaalt de rechtbank aan de hand van het Besluit proceskosten bestuursrecht op € 1.002 (twee samenhangende zaken,1 punt voor het indienen van een beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt € 501 en een wegingsfactor van 1).

Beslissing


De rechtbank:

- verklaart de beroepen ongegrond;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers van € 1.002 (duizendentwee euro).

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. J. Loonstra, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan, digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

1 Recentelijk nog: de uitspraak van 19 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2473