Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:10656

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
05-09-2018
Datum publicatie
21-09-2018
Zaaknummer
AWB - 18 _ 2580
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

EU verblijfsvergunning langdurig ingezetenen afgewezen i.v.m. het middelenvereiste

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 18/2580

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 september 2018 in de zaak tussen

[eiser] (lees: [eiser] ), eiser, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. H.H.R. Bruggeman),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 15 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser voor een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen dan wel een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd afgewezen.

Bij besluit van 13 maart 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 augustus 2018.

Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder is, met bericht van verhindering, niet verschenen.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 2012. Zijn nationaliteit is onbekend. Bij besluit van 9 oktober 2012 is hij in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel ‘gezinshereniging bij [persoon X] (hierna: referente)’, geldig tot 5 september 2017. Referente, de moeder van eiser, heeft op 5 juli 2017 namens eiser een EU verblijfsvergunning langdurig ingezetenen aangevraagd.

2. Verweerder heeft aan de afwijzing daarvan ten grondslag gelegd dat referente niet duurzaam en zelfstandig over voldoende middelen van bestaan beschikt. Derhalve wordt niet voldaan aan de voorwaarden voor de gevraagde vergunning, maar ook niet voor een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd. Eiser voldoet wel aan de voorwaarden voor een verlenging van zijn huidige vergunning, aldus verweerder. De geldigheidsduur van eisers vergunning is daarom verlengd tot 5 september 2022.

Verweerder heeft dit standpunt in het bestreden besluit gehandhaafd.

3. Ingevolge artikel 3.73, eerste lid, aanhef en onder c. van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb), zijn de in artikel 16, eerste lid, onder c, van de Vw bedoelde middelen van bestaan in ieder geval zelfstandig, indien verworven uit:

(…);

c. inkomensvervangende uitkeringen krachtens een sociale verzekeringswet waarvoor premies zijn afgedragen;
(…).

Ingevolge artikel 3.94, tweede lid, van het Vb wordt de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd niet afgewezen op grond van artikel 21, eerste lid, onder a, van de Wet, indien de aanvraag is ingediend door een vreemdeling die duurzaam beschikt over een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering op basis van arbeidsongeschiktheid van ten minste vijfenvijftig procent en op basis van een volledige werkweek, of een vergelijkbare arbeidsongeschiktheidsuitkering.

4. Eiser betoogt dat verweerder hem ten onrechte het middelenvereiste heeft tegengeworpen. Hij voert daartoe aan dat referente door de Sociale Dienst is vrijgesteld van het verrichten van arbeid en solliciteren vanwege de zorg voor zijn jongere zusje. Zijn zusje heeft een ernstige ontwikkelingsachterstand en kan daardoor niet naar school. Zij staat op een wachtlijst voor speciale medische kinderopvang. Voor de geboorte van zijn zusje voldeed referente wel aan het middelenvereiste. Artikel 3.94, tweede lid, van het Vb dient derhalve analoog te worden toegepast. Voorts had verweerder gebruik moeten maken van de hardheidsclausule als bedoeld in artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht. Naast de medische problematiek van zijn zusje is de situatie bovendien bijzonder, omdat hij door zijn onbekende nationaliteit niet tot Nederlander kan naturaliseren, aldus eiser.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

5.1

Zowel voor het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning als voor het verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd of EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen geldt als voorwaarde dat de aanvrager dan wel de referent moet beschikken over voldoende middelen van bestaan. Op grond van artikel 3.23, eerste lid, van het Vb geldt dit middelenvereiste – kortgezegd – niet voor in Nederland geboren vreemdelingen die een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als beperking ‘verblijf als familie- of gezinslid’ aanvragen, danwel verlenging van die vergunning vragen.

5.2

Niet in geschil is dat het inkomen van referente bestaat uit een uitkering krachtens de Participatiewet. De rechtbank overweegt dat aan deze uitkering geen premiebetaling door de ontvanger vooraf is gegaan. Daarom kan het inkomen dat afkomstig is uit deze uitkering niet worden aangemerkt als zelfstandig middel van bestaan, als bedoeld in artikel 3.73, eerste lid, aanhef en onder c, van het Vb.

5.3

De rechtbank ziet voorts geen aanleiding voor analoge toepassing van artikel 3.94, tweede lid, van het Vb. Door verweerder wordt niet betwist dat het zusje van eiser zorgbehoevend is. Verweerder heeft zich evenwel terecht op het standpunt gesteld dat uit het door eiser overgelegde besluit van de Sociale Dienst blijkt dat de vrijstelling van de arbeidsverplichtingen geldt tot 1 oktober 2017. Niet is gebleken dat de vrijstelling thans nog geldt, dan wel dat referente blijvend niet in staat is om aan de wettelijke verplichting tot arbeidsinschakeling te voldoen. De enkele stelling van eiseres daartoe is onvoldoende.

5.3

Voor zover eiser heeft betoogd dat vrijstelling van het middelenvereiste op grond van artikel 4:84 van de Awb had moeten worden verleend, wordt overwogen dat de bepalingen in het Vb algemeen verbindende voorschriften zijn. Het beroep op artikel 4:84 van de Awb, dat ziet op beleidsregels, kan reeds daarom niet slagen.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Nobel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 september 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.