Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:10650

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
09-08-2018
Datum publicatie
20-09-2018
Zaaknummer
nl18.4305
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

algerije, geloofwaardig, geaardheid, onvoldoende zwaarwegend

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.4305


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 augustus 2018 in de zaak tussen

[naam 1] , eiser

(gemachtigde: mr. F. Ben-Saddek),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. T.L. Schuitemaker).


Procesverloop
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 27 februari 2018 (het bestreden besluit).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 juli 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen M. Majdoubi. Verweerder is, met bericht van verhindering, niet verschenen.

Overwegingen

1. Eiser is van Algerijnse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] . Op 7 september 2016 heeft hij een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen als ongegrond.

2. Eiser heeft aangevoerd dat zijn familie op enig moment op de hoogte is geraakt van zijn homoseksuele geaardheid en zijn relatie met [naam 2] . Volgens eiser is er in een discotheek een video-opname gemaakt. Eiser en [naam 1] zagen zich genoodzaakt om zich elders in Algerije te vestigen. De familie heeft aangifte gedaan tegen [naam 1] . [naam 1] heeft eiser geholpen om Algerije te verlaten.

3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:

- de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser,

- zijn homoseksuele geaardheid,

- de problemen met zijn familie vanwege deze geaardheid.

4. Verweerder acht de identiteit, nationaliteit, herkomst en geaardheid van eiser geloofwaardig. De problemen die eiser vanwege zijn geaardheid stelt te hebben ondervonden van de zijde van zijn familie, worden niet geloofwaardig geacht omdat eiser hierover wisselend, bevreemdingwekkend en vaag verklaard heeft.

5. Wat eiser hiertegen in beroep heeft aangevoerd, wordt hierna besproken.

De rechtbank oordeelt als volgt.

6. In beroep stelt eiser dat het enkele feit dat hij binnen zijn familie de vrijheid had om iets met zijn vrienden te gaan doen en bij een klasgenoot te logeren, niet het oordeel rechtvaardigt dat hij kon gaan en staan waar hij wilde.

Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat uit eisers verklaringen niet blijkt dat hij niet kon gaan en staan waar hij wilde. Weliswaar verklaart eiser tijdens het eerste aanvullend gehoor dat zijn vader prediker was, dat de familie zeer gelovig is, dat zijn broers ‘extremistisch’ zijn in hun ideologie en dat zijn broers en zussen alles bepaalden. Maar eiser heeft ook verklaard dat hij vanaf de leeftijd van twaalf jaar bij zijn jeugdvriend [naam 3] kon logeren, met [naam 3] en [naam 2] naar discotheken kon gaan en niet werd gedwongen om de moskee te bezoeken. De rechtbank verwijst voorts naar eisers verklaring op pagina 8 van het eerste aanvullend gehoor waar eiser over zijn familie verklaart dat ‘iedereen zijn eigen ding doet’ en dat op pagina 9 herhaalt. Daarnaast verklaart hij dat ‘ze niet controleerden wat ik deed’.

7. In beroep herhaalt eiser zijn toelichting dat hij in de zienswijze een verklaring heeft gegeven voor de door verweerder geconstateerde tegenstrijdigheid over wie van zijn familie hem heeft aangesproken op zijn geaardheid. Volgens eiser werd hij enkel door zijn broer [naam 4] aangesproken op zijn homoseksualiteit.

Verweerder heeft in het voornemen uitgebreid gemotiveerd waarom de verklaringen van eiser over dit onderdeel van zijn relaas tegenstrijdig zijn. Vervolgens heeft verweerder in het bestreden besluit aangegeven waarom de verklaring hiervoor in de zienswijze niet gevolgd wordt omdat eiser tijdens zijn gehoren (de rechtbank verwijst naar pagina 5 en 6 van het rapport van het tweede aanvullend gehoor) ook heeft verklaard dat hij door zijn broers anderhalf jaar vóór januari 2016 hierop werd aangesproken. De enkele opmerking in beroep dat hij in de zienswijze wel degelijk een deugdelijke verklaring heeft afgelegd, is derhalve onvoldoende.

8. Verweerder heeft in het verweerschrift terecht het standpunt gehandhaafd dat eiser het bestaan van een video-opname van zijn bezoek aan een discotheek, waar volgens eiser iedereen kwam, nog immer niet aannemelijk heeft gemaakt. De stelling van eiser in beroep dat hij vanwege de inhoud van het gesprek met zijn broer zeker weet dat de opname bestaat, is niet afdoende. Van belang hierbij is dat verweerder in het voornemen al uitgebreid heeft toegelicht waarom eiser niet in zijn verklaringen wordt gevolgd. Zo weet eiser vrijwel niets over de gestelde video te verklaren. Hij weet niet wat er op staat, wie er gefilmd heeft en wanneer dat was. Ook heeft hij later een hiermee strijdige verklaring afgelegd door te stellen dat hij werd gevolgd door degene die hem gefilmd heeft en dat hij op het moment van de opname dronken was. De verklaring van eiser hiervoor in de zienswijze, dat de mededeling van zijn broer over het bestaan van een video-opname en de gevolgen daarvan voor hem schokkend waren, is geen afdoende verklaring voor het ontbreken van kennis.

9. In beroep voert eiser aan dat het niet vreemd is dat zijn broer [naam 4] in een gesprek op straat heeft meegedeeld dat er een video-opname van eiser bestaat en hem heeft aangesproken op zijn gedrag. Eiser benadrukt daarbij dat dit ingetogen gebeurde. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat dit onvoldoende is. In het bestreden besluit wordt terecht gewezen op het risico dat een voorbijganger iets opvangt van de inhoud van het gesprek. Verder heeft eiser niet gereageerd op de tegenwerping van verweerder dat hij enerzijds verklaart dat [naam 4] hem bewust op straat heeft aangesproken en anderzijds dat hij [naam 4] toevallig tegenkwam.

10. In beroep stelt eiser dat hij in de aangifte van zijn familie tegen [naam 2] werd geportretteerd als een minderjarig slachtoffer. Dit om de politie te bewegen om

[naam 2] te vervolgen. Intern werd hij door de familie ook verantwoordelijk gehouden voor zijn gedrag.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in reactie hierop terecht gesteld dat dit niet afdoende is, nu nog steeds niet duidelijk is wat er nu precies is gebeurd en wanneer dat heeft plaatsgevonden. Tot op heden heeft eiser niet gereageerd op de overweging van verweerder dat zijn familie door het doen van de gestelde aangifte de aandacht vestigt op de homoseksuele relatie met [naam 2] , welke relatie de eer van de familie zou aantasten. Verder wijst de rechtbank nog op het feit dat eiser zijn verklaringen met betrekking tot de gestelde aangifte nog steeds niet met stukken heeft onderbouwd.

Ook heeft verweerder in het licht van het voorgaande terecht vraagtekens geplaatst bij eisers verklaring dat [naam 2] in Algerije kon blijven ondanks de aangifte van eisers familie, terwijl eiser genoodzaakt zou zijn om te vertrekken.

11. Het voorgaande betekent dat verweerder de gestelde problemen vanwege eisers geaardheid niet ten onrechte als ongeloofwaardig heeft aangemerkt en dat de enkele omstandigheid dat eiser homoseksueel is, niet tot de conclusie leidt dat hij als vluchteling in de zin van het Verdrag aangemerkt dient te worden.

Verder is niet gebleken dat eiser in Algerije een risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

12. De asielaanvraag van eiser is terecht afgewezen als ongegrond. Het beroep is ongegrond.

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.L. Holierhoek, rechter, in aanwezigheid van mr. J. Loonstra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 augustus 2018.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.