Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:10648

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
09-08-2018
Datum publicatie
20-09-2018
Zaaknummer
nl18.12987
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

asiel, opvolgende aanvraag, Afghanistan, geaardheid, ongeloofwaardig, verklaringen in eerste procedure

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.12987


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam 1] , ook bekend als [naam 1] , eiser

(gemachtigde: mr. A.D. Kupelian),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. C.W.M. van Breda).


Procesverloop
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 10 juli 2018 (het bestreden besluit).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak met kenmerk NL18.12988, plaatsgevonden op 2 augustus 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen S.T. Shah.

Overwegingen

1. Eiser is van Afghaanse nationaliteit. Hij is geboren op [geboortedatum] . Eiser heeft op 4 juli 2018 een opvolgende aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend.

2. Eiser heeft eerder op 9 januari 2016 een asielaanvraag ingediend. Bij besluit van 20 juni 2017 is deze aanvraag afgewezen. Deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, heeft het daartegen ingestelde beroep bij uitspraak van 14 februari 2018, NL17.5223,

ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak is hoger beroep ingesteld. Bij uitspraak van 11 april 2018 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State deze uitspraak bevestigd. Het besluit van 20 juni 2017 is daarmee in rechte komen vast te staan.

3. Eiser heeft aan zijn opvolgende aanvraag ten grondslag gelegd dat hij niet terug kan keren naar Afghanistan omdat hij homoseksueel is.

4. Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond en een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar. Verweerder acht de identiteit, nationaliteit en afkomst van eiser geloofwaardig. De homoseksuele gerichtheid wordt ongeloofwaardig geacht.

5.
Op wat eiser hiertegen heeft aangevoerd, wordt hierna ingegaan.

6. In geschil is de geloofwaardigheid van eisers verklaring dat hij homoseksueel is en om die reden niet terug kan keren naar Afghanistan. Daarbij is de vraag of verweerder de geloofwaardigheid van eisers seksuele gerichtheid heeft beoordeeld op de wijze zoals de nieuwe werkinstructie 2018/9 van verweerder die voorschrijft.

7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht besloten om eisers verklaringen die hij bij zijn eerste asielaanvraag heeft afgelegd over zijn nicht bij de beoordeling te betrekken. Eiser heeft destijds tijdens het eerste gehoor1 verklaard dat hij van zijn nicht houdt, dat zij ook van hem houdt en dat zij dat tegen elkaar hebben geuit. Ook haar moeder weet dat eiser haar leuk vindt.

Dat eiser nu heeft gesteld dat hij geen relatie met haar heeft, betekent niet dat verweerder deze verklaringen niet kan tegenwerpen. Eiser heeft deze verklaringen in de eerste procedure namelijk niet gecorrigeerd. Ook eisers uitleg ter zitting dat hij destijds heeft geantwoord op de vragen die hem werden gesteld, dat zijn geaardheid toen geen rol speelde in zijn leven en niet de reden van vertrek was, zijn niet afdoende om deze eerdere verklaringen niet van betekenis te achten

8. Volgens eiser is verweerder bij de beoordeling van zijn aanvraag van een te westers referentiekader uitgegaan. Zo wordt hem ten onrechte tegengeworpen dat de verklaringen over het proces van ontdekking van zijn geaardheid en de wijze waarop hij daarmee is omgegaan oppervlakkig en algemeen van aard zijn. Verder verwijt verweerder eiser dat hij niets heeft verklaard over het verborgen moeten houden van zijn geaardheid, nu hij uit een religieus gezin komt. Ook werpt verweerder tegen dat eiser na aankomst in Nederland niets heeft gedaan om zijn geaardheid verder te ontdekken of te ontplooien.

9. In reactie hierop wijst de rechtbank naar de opmerkingen van verweerder ter zitting over het gehanteerde nieuwe toetsingskader. Van eiser wordt niet verlangd dat hij, nu hij in Nederland verblijft, ‘losgaat’. Volgens verweerder is van belang dat eiser zoveel mogelijk een authentiek verhaal vertelt. Daarbij horen ook de ervaringen van eiser die hij inmiddels in Nederland heeft opgedaan. De geloofwaardigheid van dat verhaal wordt integraal beoordeeld.

Tegen deze achtergrond heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat de verklaringen van eiser in zijn algemeenheid te oppervlakkig van aard zijn. In het bestreden besluit zijn ter onderbouwing van dit standpunt terecht een aantal verklaringen van eiser aangehaald waarin eiser op vragen over de bewustwording van zijn geaardheid antwoordt dat hij nu eenmaal zo geschapen is en dit verder niet toelicht.

Eiser heeft verder niet inzichtelijk gemaakt hoe hij de ontdekking van zijn gerichtheid en de gevolgen daarvan, zoals bijvoorbeeld het verborgen houden van zijn geaardheid voor zijn familie, heeft ervaren.

10. Vervolgens heeft verweerder eiser terecht verweten dat hij weinig kan vertellen over zijn twee ontmoetingen met [naam 2] in Nederland. Daarbij zijn terecht vraagtekens geplaatst, nu het zijn eerste (seksuele) ervaring met een man betreft en dit een bepaalde indruk op eiser achtergelaten moet hebben.

Verder heeft verweerder terecht geconstateerd dat eiser in Nederland niets onderneemt om zijn seksuele gerichtheid verder te ontdekken of zichzelf te ontplooien. Opmerkelijk is dat eiser een paar maal heeft verklaard dat hij pas indien hij in het bezit wordt gesteld van een verblijfsvergunning, mogelijkheden ziet om zich elders te vestigen en eventueel op zoek te gaan naar een partner. Verder blijkt uit de verklaringen van eiser dat bij zijn sportclub en tegenover zijn vrienden in het AZC en daarbuiten niet voor zijn geaardheid wil uitkomen. De verklaring van eiser ter zitting dat hij geen contacten legt vanwege de overplaatsingen van AZC naar AZC, en dat hij terughoudend van aard is, is niet afdoende.

11. De rechtbank komt tot de conclusie dat verweerder de gestelde homoseksuele geaardheid niet ten onrechte als ongeloofwaardig heeft aangemerkt. Nu het een opvolgende aanvraag betreft die niet als niet-ontvankelijk is afgedaan, is de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.

12. Tegen het inreisverbod zijn geen separate gronden ingediend.

13. Het beroep is ongegrond.

14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. J. Loonstra, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan, digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

1 Pagina 3 van het rapport van eerste gehoor van 14 augustus 2016