Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:10647

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
09-08-2018
Datum publicatie
10-09-2018
Zaaknummer
NL18.2614
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

MK, herhaalde asielaanvraag, 1(F) Vluchtelingenverdrag, zwaar inreisverbod, Unierechtelijk openbare orde criterium, beroep tegen niet opheffen inreisverbod gegrond, beroep tegen afwijzing asielaanvraag ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.2614


uitspraak van de meervoudige kamer van 9 augustus 2018 in de zaak tussen

[naam] , eiser

(gemachtigde: mr. J.J.J. Jansen),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. J. Post).


Procesverloop
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 2 februari 2018 (het bestreden besluit).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 juni 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen B. Yilmaz. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is van Turkse nationaliteit. Hij is geboren op [geboortedatum] . Op 8 januari 2014 heeft hij, samen met zijn echtgenote en kinderen, een asielaanvraag ingediend. Bij besluit van 4 september 2014 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen omdat er ernstige redenen bestaan om aan te nemen dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen als bedoeld in artikel 1(F), aanhef en onder a en b, van het Vluchtelingenverdrag.1 Tevens is daarbij een inreisverbod voor de duur van 10 jaar aan eiser opgelegd. Volgens verweerder bestaan er ernstige redenen om te veronderstellen dat eiser, die van Koerdische origine is, zich in de periode 1994-1996 schuldig heeft gemaakt aan het plegen van oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid ten tijde van een intern gewapend conflict in Turkije tussen Turkse regeringstroepen en de PKK. Eiser is in verband gebracht met (het faciliteren van) aanvallen op burgers, buitengerechtelijke executies en marteling door het Turkse regeringsleger, toen hij zijn militaire dienstplicht vervulde in dit leger. Eisers beroep tegen dit besluit is bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, van 4 augustus 2015 (AWB 14/21969 en AWB 14/21971) ongegrond verklaard. Deze uitspraak is door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) bevestigd op 15 oktober 2015 (201506705/1/V3).

2. Op 3 augustus 2016 heeft eiser een opvolgende asielaanvraag ingediend. Aan deze aanvraag heeft hij ten grondslag gelegd dat artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag ten onrechte aan hem is tegengeworpen. Daarnaast stelt hij te vrezen voor vervolging in Turkije vanwege zijn betrokkenheid bij de Gülen-beweging.

3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder j, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verweerder stelt zich op het standpunt dat de verklaringen van eiser geen aanleiding geven om tot een ander oordeel te komen over de tegenwerping van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag. Eiser heeft volgens verweerder wel aannemelijk gemaakt dat hij vanwege zijn betrokkenheid bij de Gülen-beweging bij terugkeer naar Turkije een reëel risico loopt op ernstige schade. Verweerder heeft geen aanleiding gezien om het inreisverbod op te heffen.

4. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling heeft een vreemdeling tegen wie een inreisverbod met de rechtsgevolgen bedoeld in artikel 66a, zevende lid, van de Vw (een zwaar inreisverbod) is uitgevaardigd, zolang dit zware inreisverbod voortduurt, geen belang bij de beoordeling van een beroep tegen een besluit tot afwijzing van een aanvraag tot verlening of verlenging van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning, dan wel intrekking van een zodanige vergunning (onder meer de uitspraken van 9 juli 2013, ECLI:NL:RVS:2013:298, en van 18 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:638). In het kader van de toetsing van het inreisverbod kan ten volle aan de orde worden gesteld of verweerder, zoals in het onderhavige geval, op goede gronden de aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning heeft afgewezen.

5. Eiser heeft in beroep betoogd dat verweerder in strijd met artikel 8 van het EVRM heeft gehandeld door niet over te gaan tot opheffing van het inreisverbod. Ten onrechte is niet beoordeeld of de persoonlijke gedragingen van eiser van 21 jaar geleden een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging voor de openbare orde vormen. Gelet op de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) (de arresten Z.Zh. en I.O. t. Nederland van 11 juni 2015 (C-554/13) en J.N. t. Nederland van 15 februari 2016 (C-601/15 PPU)) is dit criterium ook van toepassing op derdelanders, aldus eiser.

6. Verweerder heeft in het verweerschrift gewezen op het arrest van het Hof van 2 mei 2018 in de zaken C-331/16 en C-366/16 en stelt zich op het standpunt dat het daarin geformuleerde openbare orde criterium niet van toepassing is op eiser, die de Turkse nationaliteit bezit en geen Unieburger is. De verwijzing naar het arrest van 15 februari 2016 kan eiser niet baten, aldus verweerder. Onder punt 65 van dat arrest verwijst het Hof naar zijn rechtspraak inzake het toepasselijke openbare orde criterium voor derdelanders, op wie de uitsluitingsgrond van artikel 1(F) niet van toepassing is. Verweerder stelt zich daarom op het standpunt dat de in de uitspraak van de Afdeling van 16 juni 2015 (ECLI:NL:RVS:2015: 2008) in rechtsoverweging 7.5 en volgende aangehaalde jurisprudentie van het Hof nog immer op eiser van toepassing is. De dreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving die uitgaat van de aanwezigheid in de samenleving van een persoon van wie in rechte vaststaat dat er ernstige redenen bestaan om te veronderstellen dat hij misdrijven heeft gepleegd als bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag, is naar zijn aard blijvend actueel.

7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat het Unierechtelijk openbare orde criterium in het geval van eiser niet van toepassing is. De rechtbank stelt voorop dat de verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 16 juni 2015 verweerder niet kan baten, reeds omdat die uitspraak geen betrekking heeft op derdelanders, maar op Unieburgers, op wie de Richtlijn 2008/115/EG (Terugkeerrichtlijn) niet van toepassing is. Omdat tegen eiser een inreisverbod is uitgevaardigd, is de Terugkeerrichtlijn van toepassing. Uit het arrest Z.Zh. en I.O. volgt dat bij de beoordeling van het begrip ‘openbare orde’ in de zin van artikel 7, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn per geval dient te worden beoordeeld of de persoonlijke gedragingen van de betrokken derdelander een daadwerkelijk en actueel gevaar voor de openbare orde vormen. Verweerder kan niet worden gevolgd in zijn standpunt dat uit het arrest B. en D. van het Hof (C-57/09 en C-101/09, 9 november 2010) volgt dat deze beoordeling niet plaats hoeft te vinden indien aan de betrokken derdelander artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen. In dat arrest (zie met name punten 104-105) is bepaald dat een persoon aan wie artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen ook van de vluchtelingenstatus kan worden uitgesloten wanneer hij geen actueel gevaar oplevert voor de lidstaat. Dat arrest ziet daarmee uitdrukkelijk alleen op uitsluiting van de vluchtelingenstatus en heeft geen betrekking op het uitvaardigen (dan wel handhaven) van een inreisverbod.

8. Het beroep tegen het niet opheffen van het inreisverbod is daarom gegrond en het bestreden besluit zal, voor zover dat ziet op het niet opheffen van het inreisverbod, worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht.

9. Uit het voorgaande volgt dat eiser belang heeft bij de beoordeling van zijn beroep tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Ter zitting is echter gebleken dat tussen partijen niet in geschil is dat eiser geen nieuwe elementen of bevindingen naar voren heeft gebracht ten aanzien van de tegenwerping van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag. Dit betekent dat het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag ongegrond is.

10. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.002,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing


De rechtbank:

 verklaart het beroep tegen het niet opheffen van het inreisverbod gegrond;

 verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

 vernietigt het bestreden besluit, voor zover daarbij is besloten het inreisverbod niet op te heffen;

 draagt verweerder op met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen ten aanzien van het verzoek tot opheffen van het inreisverbod;

 veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.002,- (duizendtwee euro).

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, voorzitter, mr. W. Toekoen en mr. C. van Boven-Hartogh, leden, in aanwezigheid van mr. A.A. Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 augustus 2018.

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

1 het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 1951 (Trb. 1954, 88), zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 1967 (Trb. 1967, 76)