Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:10624

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
15-02-2018
Datum publicatie
07-09-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 11463
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Iraanse, conflict met verhuurder & bedreiging door militie & moord broer & arrestatie en gevangenschap in Koerdistan niet geloofwaardig geacht, Soennieten in Bagdad niet systematisch blootgesteld aan praktijk onmenselijke mishandeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 17/11463

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 februari 2018 in de zaak tussen

[eiser], eiser, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. E.R. Weegenaar),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. Ch.R. Vink).

Procesverloop

Bij besluit van 26 mei 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 februari 2018.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens is N. Sulaiman als tolk ter zitting verschenen.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en heeft de Iraakse nationaliteit. Hij heeft op 5 november 2015 de onderhavige aanvraag ingediend.

2. Eiser heeft – samengevat weergegeven – aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij in januari/februari 2015 een winkel van [persoon X] heeft gehuurd en de huur voor een periode van twee jaar vooruit heeft betaald. Dan blijkt dat [persoon X] de sloten van de winkel heeft vervangen en weigert om eiser de reeds betaalde huur terug te geven. Eiser is zo boos op [persoon X] geworden dat hij hem in elkaar heeft geslagen. Twee dagen na het gevecht wordt eiser door [persoon Y], de neef van [persoon X] die bij de Badr militie zit, telefonisch bedreigd. In totaal wordt eiser door hem vier keer telefonisch bedreigd. In februari/maart 2015 wordt de broer van eiser vermoord. Eiser vermoedt dat de Badr militie hier achter zit, omdat zijn naam is genoemd direct voordat zijn broer werd vermoord. Hierna is eiser bij een vriend in Koerdistan gaan wonen. In Koerdistan is eiser gearresteerd en heeft hij meer dan een maand gevangen gezeten, totdat zijn vader geld heeft betaald voor zijn vrijlating. Eiser is naar Bagdad teruggekeerd en heeft hier een paspoort aangevraagd. Na het verkrijgen van dit paspoort heeft eiser zijn land van herkomst verlaten.

3. Verweerder heeft de aanvraag van eiser op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 afgewezen als ongegrond en heeft daaraan het volgende ten grondslag gelegd. Verweerder heeft de volgende elementen in het asielrelaas van eiser als relevant gekwalificeerd:

1) eiser stelt [eiser] te zijn en geboren te zijn op [geboortedatum] in Bagdad, Irak. Hij verklaart de Irakese nationaliteit te hebben en in Bagdad en Al Grhayib te hebben gewoond.

2) eiser stelt, naar aanleiding van een zakelijk conflict, problemen ondervonden te hebben van de kant van de Al Badr militie, die zijn broer vermoord zou hebben.

3) eiser stelt gearresteerd en gedetineerd geweest te zijn in Koerdistan.

Verweerder heeft de verklaringen van eiser over zijn identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig geacht. Daarentegen worden zijn verklaringen over de problemen die hij met de Al Badr militie heeft ondervonden evenals de arrestatie en detentie in Koerdistan niet geloofwaardig geacht.

Eiser kan niet worden aangemerkt als vluchteling in de zin van het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 1951 (Trb. 1954, 88), zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 1967 (Trb. 1967, 76) en heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

4. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en heeft daartoe – samengevat weergeven – het volgende aangevoerd. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder zijn asielrelaas ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Bovendien kan van eiser als soenniet niet gevraagd worden om zich in Bagdad te vestigen en kan hij zich ook niet vestigen in de Koerdische Autonome Regio nu hij daar geen sponsor heeft en gedetineerd is geweest. Hiertoe verwijst eiser naar de bronnen die hij reeds bij zijn zienswijze heeft overgelegd.

5. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

6. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 afgewezen, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in samenhang met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

7. De rechtbank overweegt als volgt.

7.1.

Verweerder heeft niet ten onrechte overwogen dat eiser over het huren van de winkel en het gevecht met [persoon X] bevreemdend en inconsistent heeft verklaard. Dat eiser de huur van een winkel voor een periode van twee jaar betaalt aan iemand die hij niet kent zonder navraag over de persoon van de verhuurder te doen of een contract af te sluiten, is ongerijmd. Dat het om een winkel op een goede en gewilde locatie ging en eiser genoodzaakt was snel te beslissen, doet er niet aan af dat het om een aanzienlijk bedrag ging. Voorts heeft eiser niet eenduidig verklaard over hoe hij aan het winkelpand is gekomen. Enerzijds verklaart eiser dat de eigenaar van de winkel naast die van [persoon X] heeft verteld dat er een winkel te huur was en dat deze winkeleigenaar hem met [persoon X] in contact heeft gebracht. Anderzijds verklaart hij dat hij zelf heeft gezien dat de winkel te huur stond en aan zijn vriend [vriend] heeft gevraagd wie de verhuurder was. Eiser verklaart ook nog dat hij aan andere winkeliers gevraagd heeft of er een winkel te huur stond en zo te weten is gekomen dat de winkel te huur was. Dat eiser vermoeid was als gevolg van het lange nader gehoor verklaart de tegenstrijdigheden in het relaas van eiser nog niet. Bovendien wordt niet gevolgd dat eiser [persoon X] in elkaar slaat, terwijl hij weet dat [persoon X] sjiiet is en dat sjiieten het voor het zeggen hebben in Bagdad en hij er dus - zoals hij heeft verklaard - van uit kon gaan dat [persoon X] wraak zou nemen.

7.2.

Verweerder heeft de bedreiging door de Al Badr militie niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht. Eiser heeft verklaard dat hij door [persoon Y], de neef van [persoon X] en een prominent lid van de Al Badr militie, is bedreigd. Hoewel eiser heeft aangegeven dat [persoon Y] hem in de wij-vorm heeft bedreigd, heeft hij verklaard dat [persoon Y] dat niet namens de Al Badr militie heeft gedaan. Uit de telefonische bedreigingen blijkt daarom nog niet dat eiser voor de Al Badr militie te vrezen heeft. Eiser kan niet aangeven wat de functie en taken van [persoon Y] binnen de Al Badr militie zijn, zodat zijn vermoeden dat de militie naar hem op zoek is enkel is gebaseerd op de omstandigheid dat [persoon Y] voor de militie zou werken. Door middel van de overgelegde afbeeldingen van facebook heeft eiser ook niet aannemelijk gemaakt dat de Al Badr militie naar hem op zoek is. Uit deze afbeeldingen kan niet afgeleid worden dat eiser is bedreigd noch welke functie [persoon Y] binnen de Al Badr militie zou verrichten.

7.3.

Verweerder heeft niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht dat de broer van eiser door de Al Badr militie is vermoord naar aanleiding van het zakelijke conflict en het gevecht van eiser met [persoon X]. Nu het verband tussen het gevecht met [persoon X] en de bedreiging door de Al Badr militie niet wordt gevolgd, wordt eveneens niet gevolgd dat eisers broer om die reden zou zijn vermoord. Dat de naam van eiser zou zijn geroepen voordat de broer van eiser werd vermoord, maakt dit niet anders. Dit zegt immers niets over wie de moord heeft gepleegd. Van belang is dat eiser weinig over de dood van zijn broer kan vertellen. Eiser weet niet op welke datum zijn broer is overleden, wanneer de uitvaart was, waar zijn overlijdensakte ligt en wat voor onderzoek de politie naar de moord heeft gedaan. Ook kan hij niet aangeven door wie zijn broer is vermoord, anders dan dat hij vermoedt dat dit door de Al Badr militie is gebeurd. Dat eiser niet thuis was op het moment van de moord maakt dit niet anders. Verwacht mag worden dat eiser over de moord op een familielid meer gedetailleerd kan verklaren vooral nu hij vermoedt dat zijn broer omwille van zijn eigen problemen met de Al Badr militie is vermoord.

7.4.

Verweerder heeft de arrestatie en gevangenschap in Koerdistan niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht. Eiser kan weinig concrete informatie over zijn gevangenschap geven, terwijl hij stelt dat deze gevangenschap meer dan een maand heeft geduurd. Eiser weet niet door wie hij is opgepakt, anders dan dat mensen in burger hem naar het politiebureau hebben gebracht. Eiser weet ook niet waarom hij heeft vastgezeten. Hij vermoedt dat dit was omdat hij verdacht zou hebben gekeken of omdat hij van Arabische afkomst is. Bevreemdingwekkend is dat hij niet heeft gevraagd waarom hij is opgepakt en vastgehouden. Dat hij de Koerdische taal niet machtig is, maakt dit niet anders nu eiser met de hulp van een advocaat zou zijn vrijgelaten. Dat eiser niet achteraf van deze advocaat zou hebben vernomen waarom hij heeft vastgezeten, is dan ook bevreemdingwekkend. Eiser heeft ook geen documenten ter onderbouwing van zijn gevangenschap of zijn vrijlating overgelegd.

7.5.

Verweerder heeft de omstandigheid dat de Al Badr militie naar eiser op zoek is ook niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht omdat eiser vanuit Koerdistan naar Bagdad zou zijn teruggekeerd om een paspoort aan te vragen. Dat eiser terugkeert naar de stad waar zijn problemen met de Al Badr militie zijn ontstaan en waar hij voor zijn leven vreest, is bevreemdingwekkend. Ook is bevreemdingwekkend dat eiser die stelt te vrezen voor de lange arm van de Al Badr militie bij de overheid, het leger en de politie bij deze overheid een paspoort aanvraagt. Eiser heeft in dit verband ook tegenstrijdige verklaringen afgelegd. Zo verklaart hij eerst dat de Al Badr militie niet bij de overheid zit maar daarna dat zij daar ook zitten, nu zij overal zitten en dat het daarom gevaarlijk was om terug te keren.

8. De Afdeling bestuursrechtspaak van de Raad van State (de Afdeling) heeft in de uitspraken van 21 november 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:3083, ECLI:NL:RVS:2016:3084 en ECLI:NL:RVS:2016:3085) geoordeeld dat verweerder voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat soennieten in de stad Bagdad niet systematisch worden blootgesteld aan een praktijk van onmenselijke behandelingen. Weliswaar zijn soennieten in Bagdad slachtoffer geworden van ontvoeringen en buitengerechtelijke executies, maar, gelet op het grote aantal soennieten in de stad, maakt dit niet dat het enkel zijn van een soenniet een reëel risico met zich mee brengt op een dergelijke onmenselijke behandeling. Uit landeninformatie blijkt dat soennitische wijken minder te maken hebben met bomaanslagen door ISIS, dat verantwoordelijk is voor het overgrote deel van de doden en gewonden in Bagdad, en ook dat de situatie in verschillende soennitische en gemengde wijken in gunstige zin afsteekt tegen de situatie in sjiitische wijken. Gelet ook op de uitspraak van de Afdeling van 3 juli 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1744) en de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 25 oktober 2017 (ECLI:NL:RBDHA:2017:12151), waarin tot eenzelfde conclusie wordt gekomen ten aanzien van de positie van soennieten in Bagdad, volgt de rechtbank dan ook niet dat aan eiser ten onrechte Bagdad als vestigingsalternatief is tegengeworpen omdat hij zich als soenniet in Bagdad niet zou kunnen vestigen. Daarbij is van belang dat uit de Bijlage Veelgestelde Vragen Irak van VluchtelingenWerk van januari 2017 die eiser heeft overgelegd geen wezenlijk ander beeld naar voren komt met betrekking tot de positie van soennieten in Bagdad dan reeds door de Afdeling in de beoordeling is betrokken.

9. Het beroep is ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr.drs. L.B.M. Klein Tank, rechter, in aanwezigheid van

mr. J.C. de Grauw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

15 februari 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.