Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:10619

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
04-09-2018
Datum publicatie
21-09-2018
Zaaknummer
AWB - 18 _ 2499
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bestuurlijke boete Participatiewet. Verweerder heeft niet aangetoond dat inlichtingenverplichting gedurende volledige periode in geding is geschonden. Ten onrechte grove schuld aangenomen. Boete gematigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2018/248
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 18/2499

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 september 2018 in de zaak tussen

[eiser] , te [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. C.J. van der Have),

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder

(gemachtigde: J.A. Bogaards).

Procesverloop

Bij besluit van 5 juli 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser een boete van € 8.200,- opgelegd wegens het niet naleven van de inlichtingenverplichting uit de Participatiewet.

Bij besluit van 5 maart 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser gegrond verklaard en de opgelegde boete verlaagd tot € 1.775,74.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 juli 2018.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser ontving sinds 28 juni 2015 een bijstandsuitkering. Verweerder heeft het recht op bijstand beëindigd met ingang van 1 januari 2017. Vervolgens heeft verweerder het recht op bijstand ingetrokken over de periode van 28 juni 2015 tot en met 31 december 2016 en de ten onrechte verleende bijstand over deze periode ten bedrage van € 17.229,16 van eiser teruggevorderd. Daarna heeft verweerder aan eiser bij het primaire besluit een bestuurlijke boete opgelegd.

2. Aan het bestreden besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eiser niet heeft voldaan aan zijn inlichtingenverplichting. Volgens verweerder had eiser zijn hoofdverblijf niet op het door hem opgegeven adres in Den Haag en kan zijn recht op bijstand als gevolg daarvan niet worden vastgesteld. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser grove schuld heeft aan het niet naleven van zijn inlichtingenverplichting, nu hij bewust geen medewerking heeft verleend aan het onderzoek dat naar hem was ingesteld. Volgens verweerder is daarom een boete aangewezen ter hoogte van 75% van het benadelingsbedrag van € 17.229,16. Gelet op de beperkte draagkracht van eiser heeft verweerder de boete met het bestreden besluit verlaagd tot € 1.775,74.

3. Eiser bestrijdt dat hij zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden. Hij stelt dat hij steeds op het opgegeven adres zijn hoofdverblijf heeft gehad. Subsidiair betoogt eiser dat verweerder bij het vaststellen van de boete is uitgegaan van een te hoog benadelingsbedrag en dat ten onrechte is aangenomen dat hij grove schuld heeft aan het schenden van de inlichtingenverplichting. Nu de boete met het bestreden besluit is verlaagd, had hij bovendien recht op vergoeding van de kosten die hij in de bezwaarfase heeft gemaakt, aldus eiser.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

De schending van de inlichtingenverplichting

5. De periode in geding loopt in deze zaak van 28 juni 2015 tot en met 31 december 2016.

5.1.

Bij uitspraak van 18 april 2018 (ECLI:NL:RBDHA:2018:4534) heeft deze rechtbank het beroep van eiser tegen de intrekking en terugvordering van zijn bijstandsuitkering ongegrond verklaard. Uit die uitspraak volgt dat eiser zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden door onvoldoende informatie over zijn financiële situatie te verstrekken. Het is vaste jurisprudentie (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 19 december 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:4400) dat een schending van de inlichtingenverplichting die heeft geleid tot een intrekking en terugvordering van bijstand, niet meebrengt dat deze schending ook met betrekking tot de opgelegde boete zonder meer een vaststaand gegeven is. Daarover dient bij betwisting, evenals over de feiten, een zelfstandig oordeel te worden gegeven.

5.2

Dat is hier temeer het geval, nu verweerder de schending van de inlichtingenverplichting in deze zaak geheel heeft gebaseerd op de woonsituatie van eiser in de periode in geding. Over deze woonsituatie heeft de rechtbank in haar uitspraak van 18 april 2018 geen oordeel gegeven.

5.3.

Ter zitting heeft verweerder het standpunt ingenomen dat de schending van de inlichtingenverplichting in deze zaak mede is aangenomen omdat eiser onvoldoende informatie heeft verstrekt over zijn financiële situatie. De rechtbank volgt verweerder hierin niet. Zowel in het bestreden besluit als in het primaire besluit en het daaraan ten grondslag liggende boeterapport, is uitdrukkelijk verwoord dat eiser zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet bij verweerder te melden dat hij zijn hoofdverblijf niet langer op het opgegeven adres heeft. Dat de boete mede is opgelegd omdat eiser onvoldoende informatie zou hebben verschaft over zijn financiële situatie, blijkt niet uit het bestreden besluit. De enkele, niet nader onderbouwde stelling in dat besluit dat er naast de onduidelijke woonsituatie van eiser ook onduidelijkheden bestaan over zijn financiële situatie omdat hij actief zijn diensten aanbiedt op Marktplaats, is hiervoor niet voldoende.

5.4.

Ter onderbouwing van zijn standpunt dat eiser in de periode in geding niet op het opgegeven adres woonde, heeft verweerder in de eerste plaats verwezen naar het beperkte waterverbruik op dat adres.

5.4.1.

Met betrekking tot deze gegevens stelt de rechtbank voorop dat zij geen betrekking hebben op de volledige periode in geding. Verweerder heeft gegevens verstrekt over het waterverbruik tot 14 oktober 2016. Dat betekent dat deze gegevens geen onderbouwing kunnen vormen voor het standpunt van verweerder dat eiser ook in de periode van 15 oktober 2016 tot en met 31 december 2016 niet zijn hoofdverblijf op het opgegeven adres had.

5.4.2.

Uit de gegevens over het waterverbruik blijkt dat van 28 juni tot en met 13 oktober 2015 in het geheel geen water is gebruikt op het adres van eiser. In de periode van 14 oktober 2015 tot 14 oktober 2016 bedroeg het waterverbruik 6m3. Gelet op het gemiddelde waterverbruik van een eenpersoonshuishouden van 46m3, was daarmee tussen 28 juni 2015 en 14 oktober 2016 sprake van een extreem laag waterverbruik op het adres. Het is vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 19 december 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:4400) dat een extreem laag waterverbruik niet aannemelijk maakt dat de betrokkene in de desbetreffende woning zijn hoofdverblijf heeft. Het is dan aan de betrokkene om het tegendeel aannemelijk te maken. Eiser is daarin niet geslaagd. Aan het door hem overgelegde rapport van DUNEA waarin een defect aan de watermeter wordt geconstateerd, komt niet het door hem gewenste gewicht toe. Dit rapport dateert van 24 juli 2017 en gesteld noch gebleken is dat het vastgestelde defect aan de watermeter zich ook al voordeed gedurende de periode in geding.

5.5.

Naast het beperkte waterverbruik op het adres heeft verweerder onder meer gewezen op de pintransacties van eiser. Uit een overzicht van de pintransacties blijkt dat eiser in de periode in geding slechts 7 keer in Den Haag heeft gepind. Van augustus tot en met december 2016 vonden in het geheel geen pintransacties plaats. Eiser heeft de juistheid van het overzicht met pintransacties niet bestreden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder het zeer geringe aantal pintransacties van eiser in Den Haag mogen meewegen als ondersteunend bewijs voor het standpunt dat eiser tijdens de periode in geding daar niet zijn hoofdverblijf had.

5.6.

Als ondersteunend bewijs heeft verweerder verder van belang mogen achten dat op de bankafschriften van eiser het adres van zijn moeder in [plaats] is vermeld. De verklaring van eiser dat hij nooit een adreswijziging aan zijn bank heeft doorgegeven omdat dit alleen kon op het hoofdkantoor en omdat hij slechts zelden post van zijn bank ontving, komt niet geloofwaardig voor. Nu eiser reeds sinds januari 2010 staat ingeschreven op het uitkeringsadres, heeft verweerder mogen aannemen dat eiser voldoende gelegenheid heeft gehad om zijn bank te informeren over zijn gewijzigde woonsituatie.

5.7.

Ten onrechte heeft verweerder bij het vaststellen van het hoofdverblijf van eiser gewicht toegekend aan gegevens van de website Marktplaats. Uit deze gegevens volgt weliswaar dat eiser zich in 2006 heeft geregistreerd als wonend in [plaats] , maar daar staat tegenover dat als afhaaladres voor de aangeboden goederen in de periode in geding steeds zijn uitkeringsadres in Den Haag is vermeld. Verweerder heeft desgevraagd ter zitting niet kunnen toelichten waarom meer gewicht is toegekend aan de geregistreerde woonplaats van eiser op Marktplaats dan aan het opgegeven afhaaladres.

5.8.

Anders dan verweerder meent, levert ook het feit dat eiser geen medewerking heeft verleend aan een huisbezoek, geen bewijs op voor de stelling dat hij gedurende de periode in geding niet op het opgegeven adres verbleef. Verweerder wenste dit huisbezoek te verrichten op 6 februari 2017 en daarmee ruim een maand na het einde van de periode in geding. Zoals verweerder ter zitting heeft bevestigd, had dit huisbezoek informatie kunnen opleveren over de verblijfplaats van eiser op dat moment en in het recente verleden, maar was hiervan geen bruikbare informatie te verwachten over de verblijfplaats van eiser tussen 28 juni 2015 en 31 december 2016. Voor zover het niet meewerken aan het huisbezoek een schending oplevert van de inlichtingenverplichting, ziet die schending dus niet op de periode in geding. De weigering om mee te werken aan het huisbezoek draagt daarom niet bij aan het bewijs van de schending van de inlichtingenverplichting die heeft geleid tot de boete.

6. Uit hetgeen is overwogen onder 5.4.1 tot en met 5.6, volgt dat verweerder aan de hand van het waterverbruik en het ondersteunend bewijs in de vorm van de pintransacties en de adressering van de bankafschriften van eiser, heeft aangetoond dat eiser tussen 28 juni 2015 en 14 oktober 2016 niet zijn hoofdverblijf had op het opgegeven adres. Bij gebrek aan gegevens over het waterverbruik in de periode 15 oktober 2016 tot en met 31 december 2016, heeft verweerder niet bewezen dat eiser ook in die periode elders zijn hoofdverblijf had. Het door verweerder aangedragen ondersteunend bewijs is onvoldoende om die conclusie te kunnen dragen.

7. Eiser heeft niet aan verweerder doorgegeven dat hij tussen 28 juni 2015 en 14 oktober 2016 niet verbleef op het opgegeven adres. Daarmee heeft hij de inlichtingenverplichting uit artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet, geschonden. Gelet op artikel 18a, eerste lid, van de Participatiewet, was verweerder daarom gehouden aan eiser een boete op te leggen. In het navolgende zal worden beoordeeld of verweerder de hoogte van deze boete juist heeft vastgesteld.

De hoogte van de boete

8. Bij het vaststellen van de boete is verweerder uitgegaan van een benadelingsbedrag van € 17.229,16. Dit is het bedrag dat eiser aan bijstand heeft ontvangen tussen 28 juni 2015 en 31 december 2016. Nu verweerder niet heeft aangetoond dat eiser ook tussen 15 oktober en 31 december 2016 elders dan op het opgegeven adres zijn hoofdverblijf had, is de ontvangen bijstand uit die periode ten onrechte in aanmerking genomen bij het vaststellen van het benadelingsbedrag. Het benadelingsbedrag is daarmee te hoog vastgesteld. De hiertegen gerichte beroepsgrond van eiser slaagt.

9. Bij het vaststellen van de hoogte van de boete is verweerder verder uitgegaan van grove schuld aan de zijde van eiser. Volgens verweerder is het verwijtbaar dat eiser op geen enkel moment gedurende de periode in geding informatie over zijn feitelijke hoofdverblijf heeft verstrekt en dat hij heeft geweigerd medewerking te verlenen aan een huisbezoek.

9.1.

Ingevolge artikel 2a, derde lid, van het Boetebesluit socialezekerheidswetten (Boetebesluit), kunnen bij de mate waarin de gedraging aan de betrokkene kan worden verweten, de volgende criteria leiden tot grove schuld:

a. de betrokkene heeft bij herhaling geen of onjuiste informatie verstrekt, terwijl ten aanzien van deze overtredingen ten minste sprake is geweest van een normale verwijtbaarheid, of

b. er is sprake van een samenloop van omstandigheden die elk op zich normale verwijtbaarheid opleveren, maar in hun onderlinge samenhang bezien wel leiden tot grove schuld.

9.2.

Uit de jurisprudentie van de CRvB volgt dat het bij grove schuld moet gaan om een ernstige, aan opzet grenzende mate van nalatigheid (CRvB 13 juni 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2437). Het enkele feit dat het gaat om een langdurige schending is onvoldoende om grove schuld aan te nemen (CRvB 30 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1962).

9.3.

Ter zitting heeft verweerder nader toegelicht dat het eiser wordt verweten dat hij gedurende de periode in geding herhaaldelijk heeft verzuimd om informatie aan te leveren waarom was verzocht. Niet in geschil is echter dat deze verzoeken van verweerder betrekking hadden op informatie over de financiële situatie van eiser. Hierboven is onder 5.3 overwogen dat uit het bestreden besluit niet volgt dat aan eiser een boete is opgelegd omdat hij onvoldoende informatie over zijn financiële situatie heeft verschaft. Dat eiser bij herhaling heeft verzuimd om desgevraagd informatie over zijn financiële situatie te verstrekken, kan dan ook niet leiden tot het oordeel dat eiser grove schuld heeft aan het schenden van de inlichtingenverplichting ten aanzien van zijn hoofdverblijf.

9.4.

Niet gebleken is dat eiser met een aan opzet grenzende mate van nalatigheid heeft verzuimd om informatie te verschaffen over zijn hoofdverblijf gedurende de periode in geding. Dat eiser geen medewerking heeft verleend aan het huisbezoek op 6 februari 2017, is hiervoor niet voldoende. Zoals onder 5.8 is overwogen, betreft die weigering van eiser immers niet de schending van de inlichtingenverplichting die ten grondslag is gelegd aan het opleggen van de boete. Dat betekent dat verweerder bij het vaststellen van de hoogte van de boete ten onrechte is uitgegaan van grove schuld van eiser.

Conclusie

11. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het beroep gegrond is. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen voor zover dit de hoogte van de opgelegde boete betreft en zelf in de zaak voorzien. Daartoe wordt als volgt overwogen.

12. Voor een weergave van de relevante wetgeving en uitgangspunten bij de beoordeling van de evenredigheid van een bestuurlijke boete wordt verwezen naar de overwegingen 5.1 tot en met 5.11 van de uitspraak van de CRvB van 11 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:12, met inachtneming van het feit dat per 1 januari 2017 artikel 18a van de Participatiewet en het Boetebesluit zijn gewijzigd.

13. In overweging 7 heeft de rechtbank geoordeeld dat eiser van 28 juni 2015 tot 14 oktober 2016 zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het recht op bijstand over die periode als gevolg daarvan niet was vast te stellen. Over deze periode heeft eiser daarom ten onrechte bijstand ontvangen. Gelet hierop, kan eiser niet worden gevolgd voor zover hij betoogt dat hem geen boete kan worden opgelegd omdat de schending van de inlichtingenverplichting niet heeft geleid tot een benadelingsbedrag.

14. Eiser kan evenmin worden gevolgd in zijn betoog dat de schending van de inlichtingenverplichting hem niet verweten kan worden. Zijn stelling dat hij op medische gronden niet in staat was om medewerking te verlenen aan het huisbezoek op 6 februari 2017 kan hier onbesproken blijven, aangezien zijn weigering om aan dit huisbezoek mee te werken niet van belang is voor de aangenomen schending van de inlichtingenverplichting gedurende de periode in geding. Gesteld noch gebleken is dat eiser niet of verminderd verweten kan worden dat hij gedurende de periode in geding niet aan verweerder heeft doorgegeven dat hij niet meer op het opgegeven adres verbleef. Bij het bepalen van de hoogte van de boete zal de rechtbank daarom uitgaan van normale verwijtbaarheid van eiser.

15. Ter vaststelling van de draagkracht van eiser gaat de rechtbank uit van een inkomen op bijstandsniveau naar de norm voor een alleenstaande. In dat geval geldt voor de berekening van de op te leggen boete als uitgangspunt dat deze zodanig wordt verlaagd dat de betrokkene, ingeval van normale verwijtbaarheid, de opgelegde boete over een periode van maximaal twaalf maanden kan voldoen. Hiertoe wordt een fictieve draagkracht gehanteerd die gelijk is aan de voor beslag vatbare ruimte (als regel 10% van de toepasselijke bijstandsnorm). De bijstandsnorm voor alleenstaanden is met ingang van 1 juli 2018 vastgesteld op € 996,56. De hoogte van de boete bedraagt in dat geval (12 x 10% van € 996,56=) € 1195,87. Hiermee is voldoende rekening gehouden met de financiële omstandigheden van eiser. Voor verdergaande matiging bestaat geen grond.

16. De rechtbank zal de hoogte van de boete met toepassing van artikel 8:72a van de Algemene wet bestuursrecht vaststellen op € 1195,87.

17. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

18. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2004,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit voor zover het de hoogte van de boete betreft;

- herroept het primaire besluit in zoverre;

- stelt het bedrag van de boete vast op € 1195,87 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 46,- vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 2004,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. de Winter, rechter, in aanwezigheid van F.J.M. van den Berg, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 september 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.