Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:10607

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
04-09-2018
Datum publicatie
15-02-2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 1037
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 18/1037

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 september 2018 in de zaak tussen

[eiseres] , te [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. C. Azarual),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder

(gemachtigde: M. Alsemgeest).

Procesverloop

Bij besluit van 22 mei 2017 (het primaire besluit I) heeft verweerder het recht van eiseres op een toeslag op grond van de Toeslagenwet (TW) met ingang van 23 maart 2007 ingetrokken.

Bij besluit van 24 mei 2017 (het primaire besluit II) heeft verweerder de ten onrechte aan eiseres verleende toeslag op grond van de TW over de periode van 23 maart 2007 tot en met 31 juli 2016 ten bedrage van € 14.791,42 van haar teruggevorderd. Daarnaast is bij besluit van dezelfde datum (het primaire besluit III) aan eiseres een boete van € 1.490,31 opgelegd.

Bij besluit van 21 december 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 september 2018. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde en vergezeld door haar echtgenoot. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1.

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.2.

Eiseres ontvangt al geruime tijd een WAO-uitkering. Bij besluit van 25 april 2006 is aan haar met ingang van 7 maart 2006, in aanvulling op haar arbeidsongeschiktheidsuitkering, een toeslag ingevolge de TW naar de norm van een alleenstaande toegekend. In de toekenningsbrief is opgenomen dat eiseres verplicht is wijzigingen in haar situatie aan verweerder te melden. Hierbij is onder meer vermeld dat het inkomen van de partner opgegeven dient te worden. In een besluit van 27 maart 2008 aan eiseres omtrent de hoogte van de toeslag heeft verweerder deze verplichtingen herhaald.

1.3.

Op 23 maart 2007 heeft eiseres bij verweerder gemeld dat haar adres is gewijzigd in [adres] te [plaats] en tevens een naamswijziging doorgegeven. Op

29 februari 2008 heeft eiseres in een gesprek met de verzekeringsarts in het kader van een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling onder meer aangegeven gehuwd te zijn en een dochter te hebben.

1.4.

Bij besluit van 12 juli 2016 heeft verweerder met ingang van 1 augustus 2016 de toeslag van eiseres beëindigd, nadat uit een controle van Suwinet is gebleken dat eiseres niet langer alleenstaand is, maar met haar echtgenoot samenwoont.

1.5.

Op 29 maart 2017 heeft verweerder aan eiseres een brief gezonden met als onderwerp ‘Voornemen een boete op te leggen, controleer informatie’. In deze brief staat vermeld dat de gewijzigde leefsituatie, het (on)gehuwd samenwonen met een partner met inkomen, sinds 23 maart 2007 niet is meegenomen bij de vaststelling van de toeslag. Ook wordt het voornemen om de teveel verstrekte toeslag terug te vorderen en het opleggen van een boete wegens schending van de inlichtingenplicht uitgesproken. Eiseres heeft hierop bij brief van 7 april 2017 gereageerd.

2.1.

Bij het primaire besluit I heeft verweerder vastgesteld dat, nu het totale gezinsinkomen per 23 maart 2007 boven de voor eiseres geldende grens uitkomt, er per die datum voor eiseres geen recht meer bestond op een toeslag.

2.2.

Bij het primaire besluit II heeft verweerder de aan eiseres verleende toeslag over de periode 23 maart 2007 tot en met 31 juli 2016 van haar teruggevorderd. Daarnaast heeft verweerder bij het primaire besluit III aan eiseres een boete ter hoogte van € 1.490,31 opgelegd wegens schending van de inlichtingenplicht. Eiseres heeft bij brief van 29 juni 2017 bezwaar gemaakt tegen de primaire besluiten II en III. Ter zitting hebben partijen desgevraagd bevestigd dat het bezwaar is opgevat als mede gericht tegen het primaire besluit I en dat de intrekking van het recht op toeslag in de heroverweging is betrokken. De rechtbank gaat hier eveneens vanuit.

2.3.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard en de primaire besluiten gehandhaafd. Voor zover in het bestreden besluit is vermeld dat tegen het primaire besluit I geen rechtsmiddelen zijn aangewend zodat verweerder ervan uitgaat dat eiseres het hiermee eens is, stelt de rechtbank – onder verwijzing naar hetgeen hiervoor onder 2.2. is overwogen – vast dat dit onjuist is en derhalve een motiveringsgebrek oplevert. De rechtbank ziet aanleiding om dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te passeren, nu aannemelijk is dat eiseres hierdoor niet is benadeeld.

3. Eiseres kan zich met het bestreden besluit niet verenigen en voert daartoe – kort samengevat – aan dat anders dan verweerder stelt, zij wel aan de inlichtingenplicht heeft voldaan door melding te maken van haar verhuizing en een naamswijziging. Ook heeft zij telefonisch gemeld gehuwd te zijn. Door verweerder had aanvullend onderzoek moeten worden gedaan of in ieder geval gemeld moeten worden dat de inkomsten van haar partner (ook) opgegeven moeten worden. Ook volgt uit de informatie van de Belastingdienst als ook het GBA dat eiseres sinds 2007 gehuwd is. Tot slot heeft zij ook tijdens een gesprek met de verzekeringsarts in 2008 gemeld dat zij inmiddels gehuwd is en een dochtertje heeft. Verweerder had dan ook (eerder) op de hoogte kunnen en moeten zijn van de gewijzigde omstandigheden. Voorts stelt eiseres dat zij niet heeft gemerkt dat zij de bedoelde alleenstaandentoeslag nog steeds ontving, omdat dit niet duidelijk uit de specificaties blijkt. Daarnaast handelt verweerder in strijd met artikel 3:309 van het Burgerlijk Wetboek (BW) door over ruim 11 jaar terug te vorderen. Door verweerder is gehandeld in strijd met het vertrouwens-, rechtszekerheids- en evenredigheidsbeginsel. Subsidiair stelt eiseres zich op het standpunt dat de opgelegde boete disproportioneel is, nu bij haar sprake was van onmacht en zij nimmer de intentie heeft gehad opzettelijk informatie achter te houden. De informatie die verweerder nu gebruikt voor de terugvordering en boeteoplegging was reeds in 2007 bij hem bekend. Ingevolge het bepaalde in artikel 5:41 van de Awb had een bestuurlijke boete dan ook achterwege moeten blijven. Door de terugvordering in combinatie met de boete handelt verweerder ook in strijd met het Europees recht, namelijk artikel 6, tweede lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De boete kan dan ook niet in stand blijven.

4. Ingevolge artikel 12, eerste lid, van de TW is degene die aanspraak maakt op toeslag, zijn echtgenoot, of zijn wettelijke vertegenwoordiger, alsmede de instelling aan welke ingevolge artikel 22 toeslag wordt uitbetaald, verplicht aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op zijn verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mee te delen waarvan hem of haar redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op toeslag, de hoogte van de toeslag, het geldend maken van het recht op toeslag of op het bedrag van de toeslag dat wordt betaald. Deze verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is.

Ingevolge artikel 11a, eerste lid, aanhef en onder a, van de TW – voor zover hier van belang - herziet het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een besluit tot toekenning van toeslag of trekt zij dat in indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 12 heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van toeslag. Op grond van het tweede lid kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, besluiten geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking af te zien.

In artikel 20, eerste lid, van de TW is bepaald dat de toeslag die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 11a of 14 onverschuldigd is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen wordt teruggevorderd.

Ingevolge artikel 14a, eerste lid, van de TW legt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een bestuurlijke boete op van ten hoogste het benadelingsbedrag wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door degene die aanspraak maakt op een toeslag, zijn echtgenoot, of zijn wettelijke vertegenwoordiger van de verplichting, bedoeld in artikel 12.

5.1.

De rechtbank stelt voorop dat de herziening en terugvordering een voor eiseres belastend besluit betreft. Het is aan verweerder om aan te tonen dat aan de voorwaarden hiervoor is voldaan.

5.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres vanaf 23 maart 2007, de datum waarop zij met haar partner is gaan samenwonen, geen recht meer heeft op de toeslag voor een alleenstaande en daarmee dat de in de periode van 23 maart 2007 tot en met 31 juli 2016 uitbetaalde toeslag onverschuldigd betaald is. Wel staat ter discussie of eiseres de op haar rustende inlichtingenplicht heeft geschonden.

6.1.

De rechtbank stelt vast dat uit het dossier voldoende blijkt dat eiseres bij verweerder melding heeft gemaakt van haar verhuizing en verzocht heeft haar naam te wijzigen. Hieruit volgt echter niet zonder meer dat eiseres eveneens melding heeft gemaakt van het feit dat haar verhuizing tevens inhoudt dat zij is gaan samenwonen of getrouwd is. De door eiseres gestelde telefonische melding van haar huwelijk vindt geen steun in de stukken en wordt om die reden gepasseerd. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat uit de enkele melding dat iemand gaat verhuizen, ook niet in combinatie met een verzoek tot naamswijziging, volgt dat tevens een wijziging in de gezinssituatie heeft plaatsgevonden. Ook volgt hieruit geen verplichting voor verweerder om hier nader onderzoek naar te doen of eiseres erop te wijzen dat inkomsten van een eventuele partner dienen te worden doorgegeven. Het ligt op de weg van eiseres om, zoals ook uit de verplichtingen verbonden aan de toeslag volgt, hier zelf melding van te maken. Voorts kan ook de melding bij de verzekeringsarts niet volstaan als het doorgeven van een wijziging aan verweerder. Immers gaat het in een dergelijk gesprek om de beoordeling van de arbeids(on)geschiktheid van eiseres, niet om de beoordeling van haar gezinssituatie en het daarmee samenhangende recht op een (alleenstaanden)toeslag.

6.2.

Eiseres heeft in strijd met de op haar rustende inlichtingenplicht geen melding gemaakt van het feit dat zij met ingang van 23 maart 2007 is gaan samenwonen en in dat jaar is getrouwd. Daarnaast heeft zij de inkomsten van haar partner niet opgegeven aan verweerder. Dat verweerder mogelijk langs andere wegen zoals het GBA of de Belastingdienst van deze wijzigingen en gegevens op de hoogte had kunnen zijn, doet niet af aan de verplichting van eiseres om dit zelf aan verweerder te melden. Ook het feit dat verweerder bij eerdere controle van de gegevens via Suwinet bekend had kunnen zijn met de inkomsten van de partner van eiseres uit arbeid dan wel van het feit dat eiseres inmiddels gehuwd was, ontslaat eiseres niet van de op haar rustende verplichting onverwijld uit eigen beweging inlichtingen aan verweerder te verstrekken. Eiseres kan in deze situatie, waarin zij haar inlichtingenplicht heeft geschonden, dan ook niet met vrucht tegenwerpen dat verweerder middels eigen onderzoek eerder op de hoogte had kunnen zijn van de wijzigingen in haar gezinssituatie.

6.3.

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank met verweerder van oordeel dat door eiseres weliswaar wijzigingen zijn gemeld, maar dat deze niet tijdig, volledig en juist waren nu door eiseres geen melding is gedaan van haar gewijzigde gezinssituatie en het inkomen van haar partner.

7.1.

Nu eiseres de op haar rustende inlichtingenplicht heeft geschonden, was verweerder op grond van artikel 11a, eerste lid, onderdeel a, van de TW gehouden het besluit tot toekenning van de toeslag te herzien en op grond van artikel 20, eerste lid, van de TW gehouden het onverschuldigd betaalde bedrag van eiseres terug te vorderen.

7.2.

In hetgeen door eiseres is aangevoerd ziet de rechtbank geen dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van herziening dan wel terugvordering af te zien. Zoals reeds eerder overwogen rust in beginsel op eiseres de verplichting melding te maken van alle relevante wijzigingen in haar (gezins)situatie. Dat door verweerder, behoudens de jaarlijks verzonden wijzigingsformulieren, in de tussentijd geen aanvullende informatie is opgevraagd of rechtmatigheidsonderzoek is uitgevoerd, doet niet af aan die verantwoordelijkheid van eiseres. Het uitblijven van dergelijke verzoeken of onderzoeken maakt dan ook niet dat sprake kan zijn van een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel, dan wel het rechtszekerheids- en evenredigheidsbeginsel.

7.3.

Ook het beroep op verjaring op grond van artikel 3:309 van het BW slaagt niet. In dit artikel staat vermeld dat een rechtsvordering verjaard indien binnen vijf jaar na bekendwording met het bestaan van de vordering door de rechthebbende geen actie wordt ondernomen. Uit het dossier en het hiervoor reeds overwogene volgt dat verweerder niet eerder dan in 2016 op de hoogte was van de gewijzigde (gezins)situatie van eiseres. Bij besluit van 12 juli 2016 is de toeslag met ingang van 1 augustus 2016 stopgezet omdat uit informatie volgt dat eiseres niet langer alleenstaand is. In dit besluit staat tevens vermeld dat het dossier wordt overgedragen aan de afdeling handhaving ter beoordeling van eventueel teveel betaalde toeslag in de voorafgaande jaren. Hierna is bij eiseres tweemaal aanvullende informatie opgevraagd, waarna bij de primaire besluiten I en II de toeslag is ingetrokken en teruggevorderd over de periode 23 maart 2007 tot en met 31 juli 2017. Hiermee is verweerder ruim binnen de verjaringstermijn van vijf jaar tot terugvordering overgegaan.

8. Voorts was verweerder, nu schending van de inlichtingenplicht vaststaat, op grond van artikel 14a, eerste lid, van de TW gehouden aan eiseres een bestuurlijke boete ten hoogste van het benadelingsbedrag op te leggen. Verweerder heeft hierbij de splitsing gemaakt tussen het geldende regime voor 1 januari 2013, waarbij een boete ter hoogte van 10 procent van het benadelingsbedrag werd opgelegd, en de periode daarna, waarbij er gekeken wordt naar de mate van verwijtbaarheid van de gedraging. Daarbij is verweerder uitgegaan van het bedrag dat eiseres de vijf jaar voorafgaand aan het herzieningsbesluit heeft ontvangen. Op basis hiervan is verweerder uitgekomen op een totaalbedrag van € 2.980,62, uitgaande van een normale verwijtbaarheid met een verwijtbaarheidspercentage van 50 procent. Met toepassing van artikel 5:46, tweede lid, van de Awb heeft verweerder de boete gezien de ernst van de overtreding gematigd naar € 1.490,31. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de (hoogte van de) boete op juiste gronden heeft vastgesteld en dat deze passend is. Niet gebleken is van het volledig ontbreken van verwijtbaarheid, dan wel onmacht aan de zijde van eiseres. Ten slotte is de rechtbank niet gebleken van strijdigheid met het EVRM, temeer nu de terugvordering van reparatoire aard is en uitsluitend de boete een bestraffende sanctie betreft.

9. Het beroep is ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Hammer, rechter, in aanwezigheid van

mr. M. Demoed-van Dongen, griffier, op 4 september 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.