Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:10553

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
04-09-2018
Datum publicatie
04-09-2018
Zaaknummer
09/817426-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht door op het schoolplein van het Scala College o.a. twee messen te tonen. Verminderd toerekeningsvatbaar. Geen tbs met voorwaarden. Drie maanden gevangenisstraf, waarvan twee maanden en acht dagen voorwaardelijk met o.a. de bijzondere voorwaarden een klinische behandeling in het kader van de Wet BOPZ, gevolgd door begeleid wonen. Niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partijen i.v.m. mogelijk eigen schuld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/817426-18

Datum uitspraak: 4 september 2018

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1973,

BRP-adres: [adres]

thans verblijvende in GGZ Rivierduinen: Valklaan 1, 2342 EB Oegstgeest.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 21 augustus 2018.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. R.P. Tuinenburg en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. B. Beekman naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 6 maart 2018 te Alphen aan den Rijn [slachtoffer 1] en/of

[slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6]

en/of (andere) leerlingen en/of medewerkers van het Scala College heeft

bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware

mishandeling, door

- het schoolplein van het Scala College op te lopen en/of

- ( daarbij) een mes (zichtbaar) vast te houden en/of te tonen en/of

- te schreeuwen en/of te schelden en/of woorden te bezigen als "kom dan",

"kanker" en/of "stelletje kut kinderen", althans woorden van gelijke aard

en/of strekking en/of

- ( vervolgens) toe te lopen op die [slachtoffer 1] en/of

waarna hij, verdachte

- ( uit zijn jas) een tweede mes (zichtbaar) vastpakt en/of toont en/of

- stekende beweging met een van die messen maakt in de richting van die [slachtoffer 1]

en/of [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] .

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding1

Aanleiding voor deze zaak is een voorval dat plaatsvond op 6 maart 2018 bij het schoolplein van het Scala College in Alphen aan den Rijn. Op die dag komt, zoals te zien op camerabeelden van de school, rond 13:00 een man naar het schoolplein gelopen die naar een aantal jongens gaat roepen. Deze man trekt een groot keukenmes uit zijn jaszak en houdt dat in de lucht, waarop een groep jongens op de man af komt rennen. Nadat de man in zijn vlucht voor de jongens is gevallen en weer is opgestaan trekt hij een tweede (groot) keukenmes. Daarna loopt hij weg. Hij wordt ongeveer een kwartier later thuis aangehouden door de politie.

De verdachte verklaarde dat hij naar het Scala College toe is gegaan en dat hij inderdaad twee messen bij zich had. Er was al langer sprake van spanningen en confrontaties tussen de verdachte en een groep jongens van het Scala College.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.

3.3

Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van het bewijs heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging

De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit. De verdachte heeft dit feit ook bekend. Nu de verdediging geen vrijspraak heeft bepleit, kan de rechtbank ingevolge artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen, te weten:

  • -

    de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting d.d. 21 augustus 2018;

  • -

    het proces-verbaal van bevindingen, blz. 24-25;

  • -

    het proces-verbaal van aangifte van A. [slachtoffer 1] , blz. 13-15;

  • -

    het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 3] , blz. 105-107;

  • -

    het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 4] , blz. 110-111;

  • -

    het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 5] , blz, 114-116;

  • -

    het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 6] , blz. 119-121.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat:

hij op 6 maart 2018 te Alphen aan den Rijn A. [slachtoffer 1] en

[slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6]

en (andere) leerlingen van het Scala College heeft

bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door

- het schoolplein van het Scala College op te lopen en

- ( daarbij) een mes (zichtbaar) vast te houden en te tonen en

- woorden te bezigen als "kom dan",

"kanker" en/of "stelletje kut kinderen",

waarna hij, verdachte

- ( uit zijn jas) een tweede mes (zichtbaar) vastpakt en toont.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

5.1

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar verklaard dient te worden en dat hij daarom ontslagen dient te worden van alle rechtsvervolging.

5.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar verklaard dient te worden.

5.3

Het oordeel van de rechtbank

Op grond van de Pro Justitia rapportages, zoals hieronder vermeld onder 6.3, zal de rechtbank komen tot het oordeel dat de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar verklaard dient te worden. De rechtbank ziet geen aanleiding om de verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar te verklaren.

De verdachte is derhalve strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 5 maanden en 8 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, een klinische behandeling van maximaal een jaar op een forensisch psychiatrische afdeling, meewerken aan verblijf in een begeleidende woonvorm, abstinentie van verdovende middelen, meewerken aan urinecontroles en in dat verband, en zoeken naar een dagbesteding.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om een lagere straf op te leggen dan geëist gelet op de verminderde toerekeningsvatbaarheid van de verdachte. De verdachte zal meewerken aan de bijzondere voorwaarden zoals door de officier van justitie geëist, maar niet aan abstinentie van cannabis en urinecontroles in dat verband.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van het feit

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht door op het schoolplein van het Scala College twee messen te tonen en de woorden toe te voegen: ‘Kom dan’, ‘Kanker’ en ‘Stelletjes kut kinderen’ De rechtbank begrijpt dat deze bedreiging samenhangt met bestaande spanningen en/of conflicten tussen de verdachte en een groep jongeren waar de slachtoffers deel van uitmaken. Niettemin heeft de verdachte met zijn gedragingen de grens van het toelaatbare ver overschreden. Het betreft een ernstig feit, waarbij de rechtbank de verdachte zwaar aanrekent dat een en ander plaatsvond op een moment waarop veel kinderen op het schoolplein aanwezig waren, waarvan waarschijnlijk de meesten niets te maken hebben met eerdergenoemde spanningen of conflicten. Door het openlijke karakter van het gebruikte geweld veroorzaken dergelijke feiten bovendien gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving.

Documentatie

De rechtbank heeft kennisgenomen van een uittreksel uit de justitiële documentatie d.d.

18 juli 2018, waaruit blijkt dat de verdachte reeds meerdere malen is veroordeeld voor geweldsfeiten.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft kennis genomen van de Pro Justitia rapportage betreffende verdachte d.d. 4 juni 2018 van drs. A. Banaei Kashani, psychiater met assistentie van C. van Beek. In dit rapport wordt onder meer het volgende geconstateerd.

Er is bij de verdachte sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van schizofrenie, een lichte verstandelijke beperking, een antisociale persoonlijkheidsstoornis en van een stoornis in het gebruik van cannabis en amfetamine. Ten tijde van het ten laste gelegde feit was dit eveneens aan de orde. Met name de verstandelijke beperking en zijn antisociale persoonlijkheidsstoornis stonden ten tijde van en in aanloop tot het ten laste gelegde feit op de voorgrond, onderliggend was hij ook paranoïde. De verdachte was onvoldoende in staat om controle te houden over zijn gedrag vanwege zijn verstandelijke beperking waarna hij antisociaal, agressief gedrag heeft laten zien. De rapporteur adviseert om de verdachte bij een bewezenverklaring in verminderde mate toerekeningsvatbaar te verklaren. Om de behandeling te optimaliseren en de factoren die bijdragen aan decompensatie te minimaliseren (drugs en stress) is een klinische behandeling binnen strakke kaders noodzakelijk. De behandeling dient gericht te zijn op medicatie, maar ook op het aanleren van adequate coping en abstinentie van middelen. Pas daarna dient toegewerkt te worden naar een begeleide woonvorm, passend bij de verdachte.

Vanwege het recidiverende karakter, de maatschappelijke impact van het ten laste gelegde feit, de ernstige psychopathologie en de langdurige behandeling die nodig zal zijn bij de verdachte acht de rapporteur een terbeschikkingstelling met voorwaarden het meest passend, indien de strafmaat het toelaat. Een langer durend forensisch kader na een klinische opname is noodzakelijk om risico’s op gewelddadig gedrag te kunnen blijven monitoren. Mocht de verdachte in aanmerking komen voor bijzondere voorwaarden, wordt geadviseerd om het toezicht van de reclassering langer dan twee jaar te laten voortduren en ook dan te starten met een klinische plaatsing.

De rechtbank heeft kennis genomen van de Pro Justitia rapportage betreffende verdachte d.d. 31 mei 2018 van drs. R. Haveman, GZ-psycholoog. In dit rapport wordt onder meer het volgende geconstateerd.

Er is bij de verdachte sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van schizofrenie, zwakbegaafdheid en een antisociale persoonlijkheidsstoornis. Daarnaast is de verdachte bekend met jarenlang misbruik van middelen dat als een stoornis in het gebruik van middelen kan worden geclassificeerd (alcohol, cannabis en cocaïne). Deze stoornissen waren ook ten tijde van het ten laste gelegde aanwezig en beïnvloedden deels de gedragskeuze van de verdachte ten tijde van het ten laste gelegde feit. De rapporteur adviseert om de verdachte bij een bewezenverklaring in verminderde mate toerekeningsvatbaar te verklaren. De verdachte is voor de langere termijn aangewezen op een beschermde woonvorm. Het is daarbij van belang dat hij medicatietrouw blijft. Middelengebruik moet zo veel als mogelijk ontmoedigd worden. Indien aan deze voorwaarden wordt voldaan hoeft de zorgintensiteit, op de langere termijn, niet heel groot te zijn en kan de verdachte een redelijke mate van zelfstandigheid aan. De verdachte is echter wel aangewezen op een vorm van continue begeleiding en toezicht. Geadviseerd wordt om de verdachte middels een gefaseerd traject richting een beschermde woonvorm te laten werken. Gelet op het feit dat de verdachte in het verleden diverse civielrechtelijke maatregelen heeft gehad en ook verschillende veroordelingen met bijzondere voorwaarden, moet geconcludeerd worden dat een langdurig toezicht wenselijk is. Indien dit vanuit het proportionaliteitsbeginsel voor de rechtbank mogelijk is wordt geadviseerd dit traject in het kader van een terbeschikkingstelling met voorwaarden op te leggen. Dit borgt een langdurig traject en kan als een stevige stok achter de deur worden gezien. Indien de rechtbank van mening is dat een terbeschikkingstelling met voorwaarden gelet op de aard van het ten laste gelegde als een te zware reactie kan worden gezien, rest slechts de mogelijkheid bovengenoemd traject in het kader van bijzondere voorwaarden bij een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen.

De rechtbank komt op grond van de rapportages van de psychiater en de psycholoog tot het oordeel dat verdachte in verminderde mate toerekeningsvatbaar is geweest ten tijde van het plegen van het feit.

De rechtbank heeft eveneens acht geslagen op het advies van GGZ Reclassering Fivoor van 6 augustus 2018. In het rapport wordt geadviseerd om de behandeling van de zaak aan te houden, opdat een maatregelenrapport kan worden opgevraagd, omdat reclasseringstoezicht in het kader van terbeschikkingstelling met voorwaarden door de reclassering het meest passend wordt geacht.

De rechtbank is van oordeel – zoals de rechtbank ter terechtzitting van 21 augustus 2018 reeds heeft beslist – dat een terbeschikkingstelling met voorwaarden niet in verhouding staat tot de ernst van het feit. De rechtbank zal, gelet op de inhoud van voormelde rapportages, bijzondere voorwaarden aan de verdachte opleggen. De rechtbank acht het noodzakelijk dat de klinische behandeling die de verdachte momenteel ondergaat in het kader van een rechterlijke machtiging, wordt voortgezet en dat daarna toegewerkt wordt naar een verblijf in een begeleide woonvorm met dagbesteding.

De wens van de reclassering om de verdachte volledig abstinent te houden van middelen en hem mee te laten werken aan urinecontroles vindt geen basis in de Pro Justitia rapportages. De rechtbank zal deze voorwaarden derhalve niet aan de verdachte opleggen.

Straf

Bij de bepaling van de zwaarte van de straf neemt de rechtbank tot uitgangspunt de straffen die in soortgelijke zaken gewoonlijk worden opgelegd.

Gelet op de ernst van het feit is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.

De rechtbank houdt tevens rekening met het feit dat de slachtoffers zich ook niet onbetuigd hebben gelaten.

De rechtbank zal – gelet op het ingrijpende karakter van de bijzondere voorwaarden waaronder een klinische opname van de verdachte – deze gevangenisstraf gedeeltelijk voorwaardelijk opleggen. De rechtbank acht het voor de verdachte, maar zeker ook uit maatschappelijk oogpunt, van groot belang dat de verdachte wordt behandeld voor zijn stoornissen.

7 De vorderingen van de benadeelde partijen

7.1

De vorderingen

[slachtoffer 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 519,-.

[slachtoffer 4] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 500,-.

[slachtoffer 5] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 500,-.

[slachtoffer 6] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 5.000,-.

7.2

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen tot een bedrag van € 500,- per benadeelde partij, met toepassing van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht, vermeerderd met de wettelijke rente, en tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partijen voor (zover van toepassing) het overige.

7.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen op het standpunt gesteld dat de vorderingen afgewezen dan wel niet-ontvankelijk verklaard dienen te worden.

7.4

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de verdachte in beginsel jegens de benadeelde partijen naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de door het bewezen verklaarde strafbare feit toegebrachte schade, maar dat bij het bepalen van de omvang van die civielrechtelijke aansprakelijkheid een rol speelt of, en zo ja in welke mate de schade is veroorzaakt door omstandigheden die aan de benadeelden kunnen worden toegerekend De beschikbare stukken en het verhandelde ter terechtzitting geven aanknopingspunten voor de gedachte dat de benadeelde partijen maanden voor het incident op de hoogte waren van het feit dat de verdachte in een begeleide woonvorm verbleef, en voor de gedachte dat er vaker incidenten zijn geweest tussen de verdachte en leerlingen van het Scala College, en daarmee voor de gedachte dat mogelijk sprake is van eigen schuld aan de zijde van de benadeelde partijen. Nu het procesdossier hierover geen uitsluitsel biedt, derhalve beoordeling van de vorderingen nader onderzoek vergt, levert een inhoudelijke beoordeling van de vorderingen van de benadeelde partijen een onevenredige belasting van het strafgeding op. De rechtbank zal de vorderingen derhalve niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de benadeelde partijen hun vorderingen slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen.

Dit brengt mee dat de benadeelde partijen dienen te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil.

8 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d en 285 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de eventuele tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 2 (twee) maanden en 8 (acht) dagen, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de hierbij op 3 (drie) jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- ter vaststelling van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich gedurende de proeftijd meldt bij GGZ Reclassering Fivoor op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zolang de reclassering dat noodzakelijk acht;

- in het kader van de Wet BOPZ opgenomen blijft bij GGZ Rivierduinen, althans een soortgelijke intramurale instelling, zolang zijn behandelaars in overleg met de reclassering dat nodig achten, waarbij de veroordeelde zich houdt aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de (geneesheer-)directeur van deze instelling worden gegeven;

- na zijn klinische behandeling verblijft in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang en zich houdt aan het (dag-)programma dat deze instelling in overleg met de reclassering heeft opgesteld;

- zal meewerken aan het vinden van een zinvolle dagbesteding;

geeft opdracht aan GGZ Reclassering Fivoor tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

bepaalt dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk zijn in hun respectievelijke vorderingen tot schadevergoeding en dat zij de vorderingen in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen;

veroordeelt de benadeelde partijen in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vorderingen gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door

mr. Chr.A.J.F.M. Hensen, voorzitter,

mr. M. Holtrop, rechter,

mr. P. Burgers, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. V.A. Paul, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 4 september 2018.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2018059848, van de politie eenheid Den Haag, district Alphen aan den Rijn, met bijlagen (doorgenummerd blz. 1 t/m 156).