Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:1055

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
01-02-2018
Datum publicatie
26-02-2018
Zaaknummer
09/827768-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

‘De rechtbank Den Haag heeft een 22-jarige verdachte veroordeeld voor het plegen van zes straatroven in een periode van drie weken tijd, waarbij meerdere slachtoffers met een wapen zijn bedreigd. Verdachte koos steeds jonge slachtoffers uit met dure telefoons, merkkleding en sieraden. Hij heeft op geen enkele wijze verantwoordelijkheid genomen voor wat hij heeft gedaan. Bovendien is hij eerder veroordeeld voor het plegen van een straatroof.

Uit onderzoek is gebleken dat bij verdachte sprake is van complexe en meervoudige persoonlijkheidsproblematiek. Uit niets is gebleken dat verdachte zal stoppen met het plegen van strafbare feiten als hij (onbehandeld) vrijkomt. Verdachte is ook niet gemotiveerd voor behandeling. De rechtbank gelast daarom de terbeschikkingstelling van verdachte met bevel dat hij van overheidswege zal worden verpleegd. De rechtbank legt daarnaast een gevangenisstraf van 432 dagen op, met aftrek van het voorarrest.

Verdachte moet ook een schadevergoeding betalen aan een aantal slachtoffers.’

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2018-0184
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/827768-16

Datum uitspraak: 1 februari 2018

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting te [detentieadres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzittingen van 10 maart 2017, 20 april 2017, 6 juli 2017, 2 oktober 2017, 23 oktober 2017 (alle pro forma) en 18 januari 2018 (inhoudelijke behandeling).

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.S. Warnaar en van hetgeen door verdachte en zijn raadsman mr. M.S. Rozenbeek, advocaat te Haarlem, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 25 november 2016 te 's-Gravenhage met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een Iphone 6 en/of drie ringen en/of een tas (met inhoud), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het inklemmen van de benen van die [slachtoffer 1] en/of het zeggen "Zet jou telefoon in je tasje, doe je ringen af anders maak ik je dood!" en/of het (vervolgens) zeggen "Denk je dat ik grappen maak, begin je spullen in je tas te doen" en/of het met gebalde vuist slaan en/of het van de vingers van de hand trekken van die ringen en/of het trekken van die tas over de nek van die [slachtoffer 1] ;

2.

hij op of omstreeks 25 november 2016 te 's-Gravenhage met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een Iphone 6, althans een mobiele telefoon, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het het vasthouden van een zilverkleurig vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, en/of een (trekkende) beweging maken met dat wapen (gelijkend op het doorladen van dat wapen);

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 25 november 2016 te 's-Gravenhage opzettelijk een Iphone 6+, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten als lener namelijk door te doen alsof hij, verdachte, moest bellen waardoor hij de telefoon kortstondig te leen heeft gekregen), wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

en/of

hij op of omstreeks 25 november 2016 te 's-Gravenhage [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, gepakt en/of (vervolgens) met dat vuurwapen (trekkende) bewegingen gemaakt (alsof dat wapen werd doorgeladen), althans dat wapen zichtbaar voor die [slachtoffer 2] heeft vastgehouden;

3.

hij op of omstreeks 06 november 2016 te Dordrecht, op of aan de openbare weg, het Statenplein, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een jas (merk Montcler), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 3] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het houden en/of richten en/of bewegen van een mes, althans een soortgelijk scherp en/of puntig voorwerp, op en/of naar, althans in de richting van de buik van die [slachtoffer 3] en/of daarbij tegen die [slachtoffer 3] zeggen: "als je je zakken niet snel leeg maakt, dan steek ik je" en/of "Doe je jas nou uit", althans woorden van soortgelijke aard en/of strekking;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 06 november 2016 te Dordrecht, op of aan de openbare weg, het Statenplein, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 3] heeft gedwongen tot de afgifte van een jas (merk Montcler), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het houden en/of richten en/of bewegen van een mes, althans een soortgelijk scherp en/of puntig voorwerp, op en/of naar, althans in de richting van de buik van die [slachtoffer 3] en/of daarbij tegen die [slachtoffer 3] zeggen: "als je je zakken niet snel leeg maakt, dan steek ik je" en/of "Doe je jas nou uit", althans woorden van soortgelijke aard en/of strekking;

4.

hij op of omstreeks 10 november 2016 te Rotterdam, in een rijdende spoortrein (traject Rotterdam Centraal - Rotterdam Prins Alexanderlaan) met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 4] heeft gedwongen tot de afgifte van een mobiele telefoon (Apple I-Phone 6) met bijbehorende code, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer 4] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het het tonen van een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, aan die [slachtoffer 4] en/of daarbij, althans vervolgens tegen die [slachtoffer 4] zeggen: "geef me je telefoon" en/of "wat is je koulo code" en/of "blijf zitten, blijf zitten", althans woorden van soortgelijke aard en/of strekking;

5.

hij op of omstreeks 10 november 2016 te Rotterdam, in een rijdende metro (traject metrostation Alexander - metrostation Schenkel) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 5] heeft gedwongen tot de afgifte van een jas (merk Parajumper), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer 5] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het duwen tegen het lichaam van die [slachtoffer 5] tegen het/een raam van die metro en/of die [slachtoffer 5] een gebalde vuist tonen, althans voorhouden en/of daarbij één of meerdere ma(a)l(en) tegen die [slachtoffer 5] zeggen: "trek je jas uit";

6.

hij op of omstreeks 14 november 2016 in een rijdende spoortrein tussen Rotterdam en Dordrecht (traject station Rotterdam Blaak - station Dordrecht), althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen twee (gouden) ringen en/of een riem (merk Gucci) en/of een oorbel en/of een of meer pasjes, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 6] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 6] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit

  • -

    het drukken van een hand van verdachte in het gezicht van die [slachtoffer 6] en/of

  • -

    het drukken van een vinger in een oog van die [slachtoffer 6] en/of

  • -

    het beetpakken van de/een hand(en) van die [slachtoffer 6] en/of

  • -

    het tegen die [slachtoffer 6] zeggen: "hij heeft een gannoe bij zich, hij gaat je shooten. Wij zijn torriemannen", althans woorden van soortgelijke aard en/of strekking en/of

  • -

    het plaatsen/zetten van een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op/tegen het hoofd van die [slachtoffer 6] en/of

  • -

    het schuiven/halen/trekken van die ring(en) van de vingers van die [slachtoffer 6] en/of

  • -

    het trekken van een oorbel uit een oor van die [slachtoffer 6] en/of

  • -

    het tegen die [slachtoffer 6] zeggen dat hij moest blijven zitten tot stationRoosendaal en als hij wat zou doen zouden ze hem doodschieten, althans woorden van soortgelijke aard en/of strekking;

7.

hij op of omstreeks 14 november 2016 in een rijdende spoortrein tussen Rotterdam en Dordrecht (traject station Rotterdam Blaak - station Dordrecht), althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 6] heeft gedwongen tot de afgifte van een mobiele telefoon (Apple I-Phone 7), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer 6] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit

  • -

    het drukken van een hand van verdachte in het gezicht van die [slachtoffer 6] en/of

  • -

    het drukken van een vinger in een oog van die [slachtoffer 6] en/of

  • -

    het beetpakken van de/een hand(en) van die [slachtoffer 6] en/of

  • -

    het tegen die [slachtoffer 6] zeggen: "hij heeft een gannoe bij zich, hij gaat je shooten. Wij zijn torriemannen", althans woorden van soortgelijke aard en/of strekking en/of

  • -

    het plaatsen/zetten van een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op/tegen het hoofd van die [slachtoffer 6] en/of

  • -

    het tegen die [slachtoffer 6] zeggen dat hij zijn telefoon moest geven, althans woorden van soortgelijke aard en/of strekking en/of

  • -

    het tegen die [slachtoffer 6] zeggen dat hij moest blijven zitten tot station Roosendaal en als hij wat zou doen zouden ze hem doodschieten, althans woorden van soortgelijke aard en/of strekking;

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding
Verdachte wordt verdacht van – kort gezegd – het plegen van een aantal straatroven in Den Haag, Dordrecht en Rotterdam in november 2016. De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of verdachte de persoon is geweest die de berovingen heeft gepleegd. Verdachte heeft dit ontkent.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de feiten 1, 2 subsidiair, 3 primair, 4, 5, 6 en 7 wettig en overtuigend zijn bewezen. Zij acht niet bewezen dat de feiten 3 primair, 4 en 5 in vereniging zijn gepleegd.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft voor feit 1 vrijspraak van het ten laste gelegde geweld bepleit, omdat de verklaring van aangever [slachtoffer 1] onvoldoende is om tot bewezenverklaring te komen.

Er is voorts vrijspraak bepleit van feit 2 (primair en subsidiair), omdat verdachte niet voldoet aan het door aangever opgegeven signalement.

Ook is vrijspraak gevraagd voor feit 3 (primair en subsidiair), omdat de verklaring van aangever [slachtoffer 3] onvoldoende is om tot bewezenverklaring te komen van het ten laste gelegde geweld.

De verdediging heeft vrijspraak voor feit 4 bepleit, gelet op het feit dat de afdruk van de camerabeelden van de dader waarop verdachte wordt herkend, niet duidelijk is, en omdat verdachte niet past binnen het door aangever opgegeven signalement. Bij feit 5 dient in ieder geval vrijspraak te volgen voor het geweld, omdat volgens aangever [slachtoffer 5] en getuige [getuige 1] geen geweld is gebruikt. Ook is het bij de feiten 4 en 5 mogelijk dat een ander – namelijk [medeverdachte] – de wegnemingshandelingen heeft verricht, aldus de verdediging. Verder is benadrukt dat verdachte makkelijk beïnvloedbaar is en heeft gezegd dat hij door anderen in de problemen is gekomen.

De verdediging heeft zich voor de feiten 6 en 7, zij het met kanttekeningen, gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging

3.4.1

Zaak Den Haag (feit 1)1

[slachtoffer 1] heeft aangifte gedaan van een straatroof, gepleegd op 25 november 2016 in Den Haag. Hij heeft verklaard dat hij rond 22:08 uur in de tram zat2 en dat er drie jongens aan kwamen lopen. Hij beschreef één van de jongens als volgt: Antilliaan, donker getint, 17 tot 20 jaar oud, zwarte muts met horizontaal groen-rood-groen (Gucci), korte zwarte dreads of vlechtjes, korte donkerblauwe jas, zwarte trainingsbroek en schoenen, lichtbruin schoudertasje (vermoedelijk Gucci) en littekens in het gezicht en op de handen. Deze jongen sprak [slachtoffer 1] op een gegeven moment aan.3 De jongen kwam tegenover hem zitten en klemde met zijn benen de benen van [slachtoffer 1] af. De jongen zei: “Zet jou telefoon in je tasje, doe je ringen af anders maak ik je dood!”. De jongen kwam dichterbij zitten en zei “denk je dat ik grappen maak, begin je spullen in je tas te doen!”. [slachtoffer 1] zei dat hij dat niet ging doen. De jongen balde zijn hand tot een vuist en sloeg [slachtoffer 1] hard met zijn vuist op de borst. De tram kwam op dat moment aan bij Hollands Spoor. De jongen pakte de iPhone 6 van [slachtoffer 1] uit zijn handen. Ook trok hij drie gouden ringen van de hand van [slachtoffer 1] en trok hij de tas van [slachtoffer 1] over zijn nek heen. De jongen deed de tas om zijn nek en rende weg. De anderen twee jongens renden ook weg.4 [slachtoffer 1] heeft kort daarna op station Hollands Spoor een jongen voor 100% herkend als de jongen die hem beroofd had. De jongen werd door de politie uit de trein gehaald en rende vervolgens weg voor de politie.5

Op camerabeelden van 25 november 2016, opgenomen in de betreffende tram, is te zien dat er om 21:59:18 uur drie mannen de tram instappen. Aangever [slachtoffer 1] zat al in de tram6 en man 2 ging tegenover hem zitten. Om 22:01:11 uur sprak man 2 kennelijk tegen [slachtoffer 1] , omdat deze zijn hoofd schudde en zijn lippen bewoog terwijl hij in de richting van man 2 keek. Om 22:02:44 uur lijkt het alsof man 2 naast [slachtoffer 1] wilde gaan zitten, maar deze schoof niet opzij, waarop man 2 weer tegenover [slachtoffer 1] ging zitten. In de daaropvolgende minuten schoof man 2 naar voren in de richting van [slachtoffer 1] . Om 22:08:17 uur schoof man 2 nog dichter richting [slachtoffer 1] .7 Vervolgens is te zien dat man 2 de band, die diagonaal van de rechterheup tot over de rechterschouder van [slachtoffer 1] liep, over diens hoofd trok.8 Man 2 plaatste de band vervolgens om zijn eigen bovenlijf en verliet de tram.9

Verbalisant [verbalisant 1] heeft verklaard dat hij op 25 november 2016 op station Hollands Spoor was in verband met een beroving. Het signalement van één van de daders was als volgt: een man met Antilliaans uiterlijk, met een Gucci tasje en littekens in het gezicht. [verbalisant 1] heeft een jongen uit de trein gehaald die voldeed aan dit signalement. Dit bleek verdachte te zijn. Via de portofoon hoorde [verbalisant 1] dat het slachtoffer verdachte mogelijk herkende als één van de daders van de beroving.10 Verdachte rende weg en [verbalisant 1] heeft de achtervolging ingezet. Verdachte is kort daarna aangehouden.11

Bij verdachte is in zijn onderbroek een iPhone 6 aangetroffen.12 Deze iPhone kon worden ontgrendeld met de door [slachtoffer 1] opgegeven toegangscode van diens weggenomen telefoon.13 In de fouillering van verdachte werden drie gouden ringen aangetroffen.14 [slachtoffer 1] heeft deze ringen herkend als zijn weggenomen ringen.15

De rechtbank acht, gelet op voornoemde bewijsmiddelen, de ten laste gelegde diefstal met geweld wettig en overtuigend bewezen. Zij overweegt daartoe als volgt. Aangever [slachtoffer 1] is in de tram door een man beroofd van zijn tas, telefoon en ringen. Hij heeft verdachte kort daarna herkend als de (vermoedelijke) dader van de beroving. Verdachte voldoet aan het signalement dat [slachtoffer 1] van de dader heeft opgegeven (hij heeft onder andere korte dreads/vlechtjes en littekens in het gezicht). De rechtbank is – anders dan de verdediging – van oordeel dat het opgegeven signalement voldoende specifiek en onderscheidend is. Verdachte had bovendien een deel van de buit, namelijk de telefoon en de ringen van [slachtoffer 1] , vlak na de beroving in zijn bezit. De aangifte wordt daarnaast ook ondersteund door de camerabeelden, waaruit blijkt dat er in de tram een confrontatie heeft plaatsgevonden tussen aangever en een man. Op de camerabeelden is het geweld echter niet waargenomen. Op de stills is te zien dat de dader met zijn rug naar de camera toe zit en het zicht op aangever grotendeels belemmert. De rechtbank heeft - gelet op het voorgaande - geen reden om aan de betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer 1] te twijfelen. Zij heeft dan ook de overtuiging dat het een en ander is gegaan zoals [slachtoffer 1] heeft verklaard.

3.4.2

Zaak Den Haag (feit 2)

[slachtoffer 2] L. Martis heeft op 24 november 2016 aangifte gedaan van het wegnemen van zijn telefoon onder bedreiging. Hij heeft verklaard dat hij met zijn vriendin in de auto zat die geparkeerd was op de Gedempte Gracht in Den Haag en dat er aan zijn kant op de zijruit werd getikt. [slachtoffer 2] zag dat er een man stond die een beweging maakte met zijn hand alsof hij wilde bellen. Hij beschrijft de man als volgt: licht getinte huidskleur, mogelijk van Antilliaanse afkomst, ongeveer 20 jaar oud, 1,75 tot 1,80 meter lang, dun postuur, zwart kort rastahaar, zwarte muts met Gucci-strepen, zwarte jas en bruin tasje. [slachtoffer 2] is uit de auto gestapt en de man vroeg of hij even een belletje kon plegen. [slachtoffer 2] heeft zijn telefoon (een iPhone 6+16) aan de man gegeven. Hij hoorde de man in een soort Antilliaans een telefoongesprek voeren. Toen de man het gesprek had beëindigd, vroeg [slachtoffer 2] zijn telefoon terug, maar hij kreeg deze niet terug. De man stond een beetje te draaien en ging met zijn rechterhand naar de rechterachterzak van zijn broek. [slachtoffer 2] heeft verklaard dat de man de telefoon kennelijk in zijn broekzak had gedaan. [slachtoffer 2] zag toen dat de man een zilverkleurig vuurwapen in zijn rechterhand had.17 De man hield het vuurwapen een beetje achter het tasje dat hij droeg. De man maakte met zijn linkerhand een trekkende beweging, alsof hij het vuurwapen aan het laden (de rechtbank begrijpt: doorladen) was. [slachtoffer 2] schrok van het vuurwapen en stapte achteruit. De man liep rustig weg de Wagenstraat in. [slachtoffer 2] zag dat een andere man achter de eerste man aanliep en “ [bijnaam verdachte] ” naar de eerste man riep. [slachtoffer 2] had de indruk dat de mannen samen waren. [slachtoffer 2] heeft de man met het wapen vaker in de binnenstad van Den Haag gezien en weet bijna zeker dat zijn bijnaam “ [bijnaam verdachte] ” is. [slachtoffer 2] heeft “ [bijnaam verdachte] ” later telefonisch gesproken. “ [bijnaam verdachte] ” zei toen dat [slachtoffer 2] zijn telefoon terug zou krijgen als hij € 1.000,- zou betalen.18 Het IMEI-nummer van de telefoon van [slachtoffer 2] was [IMEI nummer] .19

[getuige 2] heeft verklaard dat zij op 24 november 2016 met haar vriend [slachtoffer 2] in Den Haag was. Ze zaten samen in haar auto op de Gedempte Gracht toen er een man op het raam klopte en riep of hij even mocht bellen. [slachtoffer 2] stapte uit de auto en gaf zijn telefoon aan de man. [getuige 2] hoorde ineens geschreeuw in de Antilliaanse taal. Ze keek in de richting van [slachtoffer 2] en zag dat de man een schoudertasje om had en dat hij continu met zijn hand naar dat tasje ging. Ze kon niet precies zien wat hij daar deed. Ze zag dat [slachtoffer 2] zijn handen in de lucht deed en achteruit stapte.20 Ze zag de man vervolgens wegrennen. Er rende een andere man achteraan. [getuige 2] stapte uit de auto en hoorde [slachtoffer 2] zeggen dat de man zijn telefoon gestolen had en dat hij niets tegen de man durfde te doen, omdat de man een pistool had. [getuige 2] heeft de man als volgt omschreven: donker getinte huidskleur, normaal postuur, tussen de 25 en 25 jaar oud, kort zwart rastahaar, muts, zwarte jas en donker schoudertasje.21

In de fouillering van verdachte is op 25 november 2016 een witte iPhone aangetroffen. Deze iPhone had IMEI-nummer [IMEI nummer] .22

Uit WhatsApp-berichten op de telefoon van verdachte blijkt dat hij wordt aangesproken met de naam “ [bijnaam verdachte] ”.23 De vriendin van verdachte, [vriendin verdachte] , heeft ook verklaard dat verdachte door zijn vrienden onder andere “ [bijnaam verdachte] ” genoemd wordt.24

In de telefoon van verdachte is tevens een bericht van ‘My vrouwtje’ aangetroffen van 25 november 2016 met de volgende inhoud: “Oke ik wil 1 van die IPhone”.25 [vriendin verdachte] heeft hierover verklaard dat verdachte haar (de rechtbank begrijpt: kort daarvoor) belde en zei dat hij twee iPhones had.26

In de telefoon van verdachte zijn diverse foto’s aangetroffen waarop een zilverkleurig vuurwapen te zien is, waaronder foto’s waarop verdachte het wapen vast lijkt te houden.27 Tijdens de achtervolging op 25 november 2016 is door een omstander gezien dat verdachte iets weggooide bij een boom op de Jan Blankenstraat. De politie heeft kort daarna naast een boom op de Jan Blankenstraat een zilverkleurig voorwerp gelijkend op een vuurwapen aangetroffen.28 Dit bleek een alarmpistool te zijn (zoals bedoeld in artikel 2, lid 1, categorie III sub 4 van de Wet wapens en munitie).29

De rechtbank stelt vast dat verdachte de persoon is geweest die de telefoon van [slachtoffer 2] heeft gepakt en [slachtoffer 2] heeft bedreigd. De telefoon van [slachtoffer 2] is immers een dag na het feit bij verdachte aangetroffen. Ook had verdachte toen de beschikking over een wapen dat qua uiterlijk overeenkomt met de beschrijving die [slachtoffer 2] van het wapen van de dader gaf. Daarnaast luistert verdachte naar de bijnaam “ [bijnaam verdachte] ”, zo blijkt uit de verklaring van zijn vriendin en uit berichten op zijn telefoon. De rechtbank is – anders dan de verdediging – van oordeel dat verdachte past in het door [slachtoffer 2] opgegeven signalement. Verdachte stottert inderdaad niet, maar spreekt wel vrij hakkelend. De rechtbank weegt daarnaast mee dat verdachte kennelijk de beschikkingsmacht had over de beide op 24 en 25 november 2016 weggenomen iPhones, omdat hij deze aan zijn vriendin heeft aangeboden; ook dit wijst erop dat hij de dader moet zijn geweest. Gelet op al deze omstandigheden staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat het verdachte is geweest met wie [slachtoffer 2] is geconfronteerd op 24 november 2016.

De rechtbank spreekt verdachte vrij van de primair ten laste gelegde diefstal met geweld, omdat de bedreiging met geweld niet is gepleegd met het oog op de diefstal van de telefoon. Verdachte had de telefoon immers al in zijn beschikkingsmacht en heeft vervolgens de bedreiging gepleegd. De rechtbank acht gelet op de feitelijke gang van zaken bewezen dat verdachte de telefoon van [slachtoffer 2] heeft verduisterd en met het oog daarop [slachtoffer 2] heeft bedreigd met een vuurwapen.

3.4.3

Zaak Statenplein (feit 3)30

[slachtoffer 3] heeft aangifte gedaan van diefstal met geweld, gepleegd op 6 november 2016 tussen 19:15 uur en 19:30 uur op het Statenplein in Dordrecht. [slachtoffer 3] heeft verklaard dat hij op straat twee mannen tegenkwam. Eén van de mannen trok een mes onder zijn jas vandaan en fluisterde [slachtoffer 3] in het oor: “Doe je zakken leeg”. [slachtoffer 3] zei dat hij niets in zijn zakken had. De man zei vervolgens tegen [slachtoffer 3] “Doe je jas nou uit”. [slachtoffer 3] trok zijn jas uit, omdat hij bang was dat de man hem met het mes zou steken. De man nam de jas weg uit handen van [slachtoffer 3] . De twee mannen stapten op de fiets en reden weg.31 [slachtoffer 3] heeft het volgende signalement gegeven van de man die hem beroofde: magere/tengere negroïde man, 18 tot 25 jaar oud, 180 tot 189 centimeter lang, blauwe jas (van Armani) en zwarte trainingsbroek met witte strepen (merk Adidas), grijze capuchon en twee ringen aan de rechterhand. De man sprak Antilliaans met de andere man.32 De weggenomen jas was van het merk Moncler.33

De iPhone van verdachte is onderzocht.34 In de telefoon is een foto van een jas van het merk Montclar (de rechtbank begrijpt: Moncler) aangetroffen. Deze foto is op 6 november 2016 om 22:28 uur gemaakt.35 Verdachte voldoet aan het signalement van de dader dat door [slachtoffer 3] is opgegeven.36

De woning van de vriendin van verdachte, [vriendin verdachte] , is doorzocht. Er is onder andere een jas van het merk Moncler aangetroffen.37 [vriendin verdachte] heeft verklaard dat verdachte haar vanuit de gevangenis had gevraagd spullen op te halen. Het ging onder andere om een Monclerjas. Die was volgens [vriendin verdachte] van hem.38

[slachtoffer 3] heeft de aangetroffen Monclerjas ‘voor 100%’ herkend als zijn jas.39

De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat verdachte de persoon is geweest die [slachtoffer 3] heeft beroofd. Verdachte past in het door [slachtoffer 3] opgegeven signalement en de weggenomen jas is later bij zijn vriendin aangetroffen. Verder is in de telefoon van verdachte een foto van een Monclerjas aangetroffen van hetzelfde type als de gestolen jas. Deze foto is ongeveer 3 uur na de beroving gemaakt. Het aantreffen van een dergelijke foto zo kort na de beroving vraagt om een verklaring van verdachte. Verdachte heeft zich echter op zijn zwijgrecht beroepen.

De verdediging heeft betoogd dat de buit eerst bij Keko Kani terecht is gekomen en dat die de spullen vervolgens heeft meegegeven aan de vriendin van verdachte. Dat doet echter niet af aan de conclusie van de rechtbank dat verdachte de dader was. Verdachte overnachtte volgens de politie regelmatig bij Kani, omdat hij dakloos was.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de jas van [slachtoffer 3] heeft gestolen, waarbij hij heeft gedreigd met een mes. Hoewel de verklaring van [slachtoffer 3] met betrekking tot het geweld niet wordt ondersteund door ander bewijs, heeft de rechtbank geen reden om aan zijn verklaring te twijfelen.

De rechtbank spreekt verdachte partieel vrij van het in vereniging plegen van het feit, omdat – hoewel er volgens [slachtoffer 3] twee mannen waren – één van de twee mannen geen bijdrage heeft geleverd aan het feit. Het feit is dan ook volledig door één persoon (verdachte) gepleegd.

3.4.4

Zaak Prins Alexander (feit 4)40

[slachtoffer 4] heeft op 10 november 2016 aangifte gedaan. Hij heeft verklaard dat hij die dag om 11:20 uur de trein had genomen vanaf Rotterdam Centraal, in de richting van Utrecht. Er kwamen twee negroïde mannen aanlopen en die gingen bij hem in de buurt zitten. [slachtoffer 4] had zijn telefoon (een iPhone 6) in de hand.41 Kort voor de trein aankwam op station Rotterdam Alexander kwam één van de mannen naar [slachtoffer 4] toe en begon met hem te praten. De man haalde vervolgens een zilverkleurig vuurwapen uit zijn broek en zei tegen [slachtoffer 4] : “Geef me je telefoon”. [slachtoffer 4] heeft de man gelijk zijn telefoon gegeven. De man vroeg of er een code op zat en zei: “Wat is je koulocode”. [slachtoffer 4] heeft de man daarop ook de code van zijn telefoon gegeven. De man zei: “Blijf zitten blijf zitten” en liep weg. [slachtoffer 4] heeft de volgende beschrijving van de man gegeven: negroïde man met zwart gemillimeterd kroeshaar, rond litteken in het gezicht, ongeveer 180 centimeter lang, slank postuur, tussen de 20 en 25 jaar oud42, zwarte trainingsbroek, opvallende lichtblauwe jas, beige Guccitasje, zwarte schoenen. De tweede man droeg donkere kleding.43

Op camerabeelden van de NS is te zien dat twee personen om 11.31 uur station Rotterdam Alexander verlieten. Deze personen voldoen aan het signalement dat door [slachtoffer 4] is opgegeven.44

Verbalisant [verbalisant 2] heeft één van de personen op de beelden, de persoon met de blauwe jas, herkend als verdachte.45 Ook [vriendin verdachte] – de vriendin van verdachte – heeft deze persoon herkend als verdachte.46 [medeverdachte] heeft deze persoon ook herkend als verdachte.47

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de persoon is die [slachtoffer 4] heeft afgeperst. [slachtoffer 4] zei dat de dader een rond litteken in het gezicht had en dat is typerend voor verdachte. Aangever [slachtoffer 1] had het immers ook over littekens in het gezicht van de dader en [vriendin verdachte] sprak over vlekken, die blijkens de foto waaraan zij refereert in het gezicht van verdachte zitten.48 [slachtoffer 4] beschreef verder dat de dader zwart gemillimeterd kroeshaar had. De verdediging heeft erop gewezen dat verdachte dreads tot op zijn schouders had, wat zichtbaar is op de destijds van hem gemaakte politiefoto. Verdachte droeg die dag blijkens de camerabeelden echter een pet en daaroverheen een capuchon. De dreads zijn daarom niet te zien. Verdachte is bovendien op de camerabeelden herkend door drie personen, onder wie zijn eigen vriendin. Daarmee is er onvoldoende reden om te twijfelen dat verdachte de persoon op de camerabeelden en daarmee de dader is. De kleding die hij aanhad, is overigens identiek aan de kleding die aangever [slachtoffer 3] beschreef met betrekking tot diefstal met geweld, vier dagen ervoor (feit 3). Verdachte heeft daarnaast – zoals al bij feit 2 vastgesteld – de beschikking gehad over een zilverkleurig wapen.

Door de verdediging is nog aangevoerd dat er mogelijk een derde jongen bij het feit betrokken was. Dit blijkt echter niet uit de aangifte, noch uit de camerabeelden. Duidelijk is dat [slachtoffer 4] door één persoon beroofd is, te weten door verdachte.

3.4.5

Zaak Prinsenlaan (feit 5)49

[slachtoffer 5] Roovers heeft aangifte gedaan van een straatroof, gepleegd op 10 november 2016 rond 11:30 uur in de metro in Rotterdam. [slachtoffer 5] was onderweg met een vriend, genaamd [getuige 1] . [slachtoffer 5] zag dat er bij metrostation Prinsenlaan in Rotterdam twee Antilliaans uitziende mannen instapten. Eén van de mannen zat achter [slachtoffer 5] en zei tegen hem: “Broer, trek je jas uit”. [slachtoffer 5] zei tegen de man dat hij dat niet zou doen. De man stond op en kwam naast [slachtoffer 5] zitten. De man duwde [slachtoffer 5] tegen het raam aan en zei nogmaals: “Trek je jas uit”. De man balde zijn handen tot vuisten en toonde deze alsof hij [slachtoffer 5] wilde slaan.50 [slachtoffer 5] werd bang en trok zijn jas uit om deze af te geven. Toen de man de jas van [slachtoffer 5] had, kwam de metro aan op station Schenkel en renden de beide mannen het perron op. [slachtoffer 5] beschrijft de man die hem van zijn jas beroofde als volgt: getinte man, 20 tot 25 jaar oud, 175 tot 180 centimeter, normaal postuur, zwarte Guccipet onder de capuchon, fel blauwe (bomber)jas, plastic tasje, donkere (pigment)vlekken in het gezicht. De twee mannen praatten vermoedelijk Antilliaans met elkaar. De jas was van het merk Parajumper. [slachtoffer 5] had deze jas geleend van een vriend, genaamd [Vriend slachtoffer 5] .51

[getuige 1] heeft verklaard dat hij op 10 november 2016 in de metro zat met zijn vriend [slachtoffer 5] (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 5] Roovers ). Bij station Oosterflank of Prinsenlaan stapten er twee mannen in, vermoedelijk van Antilliaanse afkomst.52 [slachtoffer 5] had een jas aan van het merk Parajumper. Op een gegeven moment zei dat man die achter [slachtoffer 5] zat iets zei tegen [slachtoffer 5] . [slachtoffer 5] reageerde er niet op. Vervolgens zei de man nog een keer wat tegen [slachtoffer 5] . [getuige 1] hoorde de man tegen [slachtoffer 5] zeggen: “Trek je jas uit”. De man zei dat meerdere keren tegen [slachtoffer 5] en zei het steeds agressiever. De man stond op en ging naast [slachtoffer 5] op het bankje zitten. De man zei toen iets tegen [slachtoffer 5] wat [getuige 1] niet verstond. [getuige 1] zag dat [slachtoffer 5] verbaasd en geschrokken keek en dat hij vervolgens zijn jas uitdeed. De man trok de jas uit handen van [slachtoffer 5] en stopte die in een plastic tasje. De mannen stapten daarop uit bij metrostation Schenkel.53

Op camerabeelden is te zien dat om 11:34:40 uur twee mannen metrostation Oosterflank op kwamen lopen die volledig aan het door [slachtoffer 5] opgegeven signalement voldoen. Verder is op camerabeelden te zien dat deze twee mannen om 11:36:32 uur uit de metro stapten op metrostation Prinsenlaan.54 De twee mannen op de beelden van de metrostations zijn dezelfde twee mannen als op de camerabeelden van de NS (feit 4).55 De man met de blauwe jas is herkend als verdachte (zie ook feit 4).

De iPhone van verdachte is onderzocht.56 In de telefoon is een foto van een jas van het merk Parajumper aangetroffen. Deze foto is gemaakt op 10 november 2016 om 11:56 uur.57

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de persoon is die [slachtoffer 5] heeft afgeperst. [slachtoffer 5] beschrijft dat de dader donkere (pigment)vlekken in het gezicht had en dat is, zoals vermeld, typerend voor verdachte. Daarnaast is de dader te zien op camerabeelden van de metrostations en de NS. Op die beelden is verdachte door meerdere personen herkend, onder wie zijn vriendin. Uit deze beelden blijkt dat bij de afpersingen van [slachtoffer 4] (feit 4) en [slachtoffer 5] dezelfde personen aanwezig waren, van wie verdachte de dader was. Verder is in de telefoon van verdachte een foto van een Parajumperjas aangetroffen. Deze foto is ongeveer 20 minuten na het feit gemaakt. Het aantreffen van een dergelijke foto zo kort na de beroving vraagt om een verklaring van verdachte. Verdachte heeft zich echter op zijn zwijgrecht beroepen.

De verdediging heeft nog betoogd dat het ook [medeverdachte] kan zijn geweest die de blauwe Armanijas droeg en dus de dader was. De persoon met de blauwe Armanijas is op de camerabeelden echter, zoals al vermeld, door drie personen herkend als zijnde verdachte. Dat [medeverdachte] op andere momenten een vergelijkbare blauwe jas heeft gedragen, doet niets af aan die herkenningen. Daarnaast heeft [slachtoffer 5] verklaard dat de dader pigmentvlekken in het gezicht had; verdachte heeft pigmentvlekken of littekens in zijn gezicht, maar [medeverdachte] niet.

De rechtbank spreekt verdachte partieel vrij van het in vereniging plegen van het feit, omdat – hoewel er twee mannen waren – één van de twee mannen geen wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het feit. Het aandeel van de tweede man is onvoldoende om van medeplegen te spreken.

3.4.6

Zaak Stationsplein (feiten 6 en 7)58

[slachtoffer 6] heeft aangifte gedaan van diefstal met geweld, gepleegd op 14 november 2016 in de trein van Rotterdam Blaak naar Dordrecht.59 Aangever heeft verklaard dat hij in de trein zat en dat er twee jongens binnenkwamen en bij hem kwamen zitten. Eén van de jongens pakte aangever vast en drukte zijn hand in het gezicht van aangever. De jongen drukte met zijn vinger in het oog van aangever. De jongen hield hem vast en vroeg wat aangever allemaal voor spullen bij zich had. De andere jongen pakte de hand van aangever beet en schoof de ringen van zijn vingers. De jongen die hem vasthield zei dat hij rustig moest blijven en zei: “Hij heeft een gannoe bij zich, hij gaat je shooten. Wij zijn torriemannen”. De jongen tegenover hem trok een zilverkleurig pistool en zette dat tegen het hoofd van aangever. De jongen met het wapen haalde de ringen van de vingers van aangever. De jongens haalden ook de riem van aangever uit zijn broek. De jongen met het wapen vroeg om aangevers telefoon, waarop aangever zijn telefoon gaf. De anderen jongen trok de oorbel uit het linkeroor van aangever. Hij moest ook zijn jas uitdoen. Eén van de jongens pakte de pinpas van aangever uit zijn broekzak.60 De jongen met het wapen deed alle spullen die ze van aangever hadden gepakt in een plastic tas. Toen ze bijna bij station Dordrecht waren, zeiden de jongens dat aangever moest blijven zitten tot station Roosendaal en dat ze hem zouden doodschieten als hij wat zou doen.

De volgende goederen zijn van aangever gestolen: een jas (merk Armani), een iPhone 7, een riem (merk Gucci), pasjes en twee gouden ringen.

Aangever beschreef de jongen met het wapen als volgt: normaal postuur, 185 centimeter lang, 19 tot 21 jaar oud, donkergetinte huidskleur, een wat puisterig gezicht, zwarte Monclaire jas (de rechtbank begrijpt: Monclerjas), Armanischoudertas en zwarte broek.61

Aangever heeft later verklaard dat hij één van de daders van de beroving van 14 november 2016 had herkend tijdens het kijken van een filmpje op YouTube. Hij zei dat hij de dader met het wapen had herkend. Verbalisant [verbalisant 3] heeft het filmpje en screenshots ervan bekeken en herkende de persoon die aangever aanwees als verdachte.62

De iPhone van verdachte is zoals vermeld onderzocht. In de telefoon is een foto aangetroffen met daarop een hand met twee gouden en een zilveren ring. De foto is gemaakt op 15 november 2016 om 13:31 uur. Deze foto is aan aangever getoond. Hij heeft verklaard dat de gouden ringen op de foto zijn gestolen ringen waren.63 Hij heeft verder verklaard dat de dader met het vuurwapen een zilveren ring droeg, dat de man op het YouTubefilmpje dezelfde zilveren ring droeg en dat hij die zilveren ring ook herkende op de foto met zijn twee gouden ringen.64 Op de foto met de hand met de ringen is een tatoeage te zien.65 Verdachte heeft dezelfde tatoeage als op de foto.66

Aan aangever zijn foto’s getoond van het wapen dat verdachte op 25 november 2016 op zijn vlucht voor de politie weggooide. Aangever herkende het wapen als het wapen waar hij op 14 november 2016 mee werd bedreigd.67

In de woning van de vriendin van verdachte is onder andere een riem van het merk Gucci aangetroffen.68 Zij heeft verklaard dat de Gucciriem van verdachte was.69 Aangever heeft verklaard dat er op zijn weggenomen riem – aan de binnenzijde – een serienummer stond en de maat (95).70 Op een foto van de bij [vriendin verdachte] aangetroffen Gucciriem is te zien dat er aan de binnenkant van de riem een serienummer staat en de maat (95).71

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte – samen met een ander – aangever heeft beroofd. Op een foto in de telefoon van verdachte van een dag na de beroving is te zien dat verdachte de twee gestolen ringen van aangever draagt. Alweer is dit een foto die om een verklaring vraagt, maar die heeft verdachte ook hier niet gegeven. Daar komt bij dat verdachte past in het door aangever gegeven signalement. Aangever heeft het over een wat puisterig gezicht en een Monclerjas, wat kan duiden op de pigmentvlekken/littekens van verdachte en de op 6 november 2016 door verdachte gestolen Monclerjas (feit 3). Aangever heeft verder de dader herkend op een YouTubefilmpje. De persoon in het filmpje is vervolgens herkend als verdachte. De verdediging heeft de herkenning door aangever toevallig genoemd, maar dit doet op zich niet af aan de herkenning.

De verdediging heeft er verder op gewezen dat de andere dader de meermaals genoemde en door de politie als verdachte verhoorde [medeverdachte] zou kunnen zijn. Dat is mogelijk, maar voor de beoordeling van het feit niet relevant. Uit de aangifte blijkt dat beide daders geweld hebben gebruikt en aanwezig zijn geweest tot het einde van de handelingen. Gelet op de gezamenlijke uitvoering is sprake van medeplegen.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich met een ander schuldig heeft gemaakt aan diefstal met geweld en afpersing van aangever.

Door de verdediging is ten aanzien van meerdere feiten gesuggereerd dat verdachte door anderen zou zijn aangezet tot het plegen van de feiten. Dit is mogelijk, maar niet gebleken. Alleen bij de feiten 6 en 7 is sprake van een gezamenlijke uitvoering. Bij de overige bewezen verklaarde feiten was het steeds verdachte die alleen handelde. Er was vaak wel iemand bij, maar deze persoon bemoeide zich er verder niet mee. De rechtbank gaat dan ook aan dit betoog van de verdediging voorbij.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat verdachte:

1.

op 25 november 2016 te 's-Gravenhage met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een iPhone 6 en drie ringen en een tas met inhoud, toebehorende aan [slachtoffer 1] , welke diefstal werd voorafgegaan van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld en welke bedreiging met geweld bestonden uit het inklemmen van de benen van die [slachtoffer 1] en het zeggen "Zet jouw telefoon in je tasje, doe je ringen af anders maak ik je dood!" en het (vervolgens) zeggen "Denk je dat ik grappen maak, begin je spullen in je tas te doen" en het met gebalde vuist slaan en het van de vingers trekken van die ringen en het trekken van die tas over de nek van die [slachtoffer 1] ;

2. subsidiair.

omstreeks 25 november 2016 te 's-Gravenhage opzettelijk een iPhone 6+, toebehorende aan [slachtoffer 2] , en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten als lener, namelijk door te doen alsof hij, verdachte, moest bellen waardoor hij de telefoon kortstondig te leen heeft gekregen, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend

en

omstreeks 25 november 2016 te 's-Gravenhage [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een op een vuurwapen gelijkend voorwerp gepakt en vervolgens met dat voorwerp (trekkende) bewegingen gemaakt (alsof dat wapen werd doorgeladen), zichtbaar voor die [slachtoffer 2] ;

3.

op 6 november 2016 te Dordrecht, op de openbare weg, het Statenplein, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een jas (merk Moncler), toebehorende aan [slachtoffer 3] , welke diefstal werd voorafgegaan van bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 3] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, welke bedreiging met geweld bestond uit het houden van een mes voor die [slachtoffer 3] en daarbij tegen die [slachtoffer 3] zeggen: "Doe je jas nou uit";

4.

op 10 november 2016 te Rotterdam, in een rijdende spoortrein (traject Rotterdam Centraal - Rotterdam Alexander) met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 4] heeft gedwongen tot de afgifte van een mobiele telefoon (Apple iPhone 6) met bijbehorende code, toebehorende aan die [slachtoffer 4] , welke bedreiging met geweld bestond uit het tonen van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp aan die [slachtoffer 4] en daarbij tegen die [slachtoffer 4] zeggen: "Geef me je telefoon" en "Wat is je koulocode" en "Blijf zitten, blijf zitten";

5.

op 10 november 2016 te Rotterdam, in een rijdende metro (traject metrostation Alexander - metrostation Schenkel), met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer 5] heeft gedwongen tot de afgifte van een jas (merk Parajumper), toebehorende aan een ander dan aan verdachte, welk geweld en welke bedreiging met geweld bestonden uit het duwen tegen het lichaam van die [slachtoffer 5] tegen een raam van die metro en die [slachtoffer 5] een gebalde vuist tonen en daarbij meerdere malen tegen die [slachtoffer 5] zeggen: "Trek je jas uit";

6.

op 14 november 2016 in een rijdende spoortrein tussen Rotterdam en Dordrecht (traject station Rotterdam Blaak - station Dordrecht), tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen twee gouden ringen en een riem (merk Gucci) en een oorbel en pasjes, toebehorende aan [slachtoffer 6] , welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 6] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en aan zijn mededader de vlucht mogelijk te maken, welk geweld en welke bedreiging met geweld bestonden uit

  • -

    het drukken van een hand in het gezicht van die [slachtoffer 6] en

  • -

    het drukken van een vinger in een oog van die [slachtoffer 6] en

  • -

    het beetpakken van een hand van die [slachtoffer 6] en

  • -

    het tegen die [slachtoffer 6] zeggen: "Hij heeft een gannoe bij zich, hij gaat je shooten. Wij zijn torriemannen" en

  • -

    het zetten van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp tegen het hoofd van die [slachtoffer 6] en

  • -

    het schuiven van die ringen van de vingers van die [slachtoffer 6] en

  • -

    het trekken van een oorbel uit een oor van die [slachtoffer 6] en

  • -

    het tegen die [slachtoffer 6] zeggen dat hij moest blijven zitten tot station Roosendaal en als hij wat zou doen zouden ze hem doodschieten;

7.

op 14 november 2016 in een rijdende spoortrein tussen Rotterdam en Dordrecht (traject station Rotterdam Blaak - station Dordrecht), tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer 6] heeft gedwongen tot de afgifte van een mobiele telefoon (Apple iPhone 7), toebehorende aan die [slachtoffer 6] , welk geweld en welke bedreiging met geweld bestonden uit

  • -

    het drukken van een hand in het gezicht van die [slachtoffer 6] en

  • -

    het drukken van een vinger in een oog van die [slachtoffer 6] en

  • -

    het beetpakken van een hand van die [slachtoffer 6] en

  • -

    het tegen die [slachtoffer 6] zeggen: "Hij heeft een gannoe bij zich, hij gaat je shooten. Wij zijn torriemannen" en

  • -

    het zetten van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp tegen het hoofd van die [slachtoffer 6] en

  • -

    het tegen die [slachtoffer 6] zeggen dat hij zijn telefoon moest geven en

  • -

    het tegen die [slachtoffer 6] zeggen dat hij moest blijven zitten tot station Roosendaal en als hij wat zou doen zouden ze hem doodschieten.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft 3 jaar gevangenisstraf, met aftrek van het voorarrest, gevorderd en daarnaast oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht rekening te houden met het feit dat verdachte mogelijk door andere jongens is aangezet tot het plegen van de feiten. Voorts moet rekening worden gehouden met wat is vastgesteld in het multidisciplinair onderzoek. Verdachte heeft inmiddels lang genoeg vastgezeten, aldus de verdediging.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf en maatregel zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van de feiten

Verdachte heeft in een periode van nog geen drie weken tijd zes straatroven gepleegd en daarbij vier slachtoffers met een wapen bedreigd. Hij koos steeds jonge slachtoffers uit met dure telefoons, merkkleding en sieraden.

De rechtbank vindt de berovingen waarbij met een mes of (zoals de slachtoffers dachten) een pistool werd gedreigd het meest kwalijk. Verdachte en zijn mededader hebben aangever [slachtoffer 6] in de trein overvallen en een pistool op zijn hoofd gezet. Vervolgens hebben ze zijn spullen afgepakt – waarbij ringen van de vingers van het slachtoffer zijn getrokken – en gedreigd dat hij zou worden doodgeschoten. Ook aangever [slachtoffer 4] , die op klaarlichte dag in de trein voor een tentamen zat te leren, kreeg een pistool onder zijn neus geduwd. Aangever [slachtoffer 2] was zo aardig om zijn telefoon aan verdachte uit te lenen voor een telefoontje en werd vervolgens met een pistool bedreigd. Aangever [slachtoffer 3] kreeg een mes te zien. Aangever [slachtoffer 5] is een jongen van 17, die met een vriend uit school kwam en in de metro gedwongen werd een dure jas af te staan. Aangever [slachtoffer 1] werd in een tram beroofd van alle dure spullen die hij bij zich had.

Het spreekt vanzelf dat dergelijke berovingen diepe indruk op de slachtoffers maken en dat zij zo’n gebeurtenis nooit meer vergeten. Zij voelen zich vaak nog heel lang machteloos, onveilig en bedreigd in alledaagse situaties. Dat dit het geval is blijkt ook uit hetgeen de slachtoffers in het kader van de vorderingen benadeelde partij naar voren hebben gebracht. Verdachte heeft daar totaal geen oog voor gehad. Hij was uit op mooie spullen en als hij een kans zag om iemand iets duurs af te pakken, nam hij die waar. Hij heeft ook op zitting zijn mond gehouden over wat er gebeurd is en neemt dus geen enkele verantwoordelijkheid voor wat hij heeft gedaan.

Documentatie

De rechtbank heeft kennis genomen van het aanzienlijke strafblad van verdachte van 21 december 2017, waaruit blijkt dat hij eerder is veroordeeld voor het plegen van vermogens- en geweldsfeiten. Zo is hij op 9 november 2015 onherroepelijk veroordeeld tot 4 maanden gevangenisstraf voor een poging tot straatroof. De rechtbank weegt deze omstandigheid ten nadele van de verdachte mee bij de straftoemeting.

Persoon van verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op de volgende rapportages betreffende verdachte:

  • -

    een advies van Reclassering Nederland van 14 september 2017;

  • -

    het Pro Justitia-rapport (klinisch multidisciplinair onderzoek) van 27 juli 2017, opgemaakt door drs. M.D. Beijer-Holtman en drs. D. Matser, respectievelijk GZ-psycholoog en kinder- en jeugdpsychiater;

  • -

    het Pro Justitia-rapport van 12 maart 2017, opgemaakt door B. van der Hoorn en A. Hossaini, respectievelijk psychiater en psychiater in opleiding;

  • -

    het Pro Justitia-rapport van 2 maart 2017, opgemaakt door drs. L. Heukelom, GZ-psycholoog;

  • -

    een advies van Reclassering Nederland van 28 november 2016.

Uit de Pro Justitia-rapportages van 2 en 12 maart 2017 blijkt dat verdachte heeft geweigerd mee te werken aan de onderzoeken. Beide deskundigen hebben een klinische observatie geadviseerd, gelet op de forse tenlastelegging, recidive en langdurige problematiek.

Verdachte is vervolgens gedurende 7 weken geobserveerd in Forensisch Centrum Teylingereind (ForCa). Ook daar heeft verdachte zijn medewerking aan het onderzoek grotendeels geweigerd, zo blijkt uit het Pro Justitia-rapport van 27 juli 2017. Hoewel het onderzoek daardoor zijn beperkingen kent, hebben de deskundigen wel waargenomen dat het (sociaal) functioneren van verdachte zeer problematisch is en dat veel basale vaardigheden hem ontbreken. Uit het onderzoek komt een beeld naar voren van een onveilig gehechte jongen die vanuit een onstabiele opvoedsituatie, met mogelijk vroege traumatisering, op jonge leeftijd gedragsproblemen ontwikkelde. Er zijn voldoende aanwijzingen dat er in het verleden sprake was van een gedragsstoornis, die zich – gezien de leeftijd en voortdurende zorgelijke ontwikkeling – geconsolideerd lijkt te hebben in de persoonlijkheid van verdachte. Hij is onvoldoende in staat om op een adequate wijze sociale relaties aan te gaan: in contacten met anderen laat verdachte een grillig patroon van aantrekken en afstoten zien, wat kan resulteren in dreigen, intimideren en verbale agressie om de ander op afstand te houden. De deskundigen zijn van oordeel dat mechanismen als externaliseren, intimideren en imponeren onderdeel zijn van verdachtes persoonlijkheid om een basaal gevoel van wantrouwen, voortkomend uit een verstoorde hechting, te kunnen hanteren. Daarbij komt dat er sprake is van cognitieve beperkingen. Het ontbreekt verdachte aan basale vaardigheden, ook door concentratieproblemen en een snelle afleidbaarheid, waardoor hij impulsief handelt en onvoldoende in staat is om informatie goed te verwerken.

De genoemde problematiek laat zich classificeren als een stoornis in de cognitieve capaciteiten en een ‘andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis’ met antisociale en borderline trekken. Gezien de structurele aard van de problematiek was die ook aanwezig ten tijde van de ten laste gelegde feiten. Verdachte heeft niet met de deskundigen willen spreken over die feiten, waardoor er geen zicht is verkregen op eventuele motieven of drijfveren. De deskundigen achten toch de kans aanwezig dat de pathologie heeft doorgewerkt in die feiten. De beperkte cognitieve vermogens, de verhoogde impulsiviteit, egocentrische motieven (behoefte aan geld en goederen) en gebrekkige gewetensfuncties zijn mogelijk van invloed geweest op de keuzes die verdachte gemaakt heeft. De deskundigen hebben echter geen zicht gekregen op de afwegingen van verdachte, de rol van mededaders en verdere omstandigheden, waardoor zij geen goed onderbouwde uitspraken kunnen doen over de vraag of, en zo ja, in hoeverre, er sprake is geweest van doorwerking van de pathologie in de (hiervoor bewezen verklaarde) feiten. De deskundigen kunnen daarom geen uitspraken doen over de mate van toerekeningsvatbaarheid van verdachte.

Het onderzoek is ook te beperkt geweest om een uitspraak te doen over het recidiverisico. De beschikbare informatie laat desondanks een zorgelijke ontwikkeling zien met veel risicofactoren. Verdachte heeft geen huisvesting of dagbesteding, geen steunend netwerk en heeft zich tot dusver nauwelijks begeleidbaar opgesteld. Het lijkt hem aan ziekte-inzicht te ontbreken en hij is niet gemotiveerd voor behandeling. De deskundigen menen dat dit prognostisch ongunstig is voor het risico op herhaling van gewelddadig gedrag in de toekomst. Verder is bekend dat eerdere (ambulante) interventies, waaronder werkstraffen, leerstraffen, (voorwaardelijke) detenties, toezicht door de jeugdreclassering en begeleiding door een jongerencoach, onvoldoende effect hebben gehad: de gedragsproblemen hielden aan en de justitiële contacten bleven toenemen.

Gezien de ernst van de pathologie – met name de persoonlijkheidsproblematiek – lijkt een langer durende en intensievere vorm van behandeling aangewezen om het functioneren van verdachte te verbeteren, aldus de deskundigen. Zij kunnen echter geen onderbouwd advies geven voor behandeling of het juridisch kader waarbinnen deze behandeling het beste kan plaatsvinden.

Ook de reclassering beschrijft in het rapport van 14 september 2017 dat het recidiverisico niet kan worden beoordeeld, maar dat er op vrijwel alle leefgebieden risicofactoren bestaan. De reclassering acht – gelet op de vastgestelde meervoudige en complexe problematiek – een klinische behandeling nodig. Na die behandeling zou verdachte kunnen worden geplaatst in een passende beschermde woonvorm, in combinatie met een intensieve ambulante behandeling. De reclassering heeft geadviseerd deze behandelingen als bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijk strafdeel op te nemen. Daarbij is echter direct opgemerkt dat het risico op het onttrekken aan die voorwaarden hoog is, omdat verdachte heeft gezegd niet mee te willen werken aan een klinische opname. Ter zitting heeft de deskundige van de reclassering verklaard dat behandeling in een voorwaardelijk kader in feite kansloos is, gelet op de houding en problematiek van verdachte.

Straf en maatregel

De rechtbank volgt de deskundigen Beijer-Holtman en Matsen in hun conclusies en legt die ten grondslag aan haar oordeel. De rechtbank constateert dat bij verdachte sprake is van complexe en meervoudige persoonlijkheidsproblematiek die ook ten tijde van de bewezen verklaarde feiten aanwezig was. De rechtbank ziet zich – mede gelet op de niet meewerkende houding van verdachte – voor de vraag gesteld of de zaak van verdachte kan worden afgedaan met een (fikse) gevangenisstraf, of dat er aanleiding is om verdachte (eventueel daarnaast) een strafrechtelijke maatregel in de vorm van terbeschikkingstelling, al dan niet met dwangverpleging, op te leggen.

Zoals vermeld heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan zes ernstige geweldsincidenten in een periode van minder dan drie weken. Verdachte lijkt telkens impulsief te hebben besloten de feiten te plegen omdat de gelegenheid zich voordeed en het gaat om veel incidenten in korte tijd. De rechtbank vindt dat bijzonder zorgelijk. Ter zitting is uit niets gebleken dat erop vertrouwd kan worden dat verdachte hier niet mee door zal gaan zodra hij (onbehandeld) vrijkomt. Daarmee is de algemene veiligheid van met name personen in het geding.

Hoewel behandeling in het kader van een voorwaardelijk strafdeel in principe mogelijk is, lijkt dit niet kansrijk. Zo heeft verdachte bij de reclassering al verklaard niet mee te willen werken aan een klinische opname en ook de deskundigen van het ForCa vermeldden dat hij daar niet voor gemotiveerd is en dat alles wat in het verleden is geprobeerd om verdachte op het rechte spoor te krijgen, is mislukt. Ter terechtzitting is evenmin van (voldoende) motivatie bij verdachte voor een dergelijke behandeling gebleken. Het opleggen van een (klinische) behandeling in het kader van een voorwaardelijk strafdeel biedt daarom onvoldoende bescherming voor de maatschappij. Het risico is te groot dat verdachte niet zal meewerken of in ieder geval snel afhaakt en weer onbehandeld zal terugkeren in de samenleving. Een behandeling in een gedwongen kader acht de rechtbank dan ook onvermijdelijk. De rechtbank zal daarom de terbeschikkingstelling van verdachte gelasten en daarbij bepalen dat verdachte van overheidswege wordt verpleegd.

Uit de wet volgt dat voor een last tot terbeschikkingstelling een advies van twee gedragsdeskundigen – waaronder een psychiater – die betrokkene hebben onderzocht, is vereist. Ook aan een weigerende observandus kan echter een terbeschikkingstelling met dwangverpleging worden opgelegd (ex artikel 37a lid 3 juncto artikel 37 lid 3 Sr). Verdachte heeft geweigerd mee te werken aan rapportages door een psychiater en een psycholoog en vervolgens ook vrijwel niet meegewerkt aan de rapportage van het ForCa. Uit het rapport van 27 juli 2017 leidt de rechtbank af dat verdachte beschouwd moet worden als een weigerende observandus. Gelet daarop vervalt voor het opleggen van een terbeschikkingstelling de eis van een (volwaardig) multidisciplinair onderzoek als bedoeld in artikel 37 lid 2 Sr. Wel blijft nog steeds vereist dat wordt vastgesteld dat bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens ten tijde van het plegen van het feit. De deskundigen hebben dat kunnen vaststellen: er is bij verdachte een persoonlijkheidsstoornis met antisociale en borderline trekken, en beperkte intelligentie vastgesteld, waarvan ook ten tijde van de bewezen verklaarde feiten sprake was.

De bewezen verklaarde feiten zijn, met uitzondering van feit 2 subsidiair, eerste cumulatief (de verduistering), feiten waarvoor terbeschikkingstelling kan worden opgelegd, omdat daarop een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld dan wel het feit expliciet wordt genoemd in artikel 37a, ten eerste, Sr (de bedreiging).

Nu de terbeschikkingstelling zal worden opgelegd ter zake van misdrijven gericht tegen of gevaar veroorzakend voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen, is sprake van een ongemaximeerde terbeschikkingstelling als bedoeld in artikel 38e Sr. De totale duur van de op te leggen maatregel kan om die reden een periode van vier jaren te boven gaan.

Hoewel de deskundigen in het Pro Justitia-rapport van 27 juli 2017 geen standpunt over de toerekeningsvatbaarheid van verdachte in hebben kunnen nemen, acht de rechtbank het aannemelijk dat de bewezen verklaarde feiten – gelet op de bij hem bestaande gebrekkige ontwikkeling en stoornis van de geestvermogens – verdachte slechts in verminderde mate kunnen worden toegerekend. Die verminderde toerekeningsvatbaarheid betekent evenwel niet dat de strafbaarheid van verdachte volledig is uitgesloten. De rechtbank is daarom van oordeel dan aan verdachte, naast de terbeschikkingstelling, ook een gevangenisstraf dient te worden opgelegd. De bewezen verklaarde feiten rechtvaardigen op zichzelf genomen een lange gevangenisstraf. De rechtbank zal echter een lagere gevangenisstraf opleggen dan door de officier van justitie geëist, namelijk gelijk aan het voorarrest, omdat de rechtbank het van groot belang acht dat verdachte zo snel mogelijk wordt behandeld.

7 De vorderingen van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

7.1

De vorderingen van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

heeft zich als benadeelde partij gevoegd met een vordering ter hoogte van € 287,45, bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

7.1.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering toewijsbaar is tot een bedrag van € 232,50. Zij acht het bedrag van € 54,95 voor de harde schijf niet toewijsbaar, omdat een toelichting daarvoor ontbreekt. Zij heeft daarbij de wettelijke rente en toepassing van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.

7.1.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering, omdat er geen enkele onderbouwing is voor de gevorderde goederen en bijdragen.

7.1.3

Het oordeel van de rechtbank

Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde feit. Uit de aangifte volgt dat de Louis Vuittontas van [slachtoffer 1] – met daarin een flesje parfum – is gestolen. De rechtbank acht de gevraagde bedragen voor de tas en het parfum redelijk en wijst die toe, te weten een totaalbedrag van € 232,50. De rechtbank zal voorts de gevorderde wettelijke rente toewijzen vanaf 25 november 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij voor het overige af, omdat uit het dossier niet blijkt dat bij de diefstal ook een harde schrijf is weggenomen.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu verdachte jegens de benadeelde partij [slachtoffer 1] naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde feit is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 232,50, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 25 november 2016 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van de benadeelde partij genaamd [slachtoffer 1] .

7.2

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

heeft zich als benadeelde partij gevoegd met een vordering ter hoogte van € 2.250,-, bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

7.2.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering volledig kan worden toegewezen. Zij heeft daarbij de wettelijke rente en toepassing van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.

7.2.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat onduidelijk is wie de diagnose PTSS bij de benadeelde partij heeft gesteld. Verder is het oorzakelijk verband tussen het feit en de stoornis niet eenvoudig is vast te stellen.

7.2.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk verklaren en overweegt daartoe als volgt.

Bewezen is verklaard dat de benadeelde partij slachtoffer is geworden van bedreiging en verduistering. Artikel 6:95 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat de schade die op grond van een wettelijke verplichting tot schadevergoeding moet worden vergoed, bestaat in vermogensschade en ander nadeel, dit laatste voor zover de wet op vergoeding hiervan recht geeft. Artikel 6:106 BW geeft hiervoor een nadere regeling. Het eerste lid luidt, voor zover hier relevant:

1. Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding:

a. indien de aansprakelijke persoon het oogmerk had zodanig nadeel toe te brengen;

b. indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.

Gesteld noch gebleken is dat hiervan in het onderhavige geval sprake is. Voor wat betreft de in lid 1 onder a genoemde mogelijkheid moet naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat uit het verhandelde ter terechtzitting niet blijkt dat verdachte het oogmerk had om de benadeelde partij in een persoonlijkheidsrecht aan te tasten. Verdachte heeft zo een aantasting niet tot doel gehad. Voor wat betreft de in lid 1 onder b genoemde mogelijkheid vormt de omstandigheid dat de benadeelde partij door het optreden van verdachte psychische symptomen heeft opgelopen onvoldoende grond voor het aannemen van een verplichting tot het betalen van een immateriële schadevergoeding. Er moet sprake zijn van (aantoonbaar) geestelijk letsel, dat een direct gevolg is van het bewezenverklaarde handelen van verdachte. Hetgeen ter onderbouwing van de gestelde schade is aangevoerd ten aanzien van de psychische gevolgen van het feit is, gelet op de gemotiveerde betwisting door de verdediging, onvoldoende om te kunnen concluderen dat sprake is van dergelijk (causaal) geestelijk letsel. De enkele verwijzing van de huisarts vanwege het vermoeden van een posttraumatische stressstoornis is daarvoor onvoldoende.

Nu de benadeelde partij op grond van artikel 6:106 lid 1 BW niet in aanmerking komt voor vergoeding van immateriële schade, zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Dit brengt mee, dat de rechtbank de kosten die in verband met deze vordering zijn gemaakt zal compenseren door te bepalen dat de verdachte en de benadeelde partij ieder de eigen kosten dragen.

7.3

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]

heeft zich als benadeelde partij gevoegd met een vordering ter hoogte van in totaal € 1.830,-. Dit bedrag bestaat uit € 980,- materiële schade en € 850,- immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

7.3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering volledig kan worden toegewezen. Zij heeft daarbij de wettelijke rente en toepassing van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.

7.3.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de materiële schade niet is onderbouwd en dat ook niet blijkt dat de jas (onherstelbaar) beschadigd was. Ook blijkt niet dat de benadeelde partij € 180,- in de jas had zitten.

De verdediging heeft zich ten aanzien van de immateriële schade gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

7.3.3

Het oordeel van de rechtbank

Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij [slachtoffer 3] rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het onder 3 bewezen verklaarde feit. Uit het dossier blijkt dat zijn Monclerjas is gestolen en dat deze jas later beschadigd is teruggevonden bij verdachte. De rechtbank acht het gevorderde bedrag voor de jas redelijk en zal dat toewijzen, te weten een bedrag van € 800,-. Ook zal de rechtbank het bedrag van € 180,- toewijzen, omdat aangever bij zijn aangifte direct heeft gemeld dat dit geld in zijn jas zat en dus ook gestolen was.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu verdachte jegens de benadeelde partij [slachtoffer 3] naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde feit is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 980,- (€ 800,- + € 180,-), vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 6 november 2016 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van de benadeelde partij genaamd [slachtoffer 3] .

De rechtbank verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering. De benadeelde partij komt op grond van artikel 6:106 lid 1 BW niet in aanmerking voor vergoeding van immateriële schade, omdat onvoldoende is onderbouwd dat sprake is van geestelijk letsel (zie ook 7.2.3). De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

7.4

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4]

heeft zich als benadeelde partij gevoegd met een vordering ter hoogte van € 1.480,-. Dit bedrag bestaat uit € 480,- materiële schade en € 1.000,- immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

7.4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering volledig kan worden toegewezen. Zij heeft daarbij de wettelijke rente en toepassing van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.

7.4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de materiële schade niet of onvoldoende is onderbouwd.

7.4.3

Het oordeel van de rechtbank

Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij [slachtoffer 4] rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het onder 4 bewezen verklaarde feit. Uit het dossier blijkt dat zijn iPhone 6 is gestolen en dat deze niet verzekerd was. De rechtbank acht het gevraagde bedrag voor de telefoon redelijk en zal dat toewijzen, te weten een bedrag van € 480,-.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu verdachte jegens de benadeelde partij [slachtoffer 4] naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde feit is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 480,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 10 november 2016 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van de benadeelde partij genaamd [slachtoffer 4] .

De rechtbank verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering. De benadeelde partij komt op grond van artikel 6:106 lid 1 BW niet in aanmerking voor vergoeding van immateriële schade, omdat onvoldoende is onderbouwd dat sprake is van geestelijk letsel (zie ook 7.2.3). De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

7.5

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5]

heeft zich als benadeelde partij gevoegd met een vordering ter hoogte van in totaal € 379,65. Dit bedrag bestaat uit € 64,65 materiële schade en € 315,- immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

7.5.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering volledig kan worden toegewezen. Zij heeft daarbij de wettelijke rente en toepassing van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.

7.5.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering, omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd.

7.5.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5] ten aanzien van de materiële schade af, omdat deze vordering onvoldoende onderbouwd is. Uit de overgelegde stukken blijkt niet dat [slachtoffer 5] daadwerkelijk, als gevolg van het handelen van verdachte, 12 uur loon is misgelopen.

De rechtbank verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering. De benadeelde partij komt op grond van artikel 6:106 lid 1 BW niet in aanmerking voor vergoeding van immateriële schade, omdat onvoldoende is onderbouwd dat sprake is van geestelijk letsel (zie ook 7.2.3). De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Nu de vordering wordt afgewezen/niet-ontvankelijk wordt verklaard, dient de benadeelde partij te worden veroordeeld in de kosten die verdachte in verband met de vordering heeft gemaakt en nog zal maken, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil.

7.6

De vordering van de benadeelde partij [Vriend slachtoffer 5]

heeft zich als benadeelde partij gevoegd met een vordering ter hoogte van € 320,-, bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

7.6.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het gevraagde bedrag redelijk is en dat de vordering daarom volledig kan worden toegewezen. Zij heeft daarbij de wettelijke rente en toepassing van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.

7.6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het gevraagde bedrag moet worden gematigd, omdat niet zonder meer kan worden uitgegaan van de prijzen op internet.

7.6.3

Het oordeel van de rechtbank

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de benadeelde partij [Vriend slachtoffer 5] rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het onder 5 bewezen verklaarde feit. De gestolen jas was eigendom van [Vriend slachtoffer 5] . De rechtbank acht het gevorderde bedrag voor de jas redelijk en zal dat toewijzen, te weten een bedrag van € 320,-.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu verdachte jegens de benadeelde partij [Vriend slachtoffer 5] naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde feit is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 320,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 10 november 2016 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van de benadeelde partij genaamd [Vriend slachtoffer 5] .

8 De in beslag genomen goederen

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft het volgende gevorderd met betrekking tot de op de beslaglijst (bijlage A bij dit vonnis) genoemde goederen:

  • -

    Het onder 1 genoemde goed dient te worden onttrokken aan het verkeer.

  • -

    Het onder 2 genoemde goed dient te worden terug gegeven aan aangever [slachtoffer 3] .

  • -

    Het onder 4 genoemde goed dient te worden terug gegeven aan aangever [slachtoffer 1] .

  • -

    Het onder 5 genoemde goed dient te worden verbeurd verklaard, gelet op de daarop aangetroffen foto’s van gestolen goederen.

  • -

    De onder 3 en 6 tot en met 14 genoemde goederen dienen te worden terug gegeven aan verdachte.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal het op de beslaglijst onder 1 genummerde voorwerp onttrekken aan het verkeer. Dit voorwerp – een alarmpistool – is voor onttrekking aan het verkeer vatbaar, aangezien dit aan verdachte toebehorende voorwerp bij gelegenheid van het onderzoek naar de door hem begane feiten is aangetroffen, terwijl het kan dienen tot het begaan van soortgelijke feiten en van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang.

Nu het belang van strafvordering zich daartegen niet (meer) verzet, zal de rechtbank de teruggave van de volgende goederen gelasten:

  • -

    het onder 2 genoemde goed (de Monclerjas) moet worden terug gegeven aan aangever [slachtoffer 3] ;

  • -

    het onder 4 genoemde goed (de Gucciriem) moet worden teruggegeven aan aangever [slachtoffer 1] ;

  • -

    de onder 3 en 5 tot en met 13 genoemde goederen moeten worden terug gegeven aan verdachte. De rechtbank merkt nog op dat de telefoon (nr. 5) ondanks de daarop aangetroffen afbeeldingen niet voldoet aan de vereisten voor verbeurdverklaring zoals vermeld in artikel 33a, lid 1 Sr.

9 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 36b, 36d, 36f, 37a, 37b, 57, 285, 312, 317 en 321 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2 subsidiair, eerste en tweede cumulatief, 3 primair, 4, 5, 6 en 7 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hiervoor onder 3.5 bewezen is verklaard en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1:

diefstal, voorafgegaan van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken;

ten aanzien van feit 2 subsidiair, eerste en tweede cumulatief:

verduistering

en

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

ten aanzien van feit 3 primair:

diefstal, voorafgegaan van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken;

ten aanzien van feit 4:

afpersing;

ten aanzien van feit 5:

afpersing;

ten aanzien van feit 6:

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf of andere deelnemers van het misdrijf de vlucht mogelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

ten aanzien van feit 7:

afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 432 (vierhonderd tweeëndertig) dagen;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering, in voorlopige hechtenis en tijdens de klinische observatie doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

gelast voor de feiten 1, 2 subsidiair, tweede cumulatief, 3 primair, 4, 5, 6 en 7 de terbeschikkingstelling van veroordeelde en beveelt dat veroordeelde van overheidswege zal worden gepleegd;

vordering van benadeelde partij [slachtoffer 1]

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] (feit 1) gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan die [slachtoffer 1] een bedrag van € 232,50, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 25 november 2016 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

wijst de vordering voor het overige af;

veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 232,50, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 25 november 2016, ten behoeve van de benadeelde partij genaamd [slachtoffer 1] ;

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt – onder handhaving van voormelde verplichting – vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 4 dagen;

bepaalt dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen;

vordering van benadeelde partij [slachtoffer 2]

bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 2] (feit 2) niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

bepaalt dat de benadeelde partij en verdachte ieder de eigen kosten dragen;

vordering van benadeelde partij [slachtoffer 3]

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 3] (feit 3) gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan die [slachtoffer 3] een bedrag van € 980,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 6 november 2016 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige deel (de immateriële schade) niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 980,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 6 november 2016, ten behoeve van de benadeelde partij genaamd [slachtoffer 3] ;

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt – onder handhaving van voormelde verplichting – vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 19 dagen;

bepaalt dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen;

vordering van benadeelde partij [slachtoffer 4]

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 4] (feit 4) gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan die [slachtoffer 4] een bedrag van € 480,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 10 november 2016 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige deel (de immateriële schade) niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 480,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 10 november 2016, ten behoeve van de benadeelde partij genaamd [slachtoffer 4] ;

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt – onder handhaving van voormelde verplichting – vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 9 dagen;

bepaalt dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen;

vordering van benadeelde partij [slachtoffer 5]

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij voor wat betreft de materiële schade af;

bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige deel (de immateriële schade) niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten door verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

vordering van benadeelde partij [Vriend slachtoffer 5]

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [Vriend slachtoffer 5] toe en veroordeelt verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan die [Vriend slachtoffer 5] een bedrag van € 320,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 10 november 2016 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 320,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 10 november 2016, ten behoeve van de benadeelde partij genaamd [Vriend slachtoffer 5] ;

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt – onder handhaving van voormelde verplichting – vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 6 dagen;

bepaalt dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen;

beslag

verklaart onttrokken aan het verkeer het op de beslaglijst onder 1 genummerde goed, te weten: een alarmpistool (kleur chroom);

gelast de teruggave van het op de beslaglijst onder 2 genummerde voorwerp aan aangever [slachtoffer 3] , te weten: een jas (merk Moncler);

gelast de teruggave van het op de beslaglijst onder 4 genummerde voorwerp aan aangever [slachtoffer 1] , te weten: een riem (merk Gucci);

gelast de teruggave van de op de beslaglijst onder 3 en 5 tot en met 13 genummerde voorwerpen aan verdachte, te weten:

3. een pet (merk Gucci);

5. een telefoon (Samsung Galaxy S4, kleur wit);

6. geheugensim (6 stuks);

7. gegevensdrager;

8. een telefoon (IPhone);

9. een tas (merk Gucci, heuptas);

10. geheugensim (3 stuks);

11. OV-jaarkaart (2 stuks, chipkaart);

12. een telefoon (Samsung);

13. geheugensim (3 stuks).

Dit vonnis is gewezen door

mr. J. Eisses, voorzitter,

mr. E.M.M. Smilde-Schölvinck, rechter,

mr. M.H. Erich, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. C.M. van de Kamp, griffier,

en mr. M. van der Velden, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 1 februari 2018.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2016328699, van de politie eenheid Den Haag, district Den Haag-centrum, met bijlagen (doorgenummerd p. 1 t/m 126).

2 Proces-verbaal van aangifte, p. 22.

3 Proces-verbaal van aangifte, p. 23.

4 Proces-verbaal van aangifte, p. 24.

5 Proces-verbaal van aangifte, p. 25.

6 Proces-verbaal van bevindingen, p. 96.

7 Proces-verbaal van bevindingen, p. 97.

8 Proces-verbaal van bevindingen, p. 97-98.

9 Proces-verbaal van bevindingen, p. 98.

10 Proces-verbaal van bevindingen, p. 27.

11 Proces-verbaal van bevindingen, p. 28.

12 Proces-verbaal van bevindingen, p. 30.

13 Proces-verbaal van bevindingen, p. 32.

14 Proces-verbaal van bevindingen, p. 36.

15 Proces-verbaal van bevindingen, p. 38.

16 Geschrift, goederenbijlage bij proces-verbaal van aangifte, p. 66.

17 Proces-verbaal van aangifte, p. 63.

18 Proces-verbaal van aangifte, p. 64.

19 Proces-verbaal van verhoor aangever, p. 67.

20 Proces-verbaal van verhoor getuige, p. 75.

21 Proces-verbaal van verhoor getuige, p. 76.

22 Proces-verbaal van bevindingen, p. 78.

23 Proces-verbaal van bevindingen, p. 41 met bijlage (foto) op p. 47.

24 Dossier zaak Statenplein, proces-verbaal van verhoor verdachte [vriendin verdachte] , p. 24.

25 Proces-verbaal van bevindingen, p. 39 en bijlage (foto) op p. 40.

26 Dossier zaak Statenplein, proces-verbaal van verhoor verdachte [vriendin verdachte] , p. 24 en 25.

27 Proces-verbaal van bevindingen, p. 41 en 42 bijlagen (foto’s) op p. 43 t/m 46.

28 Proces-verbaal van bevindingen, p. 48.

29 Proces-verbaal, p. 52.

30 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer 2016371681 (zaak Statenplein), van het Team Opsporing (RT), met bijlagen (doorgenummerd p. 1 t/m 50).

31 Proces-verbaal van aangifte, p. 1.

32 Proces-verbaal van aangifte, p. 2.

33 Goederenbijlage bij proces-verbaal van aangifte, p. 4.

34 Proces-verbaal van bevindingen, p. 10.

35 Proces-verbaal van bevindingen, p. 11.

36 Proces-verbaal van bevindingen, p. 12.

37 Algemeen dossier RT6R016132 van Team Opsporing RT, proces-verbaal van doorzoeking, p. 7.

38 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 24 en 25.

39 Proces-verbaal van verhoor aangever, p. 13.

40 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer 2016366414 (zaak Prins Alexanderlaan), van het Team Opsporing (RT), met bijlagen (doorgenummerd p. 1 t/m 68).

41 Proces-verbaal van aangifte, p. 1.

42 Proces-verbaal van aangifte, p. 2.

43 Proces-verbaal van aangifte, p. 3.

44 Proces-verbaal van bevindingen, p. 6.

45 Proces-verbaal van bevindingen, p. 10 en 11.

46 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 44 en 60.

47 Aanvullend zaaksdossier Prins Alexanderlaan (RTRAA16390), proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 15 en 17.

48 Proces-verbaal van verhoor verdachte [vriendin verdachte] , p. 27.

49 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer 2016371681 (zaak Prinsenlaan), van het Team Opsporing (RT), met bijlagen (doorgenummerd p. 1 t/m 62).

50 Proces-verbaal van aangifte, p. 1.

51 Proces-verbaal van aangifte, p. 2.

52 Proces-verbaal van verhoor getuige, p. 5.

53 Proces-verbaal van verhoor getuige, p. 6.

54 Proces-verbaal van bevindingen, p. 10.

55 Proces-verbaal van bevindingen, p. 14.

56 Proces-verbaal van bevindingen, p. 18.

57 Proces-verbaal van bevindingen, p. 19.

58 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer 2016370993 (zaak Stationsplein), van het Team Opsporing (RT), met bijlagen (doorgenummerd p. 1 t/m 221).

59 Proces-verbaal van aangifte, p. 1.

60 Proces-verbaal van aangifte, p. 2.

61 Proces-verbaal van aangifte, p. 3.

62 Proces-verbaal van bevindingen, p. 61.

63 Proces-verbaal van bevindingen, p. 65.

64 Proces-verbaal van bevindingen, p. 110.

65 Proces-verbaal van bevindingen, p. 113

66 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 201.

67 Proces-verbaal van bevindingen, p. 216.

68 Algemeen dossier RT6R016132 van Team Opsporing RT, proces-verbaal van doorzoeking, p. 7.

69 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 135.

70 Proces-verbaal van bevindingen, p. 162.

71 Foto bij proces-verbaal van bevindingen, p. 166.