Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:10539

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
05-09-2018
Datum publicatie
15-02-2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 1962
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 18/1962

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 september 2018 in de zaak tussen

[eiseres] , te [plaats 1], eiseres

(gemachtigde: mr. G.J. de Kaste),

en

het college van burgemeester en wethouders van Zuidplas (GR IJsselgemeenten), verweerder

(gemachtigde: A. Boere).

Procesverloop

Bij besluit van 13 oktober 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder het recht op bijstand van eiseres per 1 oktober 2017 onder toepassing van de kostendelersnorm gewijzigd naar 50% van de bijstandsnorm die voor gehuwden en samenwonenden geldt (€ 704,66 per maand). In dit besluit heeft verweerder tevens de bijstandsuitkering van eiseres herzien over de periode van 1 januari 2017 tot 1 oktober 2017 en de te veel verstrekte bijstand over deze periode tot een bedrag van € 2.474,04 van haar teruggevorderd.

Bij besluit van 6 februari 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 juli 2018.

Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Tevens is de dochter van eiseres verschenen.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1

De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiseres ontvangt sinds 9 oktober 2015 een bijstandsuitkering naar de norm van een alleenstaande ouder van 21 jaar tot de pensioengerechtigde leeftijd ingevolge de Participatiewet (Pw).

1.2

Bij wijzigingsformulier heeft eiseres aangegeven dat haar dochter, [X] , uit huis is gegaan. Haar dochter staat sinds 1 januari 2017 ingeschreven in de Basisregistratie Personen (Brp) op het adres van haar broer, [adres] te [plaats 2] .

1.3

Naar aanleiding van een melding op 12 mei 2017 dat eiseres en haar ex-partner met elkaar op vakantie zijn geweest en dat zij bij elkaar inwonen, heeft verweerder op 22 juni 2017 een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de bijstandsuitkering. In navolging hiervan heeft op 8 september 2017 een huisbezoek plaatsgevonden, waarvan een verslag is gemaakt dat door eiseres is ondertekend.

1.4

Bij brief van 26 september 2017 heeft verweerder eiseres uitgenodigd voor een gesprek op 6 oktober 2017. Eiseres is op dat gesprek verschenen en heeft daarbij een verklaring afgelegd en getekend.

1.5

De resultaten van voornoemd onderzoek zijn neergelegd in het Rapport wijziging levensonderhoud Participatiewet van 13 oktober 2017 en vormden voor verweerder aanleiding voor het nemen van het primaire besluit.

2. Het bestreden besluit berust op het standpunt dat de dochter van eiseres nog steeds haar hoofdverblijf heeft in de woning van eiseres en onbetwist is dat de dochter 24 jaar is en geen studiefinanciering ontvangt. Dat betekent dat de kostendelersnorm per 1 januari 2017 van toepassing is en dat er vanaf die datum teveel bijstand is verstrekt, die teruggevorderd dient te worden.

3. Eiseres kan zich niet verenigen met het bestreden besluit. Eiseres is van mening dat onvoldoende is aangetoond dat haar dochter in de betrokken periode haar hoofdverblijf op het adres van eiseres zou hebben gehad. De enkele - verkeerd opgevatte - verklaring van eiseres is daartoe onvoldoende, nu zowel zij als haar dochter hebben aangegeven dat dit niet juist is begrepen of genoteerd. Eiseres heeft weliswaar een verklaring getekend, maar zij beheerst de Nederlandse taal in woord en geschrift onvoldoende en de verklaring is niet met haar doorgenomen. De omstandigheid dat de dochter van eiseres (ook) kleding en poststukken bij haar moeder heeft liggen is evenmin voldoende om tot de conclusie te kunnen komen dat zij haar hoofdverblijf nog steeds heeft op dat adres. Het is in een setting van een studente niet ongebruikelijk en kan niet leiden tot de overtuiging dat eiseres de kosten zou kunnen delen. Uit het gebruik van nutsvoorzieningen of water kan evenmin worden afgeleid dat eiseres onjuist zou hebben verklaard. Er is geen poging gedaan om het hoofdverblijf van de dochter van eiseres te bepalen op grond van nadere gegevens anders dan voornoemd.

4. De rechtbank komt, zich beperkend tot de naar voren gebrachte grieven, tot de volgende beoordeling.

4.1

De stelling van eiseres dat zij niet kan worden gehouden aan de verklaringen die zij heeft afgelegd tegenover de handhavingsmedewerkers omdat zij de Nederlandse taal niet machtig is en zij dus een en ander niet goed begrepen heeft, kan niet slagen.

De rechtbank ziet geen aanleiding in dit geval af te wijken van de vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB, zie bijvoorbeeld de uitspraken van 26 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV2512 of van 18 maart 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:902) dat in beginsel van de juistheid van een tegenover een ambtenaar van de Sociale Dienst afgelegde en ondertekende verklaring mag worden uitgegaan. Van bijzondere omstandigheden die een uitzondering op dit uitgangspunt zouden rechtvaardigen is niet gebleken. De gedingstukken bieden geen aanknopingspunten voor het oordeel dat eiseres de Nederlandse taal onvoldoende machtig is. Eiseres heeft bij het gesprek op 6 oktober 2017 op de vraag of zij de Nederlandse taal voldoende begrijpt om met de handhavingsmedewerkers een gesprek te voeren met “ja” geantwoord. Daarbij heeft eiseres in dat gesprek niet verzocht om bijstand van een tolk, een gedetailleerde verklaring afgelegd en na lezing van de tekst de verklaring zonder enig voorbehoud ondertekend. De rechtbank acht tevens van belang dat eiseres al langer dan 10 jaar in Nederland verblijft, dat zij Nederlandse is en dat zij ook een aantal jaren als freelance gastouder werkzaam is. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij niet zou hebben begrepen wat zij heeft verklaard en waarvoor zij heeft getekend.

4.2

De afgelegde verklaring van eiseres kan dus stand houden. In samenhang met hetgeen bij het huisbezoek in haar woning is aangetroffen, waaronder zeer veel kleding, verzorgingsspullen en recente administratie van haar dochter, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat de dochter van eiseres nog steeds haar hoofdverblijf in de woning heeft. De enkele stelling van eiseres in beroep dat het in een setting van een studente niet ongebruikelijk is dat er kleding en poststukken van de dochter in de woning van de moeder liggen en dus daar aangetroffen kunnen worden, maakt dit niet anders. Daarbij is door verweerder ter zitting verklaard dat de dochter werkzaam is bij de Universiteit en daarvoor salaris ontvangt en dus van een situatie als van een doorsnee student niet gesproken kan worden. Eiseres heeft dit ter zitting niet bestreden. Juist deze situatie maakt het dan onaannemelijker dat de dochter zoveel kleding en administratie achterlaat in de woning van eiseres. Dat eiseres kennelijk in verband met haar werkzaamheden bij de Universiteit drie dagen in de week bij haar broer slaapt, maakt nog niet dat reeds hierdoor haar hoofdverblijf zou verschuiven.

5. Gelet op het bovenstaande heeft verweerder terecht geconcludeerd dat tijdens de periode in geding de kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a van de Pw op de uitkering van eiseres moest worden toegepast. Eiseres is er in beroep niet in geslaagd om de bevindingen van verweerder te ontkrachten. Nu eiseres aan verweerder gedurende de periode in geding geen melding heeft gemaakt van haar feitelijke woonsituatie, heeft zij haar inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 17, eerste lid van de Pw geschonden. Verweerder was daarom op grond van artikel 54, derde lid, van de Pw gehouden om het recht op bijstand te herzien. Voorts is niet gebleken van feiten en omstandigheden op grond waarvan verweerder in redelijkheid geen gebruik kon maken van zijn in artikel 58 van de Pw neergelegde bevoegdheid tot terugvordering van de ten onrechte betaalde bijstand over de periode waarin eiseres onder toepassing van de kostendelersnorm recht had op een lagere uitkering.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meessen, rechter, in aanwezigheid van A. Jansen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 september 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.