Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:10529

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
05-09-2018
Datum publicatie
15-02-2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 1851
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 18/1851

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 september 2018 in de zaak tussen

[eiseres] , te [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. G.J. de Kaste),

en

het college van burgemeester en wethouders van Zuidplas (GR IJsselgemeenten), verweerder

(gemachtigde: A. Boere).

Procesverloop

Bij besluit van 6 november 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder eiseres een boete opgelegd van € 1.183,92.

Bij besluit van 6 februari 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres gegrond verklaard en de opgelegde boete vastgesteld op € 845,52.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 juli 2018.

Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Tevens is de dochter van eiseres verschenen.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1

De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiseres ontvangt sinds 9 oktober 2015 een bijstandsuitkering naar de norm van een alleenstaande ouder van 21 jaar tot de pensioengerechtigde leeftijd ingevolge de Pw.

1.2

Bij wijzigingsformulier heeft eiseres aangegeven dat haar dochter, [X] , uit huis is gegaan. Haar dochter staat sinds 1 januari 2017 ingeschreven in de Basisregistratie Personen (Brp) op het adres van haar broer, [adres] te [plaats] .

1.3

Naar aanleiding van een melding op 12 mei 2017 dat eiseres en haar ex-partner met elkaar op vakantie zijn geweest en dat zij bij elkaar inwonen, heeft verweerder op 22 juni 2017 een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de bijstandsuitkering. In navolging hiervan heeft op 8 september 2017 een huisbezoek plaatsgevonden, waarvan een verslag is gemaakt dat door eiseres is ondertekend.

1.4

Bij brief van 26 september 2017 heeft verweerder eiseres uitgenodigd voor een gesprek op 6 oktober 2017. Eiseres is op dat gesprek verschenen en heeft daarbij een verklaring afgelegd en getekend.

1.5

De resultaten van voornoemd onderzoek zijn neergelegd in het Rapport wijziging levensonderhoud Participatiewet van 13 oktober 2017 en vormden voor verweerder aanleiding voor het nemen van het primaire besluit.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de boete gewijzigd van € 1.183,92 naar

€ 845,52 (zijnde 12 keer 10% van de kostendelersnorm (€ 704,66)). Het bestreden besluit berust op het standpunt dat de dochter van eiseres nog steeds haar hoofdverblijf heeft in de woning van eiseres en onbetwist is dat de dochter 24 jaar is en geen studiefinanciering ontvangt. Verweerder heeft aangetoond dat eiseres de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet te melden dat haar dochter per 1 januari 2017 nog steeds vier dagen per week bij haar in de woning verbleef. Daarvan kan eiseres een verwijt worden gemaakt. Wat betreft het opleggen van de boete, dient volgens verweerder in dit geval gerekend te worden met 10% van de voor eiseres geldende kostendelersnorm, waarbij geen rekening behoeft te worden gehouden met het gegeven dat de financiële situatie van eiseres na het opleggen van de boete, door het vertrek van haar dochter naar een woning in Delft per 1 januari 2018, in alle waarschijnlijkheid weer zal verbeteren, omdat de reguliere alleenstaandennorm weer van toepassing is.

3. Eiseres kan zich niet verenigen met het bestreden besluit. Eiseres is van mening dat onvoldoende is aangetoond dat haar dochter in de betrokken periode haar hoofdverblijf op het adres van eiseres zou hebben gehad. De enkele - verkeerde opgevatte - verklaring van eiseres is daartoe onvoldoende, nu zowel zij als haar dochter hebben aangegeven dat dit niet juist is begrepen of genoteerd. Eiseres heeft weliswaar een verklaring getekend, maar zij beheerst de Nederlandse taal in woord en geschrift onvoldoende en de verklaring is niet met haar doorgenomen. De omstandigheid dat de dochter van eiseres (ook) kleding en poststukken bij haar moeder heeft liggen is evenmin voldoende. Het is in een setting van een studente niet ongebruikelijk en kan niet leiden tot de overtuiging dat eiseres de kosten zou kunnen delen. Uit het gebruik van nutsvoorzieningen of water kan evenmin worden afgeleid dat eiseres onjuist zou hebben verklaard. Er is geen poging gedaan om het hoofdverblijf van de dochter van eiseres te bepalen op grond van nadere gegevens anders dan voornoemd.

4. Voor zover verweerder zich op het standpunt stelt dat de boeteoplegging mede gebaseerd kon worden op de door eiseres in het kader van de rechtmatigheidsonderzoek afgelegde verklaring, omdat de boetewaardige gedraging, te weten de schending van de inlichtingenplicht, in deze procedure de rechterlijke toets kan doorstaan, overweegt de rechtbank als volgt. Voor de herziening en terugvordering kan de door eiseres afgelegde verklaring worden gebruikt, zoals de rechtbank in haar uitspraak van heden, SGR 18/1962, heeft overwogen. Met betrekking tot de boeteoplegging komt de rechtbank tot een ander oordeel.

5. Uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep volgt dat bestuurlijke boetebesluiten niet mogen worden gebaseerd op verklaringen die tijdens een verhoor zijn afgelegd, indien voorafgaand aan het verhoor niet is gewezen op het zwijgrecht, terwijl betrokkene niet kon uitsluiten dat zijn verklaring aan een boetebesluit ten grondslag zou worden gelegd. Indien een belastende verklaring wordt afgelegd zonder dat voorafgaand daaraan de cautie is verstrekt of indien druk is uitgeoefend, zodat die verklaring niet in vrijheid is afgelegd, dient dit materiaal dat niet onafhankelijk van de wil van betrokkene is verkregen te worden uitgesloten van het bewijs voor de boeteoplegging (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 1 augustus 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2607).

6. Op basis van de in het Rapport wijziging levensonderhoud Participatiewet van

13 oktober 2017 weergegeven onderzoeksbevindingen bestond er naar het oordeel van de rechtbank ten tijde van het gesprek op 6 oktober 2017 bij de handhaver van de afdeling Sociale Zaken van de GR IJsselgemeenten team handhaving een verdenking van overtreding van de inlichtingenverplichting door eiseres. Door de handhaver was op 8 september 2017 reeds een huisbezoek gedaan en was al dossieronderzoek verricht waaruit kon worden opgemaakt dat de dochter vermoedelijk haar hoofdverblijf had bij eiseres. De conclusie is dan ook gerechtvaardigd dat eiseres, gelet op de wijze waarop en de omstandigheden waaronder zij haar verklaring heeft afgelegd, niet kon uitsluiten dat haar verklaring van 6 oktober 2017 aan een boetebesluit ten grondslag zou worden gelegd. Onder deze omstandigheden had aan eiseres voorafgaande aan het gesprek van 6 oktober 2017 de cautie moeten worden verleend. Nu dat niet is gebeurd, kan de tijdens dit gesprek afgelegde verklaring van eiseres niet aan de opgelegde boete ten grondslag worden gelegd.

7. Reeds gelet hierop komt de rechtbank tot het oordeel dat het beroep gegrond is en dat het bestreden besluit als in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigd dient te worden.

8. In het navolgende zal de rechtbank bezien of zij de rechtsgevolgen van het bestreden besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb in stand kan laten. De rechtbank ziet zich in dit verband voor de vraag gesteld of de overige onderzoeksbevindingen een voldoende onderbouwing bieden voor het standpunt van verweerder dat eiseres de inlichtingenplicht heeft geschonden.

9. Uit eerdergenoemde rapport van 13 oktober 2017 blijkt dat er op 8 september 2017 een huisbezoek is gedaan op het woonadres van eiseres. Daarin is vastgesteld dat de dochter van eiseres vermoedelijk haar hoofdverblijf heeft op het woonadres van eiseres. Dit werd vastgesteld aan de hand van de volledig als slaapkamer ingerichte zolderkamer met een zeer grote hoeveelheid aan kleding, goederen, recente administratie, make-up en toiletartikelen die werden aangetroffen. Daarbij is uit de op 21 mei 2017 opgevraagde watergegevens bij het waterleidingbedrijf [waterleidingbedrijf] gebleken dat het waterverbruik op het woonadres van eiseres hoger is dan het verbruik van 3 personen.

10. Met voormelde overige onderzoeksbevindingen heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam aangetoond dat de dochter van eiseres het hoofdverblijf heeft op het woonadres van eiseres, waarvan eiseres geen melding heeft gedaan bij verweerder. Dat eiseres kennelijk in verband met haar werkzaamheden bij de Universiteit ook regelmatig de week bij haar broer slaapt, maakt nog niet dat reeds hierdoor haar hoofdverblijf zou verschuiven. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat eiseres de inlichtingenverplichting heeft geschonden, als gevolg waarvan verweerder gehouden was een boete op te leggen.

11. Verweerder heeft zich bij het vaststellen van de boete blijkens het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat overeenkomstig recente jurisprudentie in dit geval gerekend dient te worden met 10% van de voor eiseres geldende kostendelersnorm, waarbij geen rekening behoeft te worden gehouden met het gegeven dat de financiële situatie van eiseres na het opleggen van de boete, door het vertrek van haar dochter naar een woning in Delft per 1 januari 2018, in alle waarschijnlijkheid weer zal verbeteren, omdat de reguliere alleenstaandennorm weer van toepassing is. De boete is vastgesteld op € 845,52.

Tegen de vaststelling van de boete en de hoogte van het boete-bedrag heeft eiseres geen zelfstandige beroepsgronden ingediend.

12. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.

13. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt zij dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

14. Verweerder wordt in de door eiseres gemaakte proceskosten veroordeeld, waarbij met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht het gewicht van de zaak wordt bepaald op 1 (gemiddeld) en voor de door de derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (het indienen van een beroepschrift en het verschijnen ter zitting) 2 punten worden toegekend, met een waarde per punt van € 501,-.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 6 februari 2018;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 6 februari 2018 in stand blijven;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46,- aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.002,-, te betalen aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meessen, rechter, in aanwezigheid van A. Jansen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 september 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.