Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:10503

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-09-2018
Datum publicatie
15-02-2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 2339
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres vraagt bijzondere bijstand voor de kosten van een medische contra-expertise in verband met een door haar aangespannen hoger beroepsprocedure tegen het Uwv. Dit zijn geen uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 18/2339

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 september 2018 in de zaak tussen

[eiseres], te [plaats], eiseres

(gemachtigde: mr. J.P.C.M. van Es),

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder

(gemachtigde: mr. W. Punter).

Procesverloop

Bij besluit van 2 november 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres om bijzondere bijstand voor de kosten van een medisch rapport op grond van de Participatiewet (Pw) afgewezen.

Bij besluit van 19 februari 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 augustus 2018. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres ontvangt een bijstandsuitkering. Op 13 september 2017 heeft eiseres bij verweerder een aanvraag voor bijzondere bijstand ingediend voor de kosten van een medische contra-expertise in een door haar aangespannen hoger beroepsprocedure tegen het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv). De contra-expertise is verricht door Karu medisch advies. Uit een factuur van 31 augustus 2017 blijkt dat de kosten voor deze expertise € 596,99 bedragen.

2. Verweerder heeft de aanvraag bij het primaire besluit afgewezen, omdat eiseres de kosten waarvoor bijzondere bijstand is gevraagd uit eigen inkomen of vermogen moet betalen. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de weigering gehandhaafd en de grondslag van het besluit gewijzigd in die zin dat de kosten voor de medische contra-expertise niet kunnen worden aangemerkt als uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten.

3. Eiseres kan zich hiermee niet verenigen. Zij meent dat de kosten noodzakelijk zijn om in hoger beroep het standpunt van het Uwv te kunnen weerleggen. Eiseres beschikt niet over middelen om zelf in deze kosten te voorzien. Daarnaast voert eiseres aan dat zij in een ongelijke positie ten opzichte van het Uwv komt te verkeren indien zij geen deskundige kan inschakelen. Hierbij doet eiseres een beroep op het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 8 oktober 2015 (ECLI:CE:ECHR:2015:1008JUD007721212; het arrest Korošec) en de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 30 juni 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:2226). Tot slot voert eiseres aan dat verweerder ten onrechte niet in zijn beoordeling heeft betrokken dat verweerder tot verrekening van de verstrekte bijstand zal overgaan indien aan eiseres in hoger beroep alsnog een WIA-uitkering wordt toegekend, zodat verweerder hierin ook een belang heeft.

4. Op grond van artikel 35, eerste lid, van de Pw heeft de alleenstaande of het gezin recht op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere bijstand voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm.

5. Tijdens de behandeling ter zitting heeft eiseres verklaard dat zij de factuur van Karu medisch advies inmiddels heeft voldaan door van familieleden geldbedragen te lenen en dat het rapport reeds is ingebracht in de hoger beroepsprocedure tegen het Uwv. De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting toegelicht dat niet is nagegaan of deze kosten op het moment van de aanvraag van de bijzondere bijstand al waren voldaan en dat deze omstandigheid evenmin een grondslag vormde voor de afwijzing van die aanvraag. De rechtbank laat dan ook in het midden of de kosten van de contra-expertise zich ten tijde van de aanvraag hebben voorgedaan en zal enkel beoordelen of deze kosten noodzakelijk zijn.

6.1

Volgens vaste rechtspraak van de CRvB gelden de bezwaarprocedure bij het Uwv en de beroepsprocedure bij de rechtbank in beginsel als met voldoende waarborgen omklede procedures, waarin de betrokkene het standpunt van het bestuursorgaan kan betwisten, argumenten naar voren kan brengen en deze zo nodig kan onderbouwen met reeds voorhanden zijnde gegevens. Wat dat laatste betreft kan met name worden gedacht aan medische gegevens uit de behandelend sector, zoals bijvoorbeeld de huisarts, een andere behandeld arts of een specialist. Hieraan zijn doorgaans weinig of geen kosten verbonden. Voor het op eigen initiatief inschakelen van een medisch deskundige vooruitlopend op de beoordeling in beroep zal als regel geen objectieve noodzaak bestaan. De enkele wens tot versterking van de eigen positie in een geschil met een bestuursorgaan is een eigen afweging van eiseres, waarvan de kosten in beginsel voor eigen rekening komen. De rechtbank verwijst naar de uitspraken van de CRvB van 1 april 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:3670),

18 maart 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:994) en van 27 september 2011 (ECLI:NL:CRVB:2011:BT7156). Deze jurisprudentie ziet weliswaar op de bezwarenprocedure bij het Uwv en de beroepsprocedure bij de rechtbank, maar de rechtbank ziet geen aanleiding in dit geval - in het kader van een hoger beroepsprocedure bij de CRvB - de jurisprudentie niet ook van toepassing te achten. De rechtbank dient in deze procedure de vraag te beantwoorden of het arrest Korošec aanleiding geeft om van deze vaste jurisprudentie af te wijken.

6.2

In het door eiseres genoemde Korošec arrest benadrukt het EHRM dat het recht op een eerlijk proces, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), onder meer omvat dat elke partij een redelijke kans of gelegenheid krijgt om haar zaak te bepleiten zonder dat sprake is van een substantieel ongelijke positie ten opzichte van de wederpartij. Uit het arrest vloeit ook voort dat de enkele twijfel aan de (on)partijdigheid van het oordeel van een medisch deskundige, waaronder een verzekeringsarts van het Uwv, nog niet leidt tot een schending van artikel 6 van het EVRM. Het is de taak van de bestuursrechter om zo nodig compensatie te bieden, indien een partij niet in een gelijke positie verkeert ten opzichte van de wederpartij.

6.3

De rechtbank overweegt dat de CRvB in zijn uitspraak van 30 juni 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:2226) naar aanleiding van het Korošec-arrest heeft geoordeeld dat het aan de bestuursrechter is om een partij, zo nodig, compensatie te bieden wanneer zij niet in een gelijke positie verkeert ten opzichte van de wederpartij. Anders dan eiseres stelt, is het medisch oordeel van de verzekeringsarts van het Uwv ook niet reeds beslissend. Van een - met artikel 6 EVRM strijdige - ongelijkheid in de procespositie van partijen, zoals eiseres heeft gesteld, is geen sprake. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om na het arrest Korošec van de vaste rechtspraak van de CRvB af te wijken. Uit dit arrest volgt immers niet dat een partij zelf in de gelegenheid moet zijn om een (arbeids)medische expertise in te brengen, laat staan dat dit arrest een verplichting voor verweerder vormt om de kosten daarvan te vergoeden. De stelling van eiseres dat verweerder na een mogelijke gegrondverklaring in hoger beroep de verstrekte bijstandsuitkering met de arbeidsongeschiktheidsuitkering kan verrekenen, maakt dit niet anders.

6.4

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de kosten van de medische contra-expertise niet als uit bijzondere omstandigheden voortkomende noodzakelijke kosten als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Pw kunnen worden aangemerkt. Verweerder heeft de aanvraag om bijzondere bijstand voor deze kosten terecht afgewezen. Van strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel is op grond van het voorgaande dan ook geen sprake.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Rigter, rechter, in aanwezigheid van F.J. Leegstraten, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 september 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.