Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:10469

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
14-08-2018
Datum publicatie
31-08-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 11674
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Nareis Eritrea; beroep niet-ontvankelijk; bezwaarschrift na afloop bezwaartermijn ingediend; termijnoverschrijding niet verschoonbaar; beroep op de conclusie van de advocaat-generaal van het Hof van Justitie van de EU (ECLI:EU:C:2018:504) slaag niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 17/11674

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 augustus 2018 in de zaak tussen

[eiser], eiser, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. M.E. Muller),

en

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 14 oktober 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van nareis afgewezen.

Bij besluit van 18 mei 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 augustus 2018.

Eiser is vertegenwoordigd door mr. N. Brands, waarnemer van zijn gemachtigde. Verweerder is, met bericht van verhindering, niet verschenen.

Overwegingen

1. Eiser heeft de Eritrese nationaliteit en verblijft in Nederland op basis van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Op 15 december 2015 heeft eiser een aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf ingediend ten behoeve van zijn halfbroertje, waarvan hij stelt de pleegvader te zijn.

2. Bij het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag van eiser afgewezen. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser onder verwijzing naar artikel 6:9 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) niet-ontvankelijk verklaard omdat het bezwaar niet tijdig is ingediend.

3. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit. Hij heeft daartoe aangevoerd dat hij naar aanleiding van het primaire besluit informatie bij zijn ouders heeft opgevraagd. De verklaring van zijn ouders kreeg hij laat binnen, waardoor het bezwaarschrift niet tijdig is ingediend.

4. Ingevolge artikel 6:9, eerste lid, van de Awb is een bezwaar- of beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Ingevolge het tweede lid van dit artikel is een bezwaar- of beroepschrift bij verzending per post tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn per post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.

Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft niet-ontvankelijkverklaring ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar of beroep achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

De rechtbank overweegt als volgt.

5. Vast staat dat de termijn voor het instellen van bezwaar tot en met 14 november 2016 liep. Bovendien staat vast dat verweerder het bezwaarschrift na afloop van deze bezwaartermijn heeft ontvangen, te weten op 28 november 2016. De rechtbank ziet zich daarom voor de vraag gesteld of sprake is van omstandigheden op grond waarvan de termijnoverschrijding verschoonbaar moet worden geacht. Eiser heeft gesteld dat de termijnoverschrijding komt doordat het tijd kostte om een verklaring van zijn ouders te verkrijgen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat deze omstandigheid geen reden is om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. Verweerder heeft er immers terecht op gewezen dat het, als het inderdaad lastig was om de verklaring van de ouders tijdig te verkrijgen, het in de rede had gelegen om een pro forma bezwaarschrift in te dienen. Dit heeft eiser echter niet gedaan.

6. Ter zitting heeft eiser een beroep gedaan op de conclusie van de advocaat-generaal van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 27 juni 2018, zaak C‑380/17 (ECLI:EU:C:2018:504). De advocaat-generaal heeft in zijn conclusie bepleit dat de termijn van drie maanden waarbinnen de nareisaanvraag moet zijn ingediend, niet als een fatale termijn kan worden aangemerkt. De rechtbank is van oordeel dat een vergelijking met voornoemde conclusie niet opgaat reeds nu het in onderhavige zaak over de bezwaartermijn gaat. Het is verweerder toegestaan procedurele regels te hanteren mits deze regels niet tot het gevolg hebben dat de rechtsgang hierdoor nagenoeg onmogelijk wordt gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat met het hanteren van een termijn van vier weken voor het indienen van een bezwaarschrift de rechtsgang niet nagenoeg onmogelijk wordt gemaakt. Daartoe overweegt de rechtbank dat een bezwaarschrift op nader aan te voeren gronden kan worden ingediend en voor het overschrijden van de bezwaartermijn redenen kunnen worden aangevoerd op grond waarvan de overschrijding verschoonbaar moet worden geacht.

7. De rechtbank concludeert dat verweerder het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

8. Het beroep is ongegrond

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Soffers, rechter, in aanwezigheid van mr. M.H. van Limpt, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 augustus 20018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.