Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:1046

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
02-02-2018
Datum publicatie
01-03-2018
Zaaknummer
NL17.4584
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Asiel Afghanistan, verweerder heeft uithuwelijking ten onrechte zonder meer ongeloofwaardig geacht, beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats 's-Gravenhage

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.4584


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 februari 2018 in de zaak tussen

[eiser] , eiser

(gemachtigde: mr. K. Mohasselzadeh),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, thans de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. C. Brand).


Procesverloop
Bij besluit van 9 juni 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser van 15 februari 2016 tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 november 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens is ter zitting verschenen F. Waza, als tolk, en [eisers echtgenote] , eisers echtgenote. Het onderzoek is ter zitting gesloten.

Bij beslissing van 6 november 2017 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en verweerder verzocht de verslagen van de gehoren van [eisers echtgenote] te uploaden in het digitale dossier van eiser. Hieraan heeft verweerder op 9 november 2017 voldaan. Nu de rechtbank van oordeel was dat het niet nodig was om in deze zaak opnieuw een zitting te houden en partijen niet binnen de gegeven termijn anders hebben aangegeven, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De rechtbank stelt vast dat dit beroepschrift, anders dan de veronderstelling waar de gemachtigde van eiser in verkeert, alleen tegen het bestreden besluit is gericht en alleen namens eiser is ingediend. Tegen het afwijzende besluit dat [eisers echtgenote] heeft ontvangen, heeft [eisers echtgenote] geen beroep ingesteld. Dat verweerder zich ter zitting op het standpunt heeft gesteld dat hij er geen bezwaar tegen heeft dat het beroep ook op [eisers echtgenote] ziet, kan hier geen verandering in brengen.

2. Eiser heeft de Afghaanse nationaliteit. Hij is geboren op [geboortedatum] 1984 te [plaats 1] . Hier heeft eiser ook tot zijn vertrek in december 2015 gewoond. Eiser is sjiitisch moslim en behoort tot de etnische groep van Hazara’s.

3. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij in 2014 verliefd is geworden op het buurmeisje van zijn tante in [plaats 2] , [eisers echtgenote] , wonend in een dorp op ongeveer anderhalf uur lopen van het dorp waar hij met zijn ouders woont. De liefde was wederzijds. Omdat eiser en [eisers echtgenote] vreesden voor de broers van [eisers echtgenote] , hebben zij elkaar alleen stiekem ontmoet aan de achterkant van het huis van [eisers echtgenote] . Eénmaal toen [eisers echtgenote] alleen thuis was, hebben zij seksuele gemeenschap gehad. Eisers ouders, die begrepen dat eiser verliefd was, hebben aan de (oudste) broer van [eisers echtgenote] gevraagd om haar hand. De broer van [eisers echtgenote] heeft hier geen toestemming voor gegeven. Eiser heeft later, toen zijn tante bij zijn moeder op bezoek was, van zijn tante gehoord dat de broer van [eisers echtgenote] haar aan een oudere, reeds getrouwde, man had beloofd. Het huwelijksaanzoek was al akkoord bevonden, het huwelijk zou een week tot tien dagen later plaatsvinden. Eiser heeft zijn tante toen naar huis begeleid, om [eisers echtgenote] te kunnen ontmoeten. [eisers echtgenote] heeft eiser toen gesmeekt om hulp. Zij vertelde dat toen zij haar bezwaren tegen haar broer uitsprak, hij haar heeft mishandeld. Eiser heeft hierop een auto geregeld. De volgende ochtend om 5.00 uur zijn eiser en [eisers echtgenote] naar Kabul vertrokken met de gouden sieraden uit de bruidsschat van de oudere man. De dag na aankomst in Kabul zijn eiser en [eisers echtgenote] naar een imam gegaan die hen religieus heeft gehuwd. Hierna is eiser met zijn echtgenote naar het buitenland gereisd. Eiser vreest bij terugkeer voor de broers van [eisers echtgenote] , voor degene aan wie [eisers echtgenote] beloofd was en door zijn vlucht samen met een vrouw, ook voor zijn eigen familie.

4. Verweerder heeft eiser vooralsnog gevolgd in de door hem opgegeven identiteit en nationaliteit. Verweerder heeft geloofwaardig bevonden dat eiser in Afghanistan met [eisers echtgenote] is getrouwd. Echter, door tegenstrijdige verklaringen tussen eiser en [eisers echtgenote] en door een aantal summiere verklaringen, heeft verweerder niet geloofwaardig bevonden dat dit huwelijk heeft plaatsgevonden nadat eisers huwelijksaanzoek was afgewezen en eiser met [eisers echtgenote] heeft moeten vluchten om te ontkomen aan haar uithuwelijking aan een andere man. Gelet hierop heeft verweerder eisers asielaanvraag afgewezen als ongegrond.

5.1

Eiser voert aan dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen. Verweerder hecht te veel gewicht aan (de geloofwaardigheid van) het huwelijk in Kabul, terwijl de uithuwelijking van [eisers echtgenote] aan een oudere man centraal staat in hun relaas. De omschrijving van het adres waar het islamitische huwelijk tot stand is gekomen, is naar plaatselijke begrippen exact te noemen. Dat zij de naam van de geestelijke niet weten is niet vreemd, omdat dit niet gebruikelijk is om te vragen, juist omdat er geen familie bij was. Verder heeft verweerder ten onrechte ongeloofwaardig geacht dat eiser de dag voor zijn vertrek met zijn tante is meegelopen naar haar huis/dorp.

5.2

De rechtbank is, enigszins terughoudend toetsend, van oordeel dat verweerder ten onrechte zonder meer niet geloofwaardig heeft geacht dat het huwelijk tussen eiser en [eisers echtgenote] heeft plaatsgevonden nadat eisers huwelijksaanzoek was afgewezen en eiser met [eisers echtgenote] heeft moeten vluchten om te ontkomen aan haar uithuwelijking aan een andere man.

De rechtbank overweegt dat de verklaringen van [eisers echtgenote] - ten tijde van het eerste gehoor - dat zij de volgende dag na aankomst in Kabul zijn gehuwd en - ten tijde van het aanvullend gehoor – dat zij dezelfde dag zijn gehuwd niet significant verschillend zijn. Daarbij betrekt de rechtbank dat eiser en [eisers echtgenote] een halve nacht gereisd hadden en de aansluitende dag zowel kan worden aangeduid als de volgende dag of dezelfde dag. Verweerder heeft niet voldoende doorgevraagd wat [eisers echtgenote] bedoelde terwijl hem duidelijk kon zijn dat [eisers echtgenote] het verschil tussen de volgende of dezelfde dag niet opviel. Verder heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte in dit geval de huwelijksdag als een zeer bijzondere dag aangemerkt waarvan eiser (en [eisers echtgenote] ) zich allerlei bijzonderheden zouden moeten herinneren. Daartoe overweegt de rechtbank dat eiser en [eisers echtgenote] beiden hebben verklaard dat het huwelijk mondeling is uitgesproken. [eisers echtgenote] noemt het dat ze de ‘nikah’ hebben gedaan’ en eiser zegt dat ze door deze huwelijksvorm ‘maram kunnen worden’. Ook op dit punt heeft verweerder niet doorgevraagd terwijl het klaarblijkelijk een meer informele huwelijksvorm is voor islamieten die zonder aanwezigheid of toestemming van familie willen samenleven.

Als eiser - anders dan waar verweerder in het bestreden besluit vanuit gaat – niet eerder dan na zijn vertrek met [eisers echtgenote] is gehuwd te Kabul, komt de geloofwaardigheid van de uithuwelijking eveneens in een ander licht te staan. Daarbij overweegt de rechtbank ook dat het haar niet vreemd voorkomt dat [eisers echtgenote's] broer haar om financieel gewin heeft uitgehuwelijkt en dat [eisers echtgenote] niet veel over degene aan wie ze is uitgehuwelijkt weet te verklaren. Zij heeft overigens wel verklaard wat zijn afkomst en zijn motief voor dit huwelijk was.

De rechtbank overweegt voorts in navolging van eiser dat verweerder eisers verklaringen over tijdstippen op de dag voor zijn vertrek – het meelopen met zijn tante nadat hij van de uithuwelijking had gehoord – ten onrechte zonder meer tegenstrijdig heeft geacht. Eiser heeft verklaard dat hij spontaan heeft gezegd met haar mee te lopen omdat het donker zou kunnen worden. Eiser heeft verklaard dat dit slechts een voorwendsel was; hij wilde meelopen om zo snel mogelijk [eisers echtgenote] te zien, hetgeen hij gezien de omstandigheden niet openlijk kon zeggen. Eveneens heeft eiser verklaard dat hij de tijd niet van klokken pleegt af te lezen maar veeleer van de zonnestand en schaduwen. Verweerder heeft dit niet betrokken bij zijn standpunt dat eiser ongerijmd heeft verklaard omdat hij – op verweerders vraag hoe laat het was toen hij in [eisers echtgenote's] dorp aankwam - zei dat hij daar rond 14.00 à 14.30 uur aankwam.

De rechtbank acht het beroep gezien het voorgaande wegens een zorgvuldigheids- en daarmee motiveringsgebrek in het bestreden besluit gegrond. De rechtbank zal met het oog op finale geschillenbeslechting de overige beroepsgronden beoordelen.

6.1

Eiser voert verder aan dat de veiligheidssituatie in Afghanistan dermate slecht is, dat sprake is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Eiser verwijst in dit kader naar een rapport van de United Nations van 15 september 2017 en naar het rapport ‘Forced back to danger: asylum-seekers returned from Europe to Afghanistan’ van Amnesty International van 5 oktober 2017. Verder voert eiser onder verwijzing naar het standpunt van VluchtelingenWerk van 6 oktober 2017 aan dat kwetsbare groepen als de etnische minderheid Hazara’s in risicogebieden systematisch worden vervolgd.

6.2

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er in Afghanistan geen sprake is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in

artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, onderdeel 3, van de Vw. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in de uitspraken van 20 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2731 en 30 december 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3513, geoordeeld dat, hoewel de algemene veiligheidssituatie zorgelijk is, het aantal burgerslachtoffers dat het gewapend conflict tot gevolg heeft, mede gelet op het totale inwonersaantal van Afghanistan, relatief gezien, niet zo hoog is dat gesproken kan worden van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn. De mate van willekeurig geweld werd in Afghanistan niet dermate hoog geacht dat zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger die daar naartoe terugkeert, alleen door zijn aanwezigheid een reëel risico loopt op de ernstige schade. De door eiser overgelegde landeninformatie, waaronder het rapport van Amnesty International van 5 oktober 2017 waarin wordt opgeroepen tot een vertrekmoratorium, geeft geen aanleiding voor een ander oordeel. Zoals verweerder in zijn verweerschrift heeft uiteengezet, volgt uit de voorhanden zijnde informatie omtrent het aantal burgerslachtoffers niet dat in 2016 en de eerste helft van 2017 sprake was van een aanmerkelijke verslechtering van de veiligheidssituatie, als die cijfers worden afgezet tegen de cijfers over 2014 en 2015. Uit informatie van de United Nations Assistance Mission in Afghanistan volgt weliswaar dat de situatie in Afghanistan onverminderd zorgwekkend is, maar niet dat sprake is van een dermate hoge mate van willekeurig geweld in Afghanistan dat aangenomen dient te worden dat een burger die daar naartoe terugkeert alleen door zijn aanwezigheid aldaar een reëel risico loopt op ernstige schade.

6.3

Eisers stelling dat hij als Hazara systematisch wordt vervolgd, kan reeds niet slagen nu is aangevoerd dat dit enkel in risicogebieden het geval is en eiser afkomstig is uit [plaats 1] , waarin Hazara’s een meerderheid vormen. Eiser heeft ook zelf verklaard persoonlijk nooit problemen te hebben ondervonden wegens het behoren tot de Hazara bevolkingsgroep.

7. De aanvraag is ten onrechte afgewezen als ongegrond. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van vier weken.

8. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.002,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing


De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.002,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.S.G. Jongeneel, rechter, in aanwezigheid van mr. M.E. Pluymaekers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 februari 2018.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.