Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:10431

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
02-08-2018
Datum publicatie
03-09-2018
Zaaknummer
C/09/557682 / KG ZA 18/801
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Eiser niet-ontvankelijk in zijn vordering tot onmiddellijke invrijheidstelling. Er stonden andere met voldoende waarborgen omklede rechtsgangen bij de strafrechter open, die eiser niet heeft benut.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2018-0675
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/557682 / KG ZA 18/801

Vonnis in kort geding van 2 augustus 2018

in de zaak van

[eiser] ,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, thans verblijvende in de Penitentiaire Inrichting te [locatie] ,

eiser,

advocaat mr. M. Goedhart te Amsterdam,

tegen:

de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie) te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. A.Th.M. ten Broeke te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiser] ’ en ‘de Staat’.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 1 augustus 2018, met producties 1 tot en met 6;

- de door [eiser] overgelegde productie 7;

- de door de Staat overgelegde producties 1 tot en met 7;

- de op 2 augustus 2018 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door beide partijen pleitnotities zijn overgelegd.

1.2.

Op 2 augustus 2018 is door middel van een verkort vonnis uitspraak gedaan. Het onderstaande vormt daarvan de uitwerking, die is vastgesteld op 7 augustus 2018.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

Op 23 april 2018 heeft de rechter-commissaris in de rechtbank Oost-Brabant op vordering van de officier van justitie in het arrondissement Oost-Brabant, hierna ‘de officier van justitie’, een bevel tot bewaring van [eiser] voor de duur van veertien dagen verleend, in verband met (samengevat) het voorhanden hebben van voorwerpen ter voorbereiding van een plofkraak.

2.2.

Bij beschikking van 2 mei 2018 heeft de Raadkamer van de rechtbank Oost-Brabant, hierna ‘de Raadkamer’, geoordeeld dat ten aanzien van [eiser] sprake is van een geval waarvoor op grond van artikel 67, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), een bevel tot voorlopige hechtenis kan worden gegeven en heeft vervolgens de gevangenhouding van [eiser] bevolen voor de duur van negentig dagen.

2.3.

Naar aanleiding van een daartoe strekkend verweer van de zijde van [eiser] heeft de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken in de rechtbank Oost-Brabant zich bij vonnis van 26 juli 2018, hierna ‘het vonnis’, onbevoegd verklaard om van het aan [eiser] ten laste gelegde kennis te nemen.

2.4.

[eiser] is op 27 juli 2018 gedagvaard om in verband met de tegen hem gerichte strafzaak op 6 augustus 2018 te verschijnen ter terechtzitting van de meervoudige strafkamer in het arrondissement Zeeland – West-Brabant.

2.5.

Bij brief van 30 juli 2018 heeft mr. A.W.J. van Galen, optredende als advocaat voor [eiser] in de strafzaak, hierna ‘mr. Van Galen’, voor zover hier van belang het volgende aan de officier van justitie (en aan de officier van justitie in het arrondissementsparket Zeeland – West-Brabant) meegedeeld:

“(…)

Op 25 juli 2018 heeft de rechtbank Oost-Brabant, zitting houdende te Den Bosch, uitspraak gedaan in de strafzaak bekend onder parketnummer [nummer 1] . Cliënt is thans in de zaak met parketnummer [nummer 2] gedagvaard op 6 augustus a.s. te 9.00 uur te verschijnen ter terechtzitting van de meervoudige strafkamer in de Zeeland – West-Brabant, zitting houdende te Breda.

De rechtbank Oost-Brabant heeft op 25 juli 2018 ex artikel 349 lid 1 Sv. beslist niet bevoegd te zijn kennis te nemen van het cliënt ten laste gelegde feit.

(…)

Artikel 72 lid 3 Sv. schrijft voor dat het bevel tot voorlopige hechtenis bij alle einduitspraken wordt opgeheven. Dit betekent dat het bevel tot voorlopige hechtenis van cliënt met de uitspraak van 25 juli 2018 is opgeheven.

Gelet hierop richt ik mij tot u met het verzoek cliënt per omgaande in vrijheid te (doen) stellen.

(…)”.

2.6.

Als reactie op de in 2.5. genoemde brief heeft de officier van justitie in een e-mailbericht van 30 juli 2018 aan mr. Van Galen meegedeeld:

“Anders dan u ben ik ben ik van mening dat de VH nog niet op grond van artikel 72 Sv tot een einde is gekomen nu de rechtbank expliciet op uw vraag om verdachte in vrijheid te stellen daarvoor geen beslissing heeft genomen. Volgens mij loopt daarom de VH nog door tot en met 6 augustus.”

2.7.

Op 31 juli 2018 heeft mr. Van Galen namens [eiser] bij de rechtbank Oost-Brabant een verzoekschrift ingediend, waarin ‘de rechtbank in raadkamer bijeen’ wordt verzocht te beslissen dat de voorlopige hechtenis van [eiser] ‘moe(s)t worden opgeheven’.

2.8.

Het in 2.7. genoemde verzoekschrift is als bijlage bij een e-mailbericht van 31 juli 2018 door mr. Van Galen gezonden aan de ‘Administratie SRK (Rechtbank Oost-Brabant’. In dit e-mailbericht is – voor zover hier van belang – vermeld:

“(…)

Gelet op de inhoud hiervan verzoek ik u behandeling van het verzoekschrift morgen te laten plaatsvinden door de raadkamer van de rechtbank.

(…)”.

2.9.

Als reactie op het in 2.8. genoemde e-mailbericht heeft een administratief medewerker van de Administratie SRK van de rechtbank Oost-Brabant in een e-mailbericht van 31 juli 2018 aan mr. Van Galen meegedeeld:

“De rechtbank is niet bevoegd een beslissing te nemen van het verzoekschrift.”

2.10.

Bij brief van 1 augustus 2018, meegezonden als bijlage bij een e-mailbericht van dezelfde datum, heeft mr. Van Galen – voor zover hier van belang – het volgende aan mr. I. Sangers, fungerend president in de rechtbank Oost-Brabant, hierna ‘mr. Sangers’, meegedeeld:

“(…)

Uw rechtbank overwoog geen beslissing te kunnen nemen op het verzoek om opheffing van de voorlopige hechtenis van cliënt. Om die reden zou volgens uw rechtbank het bevel gevangenhouding doorlopen.

(…)

Gelet op het dwingende karakter van het beschrevene in artikel 72 lid 3 Sv. berust de overweging geen beslissing te nemen over de voorlopige hechtenis – en dus niet ex voornoemd artikel het bevel tot voorlopige hechtenis op te heffen – op een kennelijke vergissing.

Om die reden richt ik mij tot u met het verzoek bij herstelvonnis te beslissen dat op grond van het dwingende voorschrift in artikel 72 lid 3 Sv. het bevel tot voorlopige hechtenis dient te worden opgeheven.

(…)”

2.11.

Als reactie op de in 2.10. genoemde brief heeft mr. Sangers in een e-mailbericht van 1 augustus 2018 het volgende aan mr. Van Galen meegedeeld:

“Naar aanleiding van uw brief van vanochtend in de zaak van uw cliënt [eiser] kan ik u namens de zittingscombinatie van de rechtbank van de meervoudige kamer van 26 juli jl. als volgt berichten.

Op de zitting van 26 juli jl. heeft de rechtbank zich in de zaak van uw cliënt onbevoegd verklaard om van het ten laste gelegde kennis te nemen. De rechtbank heeft geen beslissing genomen met betrekking tot de voorlopige hechtenis van uw cliënt. Na de zitting heeft de rechtbank geconstateerd dat ten onrechte geen toepassing is gegeven aan artikel 72 van het Wetboek van Strafvordering. Nu dit niet is gebeurd en het een einduitspraak betreft, is de rechtbank niet bevoegd om nu nog een beslissing te nemen ten aanzien van de voorlopige hechtenis van uw cliënt.

(…)”.

2.12.

Op 1 augustus 2018 heeft de officier van justitie in het arrondissement Oost-Brabant beroep ingesteld tegen het vonnis.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert – zakelijk weergegeven – de Staat te bevelen om [eiser] met onmiddellijke ingang in vrijheid te stellen en de Staat te veroordelen tot betaling van een voorschot op schadevergoeding, een en ander met veroordeling van de Staat in de proceskosten.

3.2.

Daartoe stelt [eiser] – samengevat – het volgende. De rechtbank Oost-Brabant heeft zich in het vonnis onbevoegd verklaard en heeft daarbij niet beslist dat het bevel tot voorlopige hechtenis van [eiser] nog zes dagen van kracht zal blijven. Evenmin is sprake van een einduitspraak, inhoudende nietigverklaring van de dagvaarding of schorsing van de vervolging. Derhalve doet zich geen van de uitzonderingssituaties als bedoeld in artikel 72 lid 2 en 3 Sv voor, zodat het bevel tot voorlopige hechtenis op grond van het bepaalde in 72 lid 3 Sv van rechtswege is geëindigd. Het voorgaande betekent dat [eiser] op dit moment ten onrechte – zonder titel – wordt vastgehouden en dat de Staat in strijd met een wettelijke plicht en daarmee onrechtmatig jegens hem handelt.

3.3.

De Staat voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

[eiser] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat de Staat onrechtmatig jegens hem handelt. Daarmee is in zoverre de bevoegdheid van de burgerlijke rechter – in dit geval de voorzieningenrechter in kort geding – tot kennisneming van de vorderingen gegeven. Thans dient beoordeeld te worden of [eiser] in zijn vorderingen ook ontvankelijk is.

4.2.

Als uitgangspunt heeft te gelden dat de voorzieningenrechter in kort geding fungeert als ‘restrechter’ in alle zaken met een spoedeisend karakter. De aanwijzing van een andere bevoegde rechter of van een speciale rechtsgang maakt de voorzieningenrechter in beginsel niet onbevoegd. Slechts wanneer de andere aangewezen rechter of rechtsgang voldoende rechtsbescherming biedt, zal de weg naar de voorzieningenrechter in kort geding afgesloten zijn. Hiertoe is vereist dat in spoedeisende gevallen een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang openstaat, waarin de eiser een met het kort geding vergelijkbaar resultaat kan bereiken (vlg. Hoge Raad 16 maart 1990, NJ 1990, 500).

4.3.

De Staat heeft aangevoerd dat [eiser] niet-ontvankelijk is in zijn vorderingen, omdat er voor [eiser] een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang open staat of heeft gestaan. Daartoe heeft de Staat allereerst naar voren gebracht dat [eiser] op grond van het bepaalde in artikel 69 Sv een verzoek om opheffing van de voorlopige hechtenis had kunnen indienen bij de Raadkamer. Artikel 69 Sv moet immers zo ruim worden uitgelegd dat de daarin vervatte regeling tevens van toepassing is in geval een verdachte, zoals [eiser] in dit geval, invrijheidstelling verlangt op de grond dat aan de voorlopige hechtenis van rechtswege een einde is gekomen (HR 15 juni 1990, NJ 1990, 678), aldus de Staat. Volgens de Staat heeft [eiser] een dergelijk verzoek op 1 augustus 2018 ten onrechte gericht aan de rechtbank Oost-Brabant als zittingsrechter en betekent het standpunt van mr. Sangers namens de zittingscombinatie, zoals verwoord in haar e-mailbericht van 1 augustus 2018, niet dat de Raadkamer niet had kunnen beslissen op een verzoek om opheffing van de voorlopige hechtenis van [eiser] . Dit betoog kan niet worden gevolgd. Mr. Van Galen heeft in zijn hiervoor in 2.8. genoemde e-mailbericht van 31 juli 2018 uitdrukkelijk gevraagd om behandeling van het verzoek door de Raadkamer, waarop de administratief medewerker in het hiervoor in 2.9. genoemde e-mailbericht van dezelfde datum aan mr. Van Galen heeft meegedeeld “De rechtbank is niet bevoegd een beslissing te nemen van het verzoekschrift.”. Vervolgens heeft mr. Van Galen de zittingscombinatie om een herstelvonnis gevraagd, waarop mr. Sangers aan mr. Van Galen heeft meegedeeld dat de rechtbank daartoe niet bevoegd is. Een en ander betekent naar voorlopig oordeel dat genoegzaam aannemelijk is geworden dat mr. Van Galen op 31 juli 2018 namens [eiser] heeft geprobeerd om een verzoek om opheffing van de voorlopige hechtenis in te dienen bij de Raadkamer, maar dat hem is meegedeeld dat de rechtbank niet bevoegd is daarop te beslissen. Derhalve acht de voorzieningenrechter het niet onbegrijpelijk dat mr. Van Galen er op dat moment vanuit ging dat de weg van artikel 69 Sv bij de Raadkamer niet (meer) open stond.

4.4.

Dit laat echter onverlet dat – zoals de Staat onvoldoende gemotiveerd betwist heeft aangevoerd – [eiser] nog twee andere mogelijkheden ten dienste stonden.

Immers, nu [eiser] op 27 juli 2018 is gedagvaard om op 6 augustus 2018 te verschijnen voor de rechtbank Zeeland – West-Brabant, is ook die rechtbank bevoegd om over de voorlopige hechtenis van [eiser] te oordelen. [eiser] had na kennis te hebben genomen van het vonnis en van de dagvaarding van 27 juli 2018 een verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis bij (de raadkamer van) de rechtbank Zeeland – West-Brabant kunnen indienen. De enkele – niet onderbouwde – stelling van de zijde van [eiser] dat de rechtbank Zeeland – West-Brabant de voorlopige hechtenis niet kan opheffen, omdat in de daar aanhangige strafzaak (met een ander parketnummer) geen voorlopige hechtenis is bevolen, is hier tegenover onvoldoende.

Voorts heeft de Staat onbetwist naar voren gebracht dat de rechtbank Zeeland – West-Brabant, in reactie op een door de officier van justitie in te stellen vordering, een oordeel zal dienen te geven over de voorlopige hechtenis van [eiser] , waarbij – indien die rechtbank tot het oordeel komt dat de voorlopige hechtenis moet worden opgeheven – [eiser] om een vergoeding op de voet van artikel 89 Sv kan vragen.

Nu vast staat dat [eiser] deze beide, met voldoende waarborgen omklede, rechtsgangen niet heeft benut, is de weg naar de voorzieningenrechter, gelet op het hiervoor in 4.2. vermelde uitgangspunt, afgesloten. De verwijzing door de advocaat van [eiser] naar de conclusie van Advocaat-Generaal Leijten bij het hiervoor in 4.2. aangehaalde arrest van de Hoge Raad, leidt niet tot een ander oordeel, nu die conclusie volgens de advocaat van [eiser] de situatie beschrijft dat de strafkamer geen bevoegdheid heeft om te oordelen over invrijheidstelling na beëindiging van de voorlopige hechtenis. Die situatie doet zich in het onderhavige geval niet voor.

4.5.

Het voorgaande betekent dat [eiser] niet-ontvankelijk is in zijn vorderingen. [eiser] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in zijn vorderingen;

- veroordeelt [eiser] in de kosten van dit geding, tot dusver aan de zijde van de Staat begroot op € 1.606,--, waarvan € 980,-- aan salaris advocaat en € 626,-- aan griffierecht, in voorkomende gevallen te vermeerderen met btw;

- verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.P. van Ham en in het openbaar uitgesproken op 2 augustus 2018.

mvt