Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:10423

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
30-08-2018
Datum publicatie
30-08-2018
Zaaknummer
AWB 18/6497, 18/6498 en 18/6500
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

toewijzing vovo hangende bezwaar - spiritueel leidster mag komen spreken op hindoefestival - moet worden behandeld als ware zij in het bezit van een visum kort verblijf

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummers: AMS 18/6497, 18/6498 en 18/6500

V-nummers: [nummers]

uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 augustus 2018 in de zaken tussen

[verzoekster 1], geboren op [geboortedatum 1], verzoekster 1,

[verzoekster 2], geboren op [geboortedatum 2], verzoekster 2,

[verzoeker], geboren op [geboortedatum 3], verzoeker 3,

allen van Indiase nationaliteit, tezamen: verzoekers

(gemachtigde: mr. M. Gavami),

en

de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder

(gemachtigde: J. Wieman).

Procesverloop

Bij drie gelijkluidende besluiten van 6 juli 2018 (de primaire besluiten) heeft verweerder de visumaanvragen van verzoekers afgewezen.

Verzoekers hebben tegen de primaire besluiten bezwaar gemaakt. Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen (zaaknummers AMS 18/5485, 18/5486 en 18/5487). Verweerder heeft op 17 augustus 2018 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 augustus 2018. Verzoekers zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigde. Ook was aanwezig [naam], referent. Verweerder is, met bericht van verhindering, niet verschenen.

Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan waarbij zij de verzoeken om een voorlopige voorziening heeft afgewezen.1

Op 29 augustus 2018 hebben verzoekers wederom de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Verweerder heeft op 30 augustus 2018 een verweerschrift ingediend. Partijen hebben de voorzieningenrechter toestemming gegeven om zonder zitting uitspraak te doen.

Overwegingen

Inleiding

1.1

Op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter uitspraak doen zonder zitting indien onverwijlde spoed dat vereist en partijen hierdoor niet in hun belangen worden geschaad. Partijen hebben de voorzieningenrechter schriftelijk toestemming gegeven om zonder zitting uitspraak te doen en worden dus niet in hun belangen geschaad. Omdat het feest omtrent de geboorte van Shiva komend weekend zal aanvangen en verzoekers in verband daarmee komend weekend in Nederland willen zijn, is sprake van onverwijlde spoed. De voorzieningenrechter ziet daarom aanleiding om zonder zitting uitspraak te doen.

1.2

Het oordeel van de voorzieningenrechter bindt de rechtbank in een eventuele bodemprocedure niet.

2. De verzoeken tot het treffen van een voorlopige voorziening zijn de tweede verzoeken hangende de bezwaarprocedures van verzoekers. Een dergelijk herhaald verzoek om voorlopige voorziening kan slechts voor toewijzing in aanmerking komen, indien sprake is van ernstige onvolkomenheden in de eerdere uitspraak van de voorzieningenrechter, dan wel van een belangrijke wijziging van het samenstel van de relevante feiten of omstandigheden. Of hiervan sprake is zal de voorzieningenrechter hierna beoordelen.

Wat ging er aan deze verzoeken vooraf?

3. Verzoekster 1 is [verzoekster 1], een spiritueel leider uit India (hierna: [verzoekster 1]). Zij is door de Lord Shiva Hindu Tempel in Amsterdam, waarvan referent voorzitter is, uitgenodigd om naar Nederland te komen om voor te gaan bij feestelijkheden rondom een hindoefestival ter ere van de geboorte van Shiva van eind augustus tot begin september 2018. Zij heeft in dat verband op 21 juni 2018 een visum aangevraagd voor zichzelf en haar ouders, verzoekers 2 en 3, die haar zullen vergezellen.

4. Verweerder heeft alle drie de visa geweigerd omdat het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende zijn aangetoond. Daarnaast kon volgens verweerder het voornemen van verzoekers om het Nederlandse grondgebied vóór het verstrijken van het visum te verlaten niet worden vastgesteld. In het verweerschrift van

17 augustus 2018 heeft verweerder daaraan toegevoegd dat [verzoekster 1] een tewerkstellingsvergunning (twv) nodig heeft voor het voorgaan in de tempel en dat ze die niet heeft.

5. De voorzieningenrechter heeft op 23 augustus 2018 de verzoeken tot het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen, omdat [verzoekster 1] niet in het bezit is van een twv. De visumaanvragen van de ouders zijn afhankelijk van die van [verzoekster 1] omdat het doel van hun bezoek is om haar te begeleiden. Omdat verweerder de aanvraag van [verzoekster 1] mocht afwijzen, geldt hetzelfde voor die van de ouders.

6. Na de uitspraak van de voorzieningenrechter heeft [verzoekster 1] alsnog een twv aangevraagd. Deze is door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) op 27 augustus 2018 afgegeven voor de functie religieuze en spirituele spreker, met een geldigheidsduur van 31 augustus 2018 tot 6 september 2018. Op 29 augustus 2018 hebben verzoekers onderhavige verzoeken om een voorlopige voorziening ingediend die ertoe strekken verweerder op te dragen hen te behandelen als ware zij in het bezit van de door hen aangevraagde visa.

7. In het verweerschrift van 30 augustus 2018 stelt verweerder zich op het standpunt dat de door verzoekers gevraagde voorziening zich niet leent voor de voorlopige voorzieningenprocedure, omdat wat zij vragen feitelijk geen voorlopige maatregel betreft. Het toewijzen van de verzoeken heeft immers een onomkeerbaar gevolg en maakt verdere afhandeling van de bezwaarprocedure zinloos. In zeer klemmende situaties kan hierop een uitzondering worden gemaakt, maar daarvan is hier geen sprake. Verzoekers hebben zelf pas kort voorafgaand aan hun vertrek een visumaanvraag ingediend en pas na de zitting van 23 augustus 2018 de benodigde twv aangevraagd. Dat zij de visa en twv niet eerder konden aanvragen is niet gebleken. Verder is niet gebleken dat het hindoefestival ter ere van de geboorte van Shiva maar eenmalig plaatsvindt en evenmin dat het festival zodanig belangrijk voor verzoekers is om bij te wonen, respectievelijk voor te gaan, dat sprake is van een klemmende situatie. Verder plaatst verweerder vraagtekens bij het feit dat het betreffende hindoefestival door verzoekers op verschillende manieren wordt aangeduid en daarom kan worden getwijfeld aan het doel en de verblijfsomstandigheden van het voorgenomen verblijf. Tot slot volhardt verweerder in zijn standpunt dat het voornemen van verzoekers om het Nederlandse grondgebied vóór het verstrijken van het visum te verlaten niet kan worden vastgesteld, omdat hun sociale en economische binding met India onvoldoende is onderbouwd.


Beoordeling door de voorzieningenrechter

8.1

De voorzieningenrechter is van oordeel dat [verzoekster 1] het doel en de omstandigheden van haar voorgenomen verblijf voldoende aannemelijk heeft gemaakt. Verweerder betwist niet dat [verzoekster 1] is wie zij stelt te zijn, namelijk een spiritueel leider met heel veel volgelingen in voornamelijk India. Zij heeft aangegeven naar Nederland te willen komen op uitnodiging van referent, om voor te gaan/te spreken tijdens een hindoefestival ter ere van de geboorte van Shiva. Dit volgt uit de toelichting bij haar visumaanvraag en de uitnodigingsbrief van de tempel. Ook heeft [verzoekster 1] inmiddels de benodigde twv gekregen, wat voor de voorzieningenrechter van groot belang is, omdat dit een relevante wijziging in omstandigheden is ten opzichte van de situatie ten tijde van de uitspraak van 23 augustus 2018. Het Uwv twijfelt dus kennelijk niet aan het doel van [verzoekster 1]’s verblijf in Nederland. De enkele omstandigheid dat het hindoefestival door verzoekers soms anders wordt benoemd, betekent niet dat om die reden het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf van [verzoekster 1] niet aannemelijk zijn.

8.2

De voorzieningenrechter is ook van oordeel dat het voornemen van [verzoekster 1] om het Nederlandse grondgebied vóór het verstrijken van het visum te verlaten voldoende is aangetoond. Daarbij acht de voorzieningenrechter wederom van belang dat verweerder niet betwist dat [verzoekster 1] is wie zij stelt te zijn. Daarmee staat naar het oordeel van de voorzieningenrechter haar sterke sociale binding met India vast. Haar volgelingen wonen immers voornamelijk in India. [verzoekster 1] heeft ter onderbouwing van haar economische binding met India op de zitting van 23 augustus 2018 toegelicht dat zij financieel wordt onderhouden door de donaties van haar volgelingen. Dit alles, is voor de voorzieningenrechter voldoende om te concluderen dat het voornemen van [verzoekster 1] om op tijd terug te keren naar India voldoende is aangetoond.

8.3

Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat het bezwaar van [verzoekster 1] naar alle waarschijnlijkheid zal slagen.

8.4

Verweerder vindt dat er geen aanleiding is om een voorlopige voorziening te treffen, omdat de gevraagde voorziening geen voorlopige maatregel is maar een definitieve beslissing. Bovendien is er volgens verweerder geen spoed, omdat niet is gebleken dat het hindoefestival maar eenmalig plaatsvindt. De voorzieningenrechter volgt verweerder niet in zijn standpunt. Op de zitting van 23 augustus 2018 heeft referent toegelicht dat hij vier jaar lang heeft geprobeerd om verzoekster naar Nederland te halen en dat dat nu eindelijk is gelukt. De visumaanvragen zijn op 21 juni 2018 ingediend en nadat op 23 augustus 2018 duidelijk werd dat een twv nodig was, is er meteen actie ondernomen. Bovendien, als de voorzieningenrechter nu geen voorziening treft, betekent dat in feite dat de aanvraag definitief wordt afgewezen. De beslissing op het bezwaar van [verzoekster 1] zal dan immers pas komen als het hindoefestival al voorbij is. Omdat hiervóór al is overwogen dat haar bezwaar een grote kans van slagen heeft, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om het verzoek van [verzoekster 1] toe te wijzen en te bepalen dat zij moet worden behandeld als ware zij in het bezit van het door haar aangevraagde visum.

9. Het voorgaande geldt expliciet alleen ten aanzien van [verzoekster 1] en niet ten aanzien van haar ouders. Haar ouders, verzoekers 2 en 3, hebben een visum aangevraagd om [verzoekster 1] te begeleiden. In de vorige uitspraak heeft de voorzieningenrechter hun verzoek afgewezen en ten aanzien van hen is ten opzichte van de vorige procedure niks veranderd. Zij zijn zelf geen spiritueel leider, komen zelf ook niet spreken en niet is gebleken dat zij zelf net zo’n sterke binding met India hebben als [verzoekster 1]. Dat betekent dat de voorzieningenrechter ten aanzien van hen geen aanleiding ziet om anders te oordelen dan in de uitspraak van 23 augustus 2018, De voorzieningenrechter zal voor de ouders dus geen gebruik maken van de verstrekkende bevoegdheid om zelf te bepalen dat zij moeten worden behandeld als waren zij in het bezit van het door hen gevraagde visum. De voorzieningenrechter wijst om die reden hun verzoeken af.

10. Omdat het verzoek van [verzoekster 1] wordt toegewezen, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan [verzoekster 1] het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

11. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door [verzoekster 1] gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 501,-- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, met een waarde per punt van € 501,--, en een wegingsfactor 1). Indien aan [verzoekster 1] een toevoeging is verleend, dient verweerder de proceskosten te betalen aan de rechtsbijstandsverlener.

Beslissing

De voorzieningenrechter, in de zaak met nummer AWB 18/6497,

- wijst het verzoek toe;

- bepaalt dat [verzoekster 1] wordt behandeld als ware zij in het bezit van een visum kort verblijf, ingaande op 31 augustus 2018, voor de duur van 20 dagen;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 170,- (zegge: honderd en zeventig euro) aan [verzoekster 1] te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 501,-- (zegge: vijfhonderd en één euro).

De voorzieningenrechter, in de zaken met nummers AWB 18/6498 en 18/6500,

- wijst de verzoeken af.

Deze uitspraak is gedaan op 30 augustus 2018 door mr. H.J. Schaberg, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. N. Vreede, griffier. De beslissing is op 30 augustus 2018 om 15:45 uur telefonisch bekend gemaakt aan partijen.

griffier, voorzieningenrechter,

Afschrift verzonden aan partijen op:

Conc.: NV

VK

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

1 Deze uitspraak is gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder nummer ECLI:NL:RBDHA:2018:10338.