Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:10399

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-08-2018
Datum publicatie
30-08-2018
Zaaknummer
7009358 RP VERZ 18-50356
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Verzoek ontbinding werkgever h-grond niet voldragen, Verzoek werkneemster ontbinding toegewezen, Toerekening rol headhunter bij werving aan werkgever, maatstaven vaststelling billijke vergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2018/227 met annotatie van mr. dr. J.P. Quist
AR-Updates.nl 2018-0992
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Zittingsplaats 's-Gravenhage

RvV

Zaak-/rolnummer: 7009358 RP VERZ 18-50356

Uitspraakdatum: 24 augustus 2018

Beschikking van de kantonrechter in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Staffing Associates Service Center B.V.,
gevestigd en kantoorhoudende te Den Haag,
verzoekster in de zaak van het verzoek,

verweerster in de zaak van het zelfstandig verzoek,

gemachtigde: mr. R.S. The,

tegen

[verweerster] ,
wonende te [woonplaats] ,
verweerster in de zaak van het verzoek,

verzoekster in de zaak van het zelfstandig verzoek,

gemachtigde: mr. D.G. Veldhuizen.

Partijen worden verder aangeduid als ‘Staffing’ en ‘ [verweerster] ’.

1 Het procesverloop in het verzoek en het zelfstandig verzoek

1.1.

Staffing heeft de kantonrechter bij verzoekschrift, bij de griffie ingekomen op 22 juni 2018, verzocht de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst te ontbinden op grond van artikel 7:671b lid 1 in samenhang met artikel 7:669 lid 3 onderdeel h van het Burgerlijk Wetboek (BW). [verweerster] heeft een verweerschrift ingediend. Gelijktijdig heeft [verweerster] bij zelfstandig verzoekschrift de kantonrechter verzocht de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst te ontbinden onder toekenning van een billijke vergoeding op grond van respectievelijk artikel 7:671c lid 1 en artikel 7:671c lid 2 onderdeel b BW.

1.2.

Op 27 juli 2018 heeft de mondelinge behandeling van het verzoek plaatsgevonden. Namens Staffing is [betrokkene] (hierna: “ [betrokkene] ”) verschenen, bijgestaan door mr. R.S. The. [verweerster] is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. D.G. Veldhuizen. Tijdens de mondelinge behandeling zijn door beide partijen pleitnotities overgelegd. Van het verhandelde ter zitting heeft de griffier aantekeningen gemaakt die zich in het procesdossier bevinden.

1.3.

De uitspraak is bepaald op heden.

2 De feiten in het verzoek en het zelfstandig verzoek

2.1.

Staffing is in 2010 opgericht door [betrokkene] en als franchiseorganisatie landelijk actief in de uitzend- en thuiszorgbranche.

2.2.

In juli 2017 is bij Staffing de functie van Chief Financial Officer (CFO) vrijgekomen. Voor de werving en selectie van een kandidaat is recruitmentbureau De Vroedt & Thierry (hierna: “DVT”) aangezocht. In de propositie is het volgende, voor zover op dit moment van belang, opgenomen:

“(…)

De CEO zoekt een “minister van financiën” die zorgt voor continuïteit. Iemand die een belangrijke rol kan spelen in de winstgevende groeistrategie in een turbulente en dynamische markt en een belangrijke bijdrage kan leveren aan de verdere professionalisering van de organisatie.

(…)

De CFO rapporteert direct aan de CEO en is een zeer belangrijke sparringpartner binnen de Raad van Bestuur. Staffing Associates is op zoek naar iemand die de vraag achter de vraag stelt en het vermogen heeft om op strategisch niveau mee te kunnen meedenken.

(…)”

2.3.

[verweerster] , geboren op [geboortedag] 1970, is op 15 oktober 2017 op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd in dienst getreden als [functie] bij Staffing tegen een salaris van € 10.833,- bruto per vier weken, exclusief vakantietoeslag en emolumenten. [verweerster] maakt als [functie] onderdeel uit van het directieteam van Staffing. Naast [verweerster] bestaat voormeld team uit een algemeen directeur, tevens directeur-grootaandeelhouder, [betrokkene] , een commercieel directeur, een directeur franchise en een directeur IT en processen.

2.4.

Bij e-mail van 13 april 2018 heeft [verweerster] het volgende, voor zover op dit moment relevant, geschreven aan [betrokkene] :

“(…)

(…) Wil ook graag na mijn vakantie met je spreken over samenwerking: mijn irritatie en frustratie is de afgelopen tijd behoorlijk opgelopen, ben niet heel blij met hoe een aantal zaken gaan. Aanpak van micromanagen, per mail opjutten en om mij heen mijn team aanschieten op allerlei details ervaar ik als heel onprettig en demotiverend. Niet hoe ik wil werken, niet wat het beste in mij naar boven haalt, (…). Ook al deel ik je frustratie en ongeduld over snelheid van een aantal zaken. Wat relatief is: als we de jaarcijfers 2017 in mei afgronden, zijn we 5 maanden sneller dan vorig jaar en 6 maanden sneller dan het jaar ervoor …

(…)”

2.5.

Op 25 mei 2018 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [betrokkene] en [verweerster] . Bij brief van diezelfde dag, per e-mail aan [verweerster] verstuurd om 17:18 uur, heeft Staffing het volgende, voor zover op dit moment relevant, geschreven aan [verweerster] :

“(…)

Betreft: beëindiging dienstverband

Geachte mevrouw [verweerster] , beste [P.] ,

Helaas hebben wij in de korte periode dat je voor Staffing Associates werkzaam bent meerdere keren discussies gevoerd over de wijze waarop de organisatie zou dienen te worden ingericht, alsmede daarbinnen de verdeling van taken en verantwoordelijkheden.

Inmiddels is helaas duidelijk geworden dat wij ernstig van inzicht verschillen over het te voeren financiële beleid en de wijze waarop daaraan uitvoering dient te worden gegeven.

(…)

Vanochtend is het wederom tussen ons tot een heftige confrontatie gekomen, waarbij duidelijk is geworden dat het verschil onoverbrugbaar is en een verdere vruchtbare samenwerking niet meer tot de mogelijkheden behoort.

Tegen die achtergrond heb ik besloten onze samenwerking per direct te beëindigen. Hiermee bevestig ik daarop vooruitlopend je per direct uit de functie van [functie] te ontheffen. Je loon en overige emolumenten worden doorbetaald totdat het dienstverband is beëindigd.

(…)”

2.6.

Bij e-mail van 27 mei 2018 heeft [verweerster] het volgende, voor zover op dit moment relevant, geschreven aan Staffing:

“(…)

(…). Jouw constatering dat wij verschillen van inzicht en dat dat een goede samenwerking in toenemende mate moeilijk maakt, kan ik niet ontkennen. (…)

Het per direct stopzetten van mijn werkzaamheden voor Staffing is niet mijn keuze en druist in tegen de verantwoordelijkheid die ik voel voor de vele lopende zaken en voor mijn team. Ik zie dat je mijn mailaccount hebt laten blokkeren en kan dus niet meer documenten/mails doorsturen of reageren op berichten waar dat in het kader van voortgang van zaken wellicht handig was geweest. (…)

Vrijdagavond werd ik door collega’s geïnformeerd over dat zij hadden gehoord over jouw besluit van die middag. Dat besluit is door Chris in een Whatsapp groep aan meerdere mensen gecommuniceerd. Ik heb dat bericht ondertussen gezien en zie dat onder meer de drie business controllers uit mijn team in deze app-groep zijn opgenomen. Ik vind deze gang van zaken bijzonder kwalijk en zeer onzorgvuldig, zowel naar mij als naar de collega’s.

(…)”

2.7.

In het WhatsAppbericht, waar in de e-mail van 27 mei 2018 naar wordt verwezen en dat is verstuurd in de avond van 25 mei 2018, valt het volgende, voor zover op dit moment relevant, te lezen:

“(…)

[verweerster] werkt sinds vanmiddag niet meer bij Staffing. Dus ik weet niet of er nog contacten zijn of niet maar de samenwerking is voorbij.

(…)”

2.8.

Op 31 mei 2018 is vanaf het zakelijke e-mailadres van [verweerster] naar haar privé-e-mailadres een automatisch opgestelde e-mail gestuurd met, voor zover op dit moment relevant, de volgende tekst:

“Beste Lezer,

Op dit moment ben ik niet meer werkzaam voor Staffing Associates. (…)”

2.9.

Bij brief van 19 juli 2018 is namens DVT het volgende, voor zover op dit moment relevant, verklaard:

“(…)

Wij waren van mening met mevrouw [verweerster] –gezien haar brede werkervaring- de juiste kandidaat voor het door Staffing Associates geschetste profiel te hebben gevonden.

(…)

Mevrouw [verweerster] is als RA niet eerder werkzaam geweest in het (grotere) midden en klein bedrijf, en heeft geen ervaring nauw samen te werken binnen een familiebedrijf met de DGA. Anders dan bij haar vorige werkgevers, zijn in een familiebedrijf de beslislijnen kort en lopen die via de DGA. Kennelijk heeft onder andere dat cultuurverschil zich hier gewroken. Daarmee diskwalificeer ik mevrouw [verweerster] nadrukkelijk niet voor een [functie] functie binnen een corporate onderneming of bij de overheid. Echter binnen de huidige setting bij Staffing is er duidelijk sprake van een minder goede match.

(…)”

2.10.

Partijen zijn nadien in overleg getreden over beëindiging van het dienstverband. Tot overeenstemming heeft dit overleg niet geleid.

3 Het verzoek van Staffing

3.1.

Staffing verzoekt de kantonrechter om de arbeidsovereenkomst tussen partijen op een zo kort mogelijke termijn te ontbinden op grond van andere omstandigheden in de zin van artikel 7:669 lid 3 onderdeel h BW, dan wel een door de kantonrechter te bepalen passende grond, zonder toekenning van een billijke vergoeding en met veroordeling van [verweerster] in de kosten van deze procedure.

3.2.

Ter onderbouwing van het verzoek heeft Staffing – kort gezegd – het navolgende naar voren gebracht. Staffing is een snelgroeiende uitzendorganisatie. Deze groei is mede gerealiseerd door het doen van overnames van branchegenoten. Vanwege de (mogelijke toekomstige) overnames, de daarmee samenhangede verdere groei van de organisatie, en de daarvoor benodigde herfinanciering bij de bank, is het tijdig en volledig opstellen van de jaarrekening(en) van groot belang. Voor het werven van een [functie] heeft Staffing DVT ingeschakeld. Bij de indiensttreding van [verweerster] heeft algemeen directeur [betrokkene] haar mede daarom verzocht prioriteit te geven aan (1) het verbeteren van de financiële processen en (2) het maken van heldere werkinstructies. Dat laatste diende ter bevordering van het tijdig en correct kunnen aanleveren van de periodieke rapportages en budgetten. Volgens Staffing heeft [verweerster] zich na haar indiensttreding onvoldoende verdiept in bestaande werkprocessen en de systemen, alsmede in de gang van zaken binnen de organisatie. [verweerster] is daarom niet in staat een adequate financiële visie te ontwikkelen en op de juiste manier invulling te geven aan de functie van [functie] . Bovendien geeft [verweerster] op een andere manier leiding aan de organisatie dan waar Staffing behoefte aan heeft. Staffing heeft, als relatief jonge organisatie die volgens haar gekenmerkt wordt door een ‘hands-on mentaliteit’, behoefte aan een [functie] die leiding neemt en tot actie overgaat. De stijl van leidinggeven van [verweerster] wordt volgens Staffing echter gekenmerkt door een laissez-faire, participerende stijl van leidinggeven. Deze wijze van leidinggeven heeft volgens Staffing tot gevolg dat [verweerster] de situatie van de financiële organisatie niet op korte termijn kan verbeteren. Daarmee loopt de verdere groei van Staffing gevaar en als gevolg daarvan bestaat – zo begrijpt de kantonrechter – tussen Staffing en [verweerster] een verschil van inzicht over de manier waarop [verweerster] invulling geeft aan haar functie van CFO en het te voeren financiële beleid. Daarnaast is de onderlinge verhouding in een gesprek op 25 mei 2018 ernstig verstoord geraakt en is thans sprake van een onwerkbare situatie tussen [verweerster] en [betrokkene] .

4. Het verweer tegen het verzoek van Staffing en het zelfstandig verzoek van [verweerster]

4.1.

[verweerster] verweert zich tegen het verzoek en stelt dat de verzochte ontbinding moet worden afgewezen. Zij voert daartoe – samengevat – het volgende aan.

4.2.

Van een verschil van inzicht tussen Staffing en [verweerster] ten aanzien van functie-verantwoordelijkheden en het te voeren (financiële) beleid is geen sprake. Daarbij is volgens [verweerster] niet komen vast te staan waaruit het verschil van inzicht in de praktijk bestaat, nu door Staffing geen enkel (bewijs)stuk is overgelegd waaruit het verschil van inzicht blijkt. Daarnaast is volgens [verweerster] van belang dat zij in de praktijk geen inspraak had op het te voeren beleid. Het was (en is) algemeen directeur [betrokkene] die de koers van Staffing bepaalt en [verweerster] voerde dat beleid slechts uit. Van een verschil van inzicht over het te voeren beleid kan alleen al om die reden geen sprake zijn, nu [verweerster] daarover geen zeggenschap had. De als zodanig aangevoerde h-grond kan het ontbindingsverzoek derhalve niet dragen. De door Staffing aan het verzoekschrift ten grondslag liggende voorbeelden zien daarnaast niet op een verschil van inzicht op het te voeren beleid, maar op vermeend disfunctioneren van [verweerster] . Ook de door Staffing aan het ontslag ten grondslag gelegde ernstige verstoring van de arbeidsverhouding kan volgens [verweerster] niet leiden tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst, nu het ontbindingsverzoek is gegrond op de h-grond en de kantonrechter de ontslaggronden niet ambtshalve mag aanvullen.

4.3.

[verweerster] verzoekt de kantonrechter op haar beurt om de arbeidsovereenkomst te ontbinden wegens omstandigheden die van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd dient te eindigen, zoals bepaald in artikel 7:671c lid 1 BW. Daarnaast verzoekt [verweerster] de kantonrechter om Staffing te veroordelen tot betaling aan [verweerster] van een billijke vergoeding van € 159.500,- bruto.

4.4.

Aan het zelfstandig verzoek heeft [verweerster] – kort en samengevat weergegeven – ten grondslag gelegd dat de wijze waarop Staffing doelbewust een vertrouwensbreuk heeft geforceerd, getuigt van slecht werkgeverschap en bovendien te kwalificeren is als ernstig verwijtbaar handelen. [verweerster] ziet dan ook geen mogelijkheid meer tot hervatting van de werkzaamheden en verzoekt de ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Daarbij verzoekt [verweerster] om toekenning van een billijke vergoeding van € 159.500,- bruto. Bij de begroting van de billijke vergoeding moet volgens [verweerster] rekening worden gehouden met de door haar te lijden inkomensschade. Deze schade wordt door [verweerster] begroot op negen maandsalarissen. Verder dient het gemis aan bonus meegewogen te worden. Voormelde bonus bedraagt maximaal 30% van het jaarsalaris.

4.5.

Op de verweren die Staffing ten aanzien van de billijke vergoeding heeft aangevoerd, zal hierna – voor zover van belang – worden ingegaan.

5 De beoordeling

5.1.

Het gaat in deze zaak om de beantwoording van de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden.

Het verzoek van Staffing: ontbinding van de arbeidsovereenkomst op basis van de h-grond

5.2.

De kantonrechter heeft zich ervan vergewist of het verzoek verband houdt met het bestaan van een opzegverbod ex artikel 7:670 BW. Daarvan is niet gebleken.

5.3.

Voorop wordt gesteld dat uit artikel 7:669 lid 1 BW volgt dat de arbeidsovereenkomst alleen kan worden ontbonden indien daar een redelijke grond voor is en herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. In artikel 7:669 lid 3 BW is nader omschreven wat onder een redelijke grond moet worden verstaan. De door Staffing aangevoerde grond (artikel 7:669 aanhef en lid 3 onder h BW) luidt: een andere dan de hiervoor genoemde omstandigheden die zodanig zijn dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De h-grond geldt weliswaar als een vangnetbepaling voor omstandigheden die niet vallen onder de andere ontslaggronden, maar door de wetgever is wel benadrukt dat de zogenoemde h-grond niet mag worden gebruikt om enkele van de in artikel 7:669 lid 3 onder a tot en met g BW genoemde gronden, die elk op zichzelf beschouwd onvoldoende kunnen worden onderbouwd, samen als h-grond aan te merken (zie: Kamerstukken II 2013/2014, 33818, nr. 3, p. 46 (Memorie van toelichting)). De manager met wie een verschil van inzicht bestaat over het te voeren beleid, wordt daarbij in de wetgeschiedenis expliciet genoemd als voorbeeld van de h-grond (zie: Kamerstukken II 2013/2014, 33818, nr. 7, p. 130).

5.4.

Voorts stelt de kantonrechter voorop dat de Hoge Raad in zijn arresten van 23 december 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2998, NJ 2017/203, rov. 3.15-3.19 (Mediant)) en 16 februari 2017 (ECLI:NL:HR:2018:182, rov. 3.4.2-3.4.4 (Decor)) heeft beslist dat (1) als uitgangspunt moet worden aanvaard dat de wettelijke bewijsregels van overeenkomstige toepassing zijn in procedures strekkende tot ontbinding van een arbeidsovereenkomst en dat (2) de toepasselijkheid van de wettelijke bewijsregels meebrengt dat de werkgever de aan zijn ontbindingsverzoek ten grondslag liggende feiten en omstandigheden zal moeten stellen en, bij voldoende gemotiveerde betwisting door de werknemer, zal moeten bewijzen.

5.5.

Staffing heeft in haar verzoekschrift een (groot) aantal voorbeelden genoemd waaruit volgens haar blijkt dat sprake is van een verschil van inzicht ten aanzien van de functie-verantwoordelijkheden en het te voeren beleid. Staffing verwijt [verweerster] onder andere dat zij:

- de jaarstukken over 2017 niet tijdig heeft aangeleverd;

- geen zicht heeft op de nog te leveren werkzaamheden;

- steeds veranderende cijfers presenteert waardoor onduidelijkheid ontstaat binnen het directieteam;

- heeft nagelaten de voortgangsrapportages van haar projecten te presenteren;

- geen financiële budgetten voor 2018 heeft aangeleverd;

- extra taken naar zich heeft toegetrokken;

- op cynische wijze kritiek levert.

De hiervoor genoemde verwijten worden door [verweerster] in haar verweerschrift gemotiveerd weersproken en zijn – wat er verder ook van zij – op geen enkele wijze met (bewijs)stukken onderbouwd. Voorts heeft Staffing geen voldoende specifiek aanbod gedaan om voormelde feiten en omstandigheden – lees: de verwijten – te bewijzen. Dit betekent dat de aan het ontbindingsverzoek ten grondslag liggende feiten en omstandigheden onvoldoende zijn onderbouwd. De kantonrechter heeft zodoende niet kunnen vaststellen dat er een fundamenteel verschil van inzicht bestaat over hoe de organisatie geleid moet worden en tot welke onoverkomelijke problemen dat vermeende verschil van inzicht zou kunnen leiden. Het is ook niet komen vast te staan dat partijen het in het verleden niet eens zijn geworden over het te voeren beleid en de verdere groei van Staffing in gevaar komt door de manier waarop [verweerster] leiding heeft gegeven aan de financiële organisatie.

5.6.

Daarnaast heeft ook te gelden dat eventuele fouten bij de werving door DVT in verhouding tussen Staffing en [verweerster] voor rekening van Staffing dienen te komen. Staffing heeft DVT immers gevraagd een nieuwe [functie] te werven en de propositie (zie rov. 2.2) is ook in overleg tussen DVT en Staffing opgesteld. Een van die propositie afwijkende werkelijke verhouding tussen [betrokkene] en [verweerster] kan Staffing dus niet in de schoenen van [verweerster] schuiven.

5.7.

Los van het voorgaande zien de door Staffing genoemde verwijten daarnaast op een andere grond – kort gezegd: disfunctioneren – dan die is aangevoerd voor ontslag. Daarbij is, als er sprake zou zijn van disfunctioneren aan de zijde van [verweerster] , hetgeen door [verweerster] wordt weersproken, door Staffing gesteld noch gebleken dat [verweerster] in de gelegenheid is gesteld haar functioneren te verbeteren. Bovendien mag de kantonrechter een andere ontslaggrond dan die is aangevoerd niet zonder meer ambtshalve aanvullen. Ook de door Staffing naar voren gebrachte ernstige verstoring van de arbeidsrelatie als gevolg van het gesprek op 25 mei 2018 kan daarom geen grond opleveren voor ontslag, nu Staffing slechts de h-grond als grondslag voor ontslag heeft aangevoerd.

5.8.

Op grond van het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat er geen redelijke grond is voor ontbinding zoals bedoeld in artikel 7:669 aanhef en lid 3 onder h BW. Het verzoek van Staffing tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst wordt dan ook afgewezen.

Het zelfstandig verzoek van [verweerster] : ontbinding van de arbeidsovereenkomst en toekenning billijke vergoeding

5.9.

[verweerster] verzoekt de kantonrechter op haar beurt om de arbeidsovereenkomst te ontbinden op grond van artikel 7:671c lid 1 BW. In voormeld artikel is bepaald dat de kantonrechter op verzoek van de werknemer de arbeidsovereenkomst kan ontbinden wegens omstandigheden die van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen. De kantonrechter zal het verzoek van [verweerster] toewijzen. Daartoe zijn de volgende tussen partijen vaststaande feiten redengevend:

- [verweerster] heeft op 13 april 2018 een e-mail gestuurd aan [betrokkene] waarin zij haar ontevredenheid heeft geuit over de samenwerking;

- op 25 mei 2018 heeft een (escalerend) gesprek plaatsgevonden tussen [betrokkene] en [verweerster] ;

- zonder het verrichten van inspanningen om de verslechterde verhouding tussen [betrokkene] en [verweerster] te normaliseren, heeft Staffing bij brief van 25 mei 2018 aangestuurd op de beëindiging van de arbeidsrelatie en haar op non-actief gesteld, althans [verweerster] uit haar functie ontheven;

- Staffing heeft [verweerster] de toegang tot haar zakelijke e-mailaccount geblokkeerd;

- in zowel een WhatsAppbericht als een door Staffing opgesteld out-of-officebericht is gecommuniceerd dat [verweerster] niet meer werkzaam is voor Staffing;

- zoals hierboven reeds is overwogen onder rov. 5.5 heeft Staffing zonder deugdelijke onderbouwing een groot aantal verwijten aan het ontbindingsverzoek ten grondslag gelegd.

Met al deze handelingen heeft Staffing de terugkeer van [verweerster] feitelijk onmogelijk gemaakt en is de verhouding met [verweerster] doelbewust ernstig verstoord. Het handelen van Staffing getuigt ook van slecht werkgeverschap en dit handelen is naar het oordeel van de kantonrechter te kwalificeren als ernstig verwijtbaar handelen in de zin van artikel 7:671c lid 2 onderdeel b BW. Uit de wetsgeschiedenis volgt immers dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van een werkgever als een werkgever grovelijk de verplichtingen niet nakomt die voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst en er als gevolg daarvan een verstoorde arbeidsverhouding ontstaat (zie: Kamerstukken II 2013/2014, 33818, nr. 3, p. 34). Gezien het voorgaande heeft [verweerster] de kantonrechter terecht en op goede gronden verzocht de arbeidsovereenkomst te ontbinden. De kantonrechter zal de arbeidsovereenkomst dan ook op verzoek van [verweerster] ontbinden. Nu geen concrete einddatum is verzocht en door het ernstig verwijtbaar handelen van Staffing een terugkeer in de werkzaamheden is uitgesloten, zal de kantonrechter de einddatum van de arbeidsovereenkomst bepalen op heden.

5.10.

Nu de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden, dient vervolgens beoordeeld te worden of aan [verweerster] een billijke vergoeding kan worden toegekend.

5.11.

De kantonrechter kan de werknemer op grond van art. 7:671c lid 2 onderdeel b BW een billijke vergoeding toekennen als de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van Staffing. In hetgeen onder rov. 5.9 is overwogen wordt de gevolgtrekking gemaakt dat het handelen van Staffing zó ernstig verwijtbaar is – met name door het doelbewust verstorende gedrag van Staffing in samenhang met de onbewijsbaarheid van de gemaakte verwijten – dat [verweerster] een billijke vergoeding toekomt. Ten aanzien van de hoogte van de toe te kennen billijke vergoeding overweegt de kantonrechter als volgt.

5.12.

Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de hoogte van de billijke vergoeding – naar haar aard – in relatie moet staan tot het ernstig verwijtbare handelen of nalaten van de werkgever, en niet tot de gevolgen van het ontslag voor de werknemer (zie: Kamerstukken II 2013/2014, 33818, nr. 3, p. 32-34 en Kamerstukken II, 2013/2014, 33818, nr. 7, p. 91). Uit het New Hairstyle-arrest van de Hoge Raad van 30 juni 2017 (ECLI:NL:HR:2017:1187) volgt evenwel dat dit niet hoeft te betekenen dat de gevolgen van een beëindiging van het dienstverband bij het bepalen van de omvang van de billijke vergoeding geen rol mogen spelen in een geval waarin de wet een werknemer een aanspraak geeft op zo'n vergoeding omdat de werkgever een ernstig verwijt kan worden gemaakt van de reden dat de arbeidsovereenkomst eindigt. Als ontslag het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever, dan dient de werknemer hiervoor volgens die wetsgeschiedenis te worden gecompenseerd, ook om dergelijk handelen of nalaten van de werkgever te voorkomen. Bij de begroting van de billijke vergoeding komt het aan op alle omstandigheden van het geval. De kantonrechter dient in de motivering van zijn oordeel inzicht te geven in de omstandigheden die tot de beslissing over de hoogte van de vergoeding hebben geleid. Uitgaande van het voorgaande zal de kantonrechter de billijke vergoeding vaststellen op een bedrag van € 102.600,- bruto, waarbij de volgende omstandigheden en schadecomponenten in aanmerking worden genomen.

5.13.

Tussen partijen geldt een opzegtermijn van één maand. Bij een regelmatige opzegging zou de arbeidsovereenkomst eerst zijn geëindigd op 1 oktober 2018. Omdat de arbeidsovereenkomst door het ernstig verwijtbaar handelen van Staffing per heden is ontbonden, is de tussen partijen geldende opzegtermijn niet in acht genomen. Derhalve is sprake van een onregelmatige opzegging. Voor het loon dat [verweerster] als gevolg van de onregelmatige opzegging over de periode vanaf heden tot 1 oktober 2018 misloopt, zal zij gecompenseerd worden. De kantonrechter stelt dit bedrag vast op € 15.600,- bruto.

5.14.

Zoals hierboven onder rov. 5.9 en 5.11 reeds is overwogen getuigt de wijze waarop Staffing met de ontstane situatie is omgegaan van slecht werkgeverschap en is het handelen van Staffing te kwalificeren als ernstig verwijtbaar handelen. De kantonrechter is van oordeel dat [verweerster] gecompenseerd dient te worden voor het ernstig verwijtbaar handelen van Staffing voor zover het betreft imagoschade. Er zijn geen richtlijnen voor het bepalen van deze component van de billijke vergoeding, wat de wetgever overigens ook zo heeft gewenst. Alles afwegende acht de kantonrechter in dit geval een bedrag van € 12.000,- bruto (één maandsalaris) een billijke compensatie voor deze component van de billijke vergoeding.

5.15.

Daarnaast weegt mee dat [verweerster] noodgedwongen op zoek moet naar een andere baan. Voor de tijd die deze zoektocht zal duren lijdt [verweerster] inkomensschade. Nu de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen, zal [verweerster] naar het oordeel van de kantonrechter gecompenseerd moeten worden voor de door haar te lijden inkomensschade. Alles afwegende acht de kantonrechter in dit geval een bedrag van € 75.000,- bruto (zes maandsalarissen) een billijke compensatie voor deze component van de billijke vergoeding. Daarbij weegt mee dat [verweerster] onweersproken heeft aangevoerd dat zij in het verleden vijf maanden nodig heeft gehad om vanuit een baan te zoeken naar- en uiteindelijk te starten bij een vergelijkbare nieuwe baan. Gelet op het relatief korte dienstverband bij Staffing en het feit dat [verweerster] door toedoen van Staffing nu vanuit een werkloze situatie zal moeten solliciteren, acht de kantonrechter het aannemelijk dat [verweerster] nu extra tijd nodig zal hebben voor het vinden van een baan elders.

5.16.

De omstandigheid dat [verweerster] mogelijk een bonus van 30% over haar (jaar)salaris misloopt, heeft niet meegewogen bij de begroting van de billijke vergoeding omdat het vaststellen van een jaarlijkse bonus van veel verschillende omstandigheden afhangt en hier de arbeidsverhouding feitelijk al in mei 2018 is verbroken. Dat [verweerster] geen transitievergoeding toegekend krijgt vanwege het korte dienstverband, is tot slot geen omstandigheid die afgewenteld kan worden op Staffing, nu de wetgever dat zo bepaald heeft.

De proceskosten

5.17.

Nu Staffing (grotendeels) in het ongelijk is gesteld zal zij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. Deze kosten worden begroot op € 1.200,- (2 punten ad € 600,-) aan salaris gemachtigde.

6 De beslissing

De kantonrechter:

ten aanzien van het verzoek van Staffing:

- wijst het verzoek van Staffing af;

ten aanzien van het zelfstandig verzoek van [verweerster] :

- ontbindt de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst per heden;

- veroordeelt Staffing tot betaling van € 102.600,- bruto ter zake de billijke vergoeding;

- veroordeelt Staffing in de proceskosten, tot op heden begroot op € 1.200,- als het aan de gemachtigde van [verweerster] toekomende salaris;

- verklaart deze beschikking wat betreft de billijke vergoeding en de proceskostenvergoeding uitvoerbaar bij voorraad,

- wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gewezen door mr. L.C. Heuveling van Beek, kantonrechter, en op 24 augustus 2018 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter