Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:10394

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
30-08-2018
Datum publicatie
04-09-2018
Zaaknummer
C/09/543244 / FA RK 17-8816
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Alimentatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2018-0223
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige kamer

Rekestnummer: FA RK 17-8816

Zaaknummer: C/09/543244

Datum beschikking: 26 april 2018

Alimentatie

Beschikking op het op 16 november 2017 ingekomen verzoek van:

[verzoeker]

de man,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat: mr. J.G. Schnoor te ‘s-Gravenhage.

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

[belanghebbende] ,

de vrouw,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat: mr. G.A. Nandoe Tewarie te Leiden,

en

[jongmeerderjarige] ,

de jong-meerderjarige,

wonende te ‘s-Gravenhage,

advocaat: mr. G.A. Nandoe Tewarie te Leiden.

Procedure

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken, waaronder:

  • -

    het verzoekschrift;

  • -

    het F9-formulier met bijlage van 23 november 2017 van de zijde van de man;

  • -

    het verweerschrift van de zijde van de jong-meerderjarige;

  • -

    het verweerschrift van de zijde van de vrouw;

  • -

    het F9-formulier met bijlagen van 5 maart 2018 van de zijde van de man;

  • -

    het F9-formulier met bijlagen van 7 maart 2018 van de zijde van de man;

  • -

    het F9-formulier met bijlagen van 13 maart 2018 van de zijde van de vrouw.

De minderjarige [minderjarige] heeft zich schriftelijk uitgelaten over het verzoek.

Op 29 maart 2018 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de man met zijn advocaat en de vrouw en de jong-meerderjarige met hun advocaat.

Verzoek en verweer

Het verzoek van de man luidt – met wijziging van na te melden beschikking – met ingang van 1 november 2017:

  • -

    de kinderalimentatie op € 100,- per maand te bepalen;

  • -

    de alimentatie voor de jong-meerderjarige op € 100,- per maand te bepalen,

althans dusdanige bedragen en met ingang van een dusdanige datum als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren.

De man stelt als grond voor dit verzoek een wijziging van omstandigheden waardoor na te melden beschikking niet langer voldoet aan de wettelijke maatstaven.

De vrouw respectievelijk de jong-meerderjarige voert verweer dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Tevens heeft de jong-meerderjarige zelfstandig verzocht:

- de alimentatie voor de jong-meerderjarige op € 712,- per maand te bepalen,

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

Feiten

  • -

    De man en de vrouw zijn gehuwd geweest van [huwelijksdatum] tot [echtscheidingsdatum]

  • -

    Zij zijn de ouders van het volgende thans jong-meerderjarige kind respectievelijk van het thans nog minderjarige kind:

- [jongmeerderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] .

  • -

    De minderjarige verblijft bij de vrouw.

  • -

    Bij beschikking van rechtbank Amsterdam van [echtscheidingsdatum] is de echtscheiding uitgesproken en zijn het convenant en het ouderschapsplan aan de beschikking gehecht. In het ouderschapsplan is de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie op € 225,- per kind per maand bepaald. Tevens is bepaald dat deze regeling gehandhaafd blijft als de kinderen na hun achttiende verjaardag nog bij de vrouw wonen, maar uiterlijk tot hun eenentwintigste verjaardag, tenzij het betreffende kind zich daartegen zal verzetten.

  • -

    Als gevolg van de wijziging van rechtswege ingevolge artikel 1:402a van het Burgerlijk Wetboek (BW) bedraagt de door de man te betalen kinderalimentatie thans € 233,- per maand en de alimentatie voor de jong-meerderjarige thans eveneens € 233,- per maand.

Beoordeling

Wijziging van omstandigheden

Ingevolge artikel 1:401, eerste lid, van het BW kan een rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer zij nadien door een wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen. De rechtbank acht de door de man aangevoerde wijziging van omstandigheden, te weten dat hij opnieuw is getrouwd en derhalve onderhoudsplichtig is voor drie stiefkinderen, alsmede dat hij ontslag heeft moeten nemen en thans werkzaam is als dagvisser waardoor zijn draagkracht is verlaagd, een wijziging van omstandigheden als bedoeld in voormeld wetsartikel, zodat de man ontvankelijk is in zijn wijzigingsverzoek. De rechtbank zal derhalve in het navolgende eerst beoordelen of de door de man gestelde omstandigheid een rechtens relevante wijziging van omstandigheden is die noodzaakt tot wijziging van de kinderalimentatie en van de bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van de jong-meerderjarige.

Inhoudelijke beoordeling

Ingangsdatum

Uit proceseconomische overwegingen beoordeelt de rechtbank allereerst de ingangsdatum.

Het uitgangspunt is dat de rechter terughoudend dient om te gaan met het vaststellen van een bijdrage over het verleden. De rechtbank ziet in hetgeen de man heeft gesteld onvoldoende aanleiding een eerdere ingangsdatum te bepalen. Derhalve acht de rechtbank het redelijk de ingangsdatum op 26 april 2018 te bepalen, zijnde de datum van de beschikking.

Behoefte [minderjarige]

De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende is onderbouwd dat de behoefte van [minderjarige] anders is dan in het door de ouders ondertekende ouderschapsplan is vastgelegd. Derhalve gaat de rechtbank uit van een behoefte van € 505,50 per maand, na indexering (afgerond)

€ 524,- per maand.

Behoefte [jongmeerderjarige]

De jong-meerderjarige heeft gesteld dat haar behoefte is verhoogd doordat zij is gaan studeren. Zij doet een HBO-opleiding. De jong-meerderjarige stelt haar behoefte op € 721,67 per maand conform de DUO-norm voor thuiswondende studenten HBO. Tevens heeft zij naar voren gebracht dat zij ongeveer € 230,- per maand verdient door haar werkzaamheden in een bakkerij. De jong-meerderjarige heeft verklaard dat de studievoorziening die zij van haar ouders heeft gekregen onvoldoende is om de kosten te voldoen. Deze voorziening verlaagt bovendien de behoefte niet.

De man heeft gesteld dat de behoefte van de jong-meerderjarige zoals is vastgelegd in het ouderschapsplan, niet juist is. Zij heeft van de ouders een bedrag gekregen voor haar studie. Daarnaast sluit de man niet uit dat de jong-meerderjarige voor haar studie een lening bij de DUO is aangegaan. Tevens heeft de jong-meerderjarige een bijbaan in een bakkerij, waardoor haar behoefte wordt beperkt.

De rechtbank stelt voorop dat ouders op grond van het bepaalde in artikel 1:395a van het Burgerlijk Wetboek verplicht zijn om te voorzien in de kosten van levensonderhoud en studie van hun jong-meerderjarige kinderen. Hierbij is het niet van belang of de jong-meerderjarige inkomsten uit arbeid heeft. De rechtbank gaat derhalve voorbij aan de stellingen van de vader daaromtrent. Bij het bepalen van de behoefte aan een bijdrage hanteert de rechtbank de uitgangspunten zoals zijn neergelegd in de richtlijn van de Expertgroep Alimentatienormen (Tremarapport). In het rapport is bepaald dat voor de behoeftebepaling van studerende jong-meerderjarigen kan worden aangesloten bij de normen uit de Wet Studiefinanciering (WSF). Volgens de WSF bestaat de behoefte van een student uit een normbedrag voor de kosten van levensonderhoud, vermeerderd met het verschuldigde les- dan wel collegegeld. Verder kan rekening worden gehouden met de aanspraken die een student heeft op studiefinanciering, voor zover die bij goede studieresultaten niet behoeft te worden terugbetaald.

Nu onbetwist is gesteld dat de jong-meerderjarige niet in aanmerking komt voor enige vorm van studiefinanciering, gaat de rechtbank voor de behoefte van de jong-meerderjarige uit van de WSF-norm. Hieruit volgt dat de behoefte van een thuiswonende HBO-student

€ 828,91,- per maand bedraagt. Nu [jongmeerderjarige] een behoefte van (afgerond) € 722,- heeft gesteld, zal de rechtbank van dat bedrag uitgaan.

Behoefte [naam stiefkind 1] , [naam stiefkind 2] en [naam stiefkind 3] [achternaam stiefkinderen]

De man heeft verklaard dat hij op 27 juli 2017 met mevrouw [tweede echtgenote man] (hierna: [tweede echtgenote man] ) in het huwelijk is getreden. Sindsdien maken de volgende minderjarige kinderen deel uit van het gezin van de man:

  • -

    [naam stiefkind 1] [achternaam stiefkinderen] , geboren op [geboortedatum] ;

  • -

    [naam stiefkind 2] [achternaam stiefkinderen] , geboren op [geboortedatum] ;

  • -

    [naam stiefkind 3] [achternaam stiefkinderen] , geboren op [geboortedatum] .

De man heeft gesteld dat hij mede-onderhoudsplichtig is voor deze kinderen en dat de biologische vaders van deze kinderen niet langer in beeld zijn.

Met betrekking tot de behoefte van de stiefkinderen gaat de man uit van een Netto Besteedbaar Inkomen (NBI) van [tweede echtgenote man] van € 1.600,- per maand. Het NBI van de man bedraagt € 1.800,- per maand. Hij berekent de behoefte op € 373,- per kind per maand.

De vrouw en de jong-meerderjarige hebben gesteld dat mevrouw [tweede echtgenote man] in staat kan worden geacht in het levensonderhoud van haar kinderen te voorzien. De man heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij daartoe niet in staat is. Daarnaast wordt de behoefte van de kinderen [tweede echtgenote man] betwist. De behoefte van de stiefkinderen moet worden vastgesteld op basis van het gezinsinkomen van mevrouw [tweede echtgenote man] en de biologische vaders. Tevens rust allereerst een onderhoudsplicht op de biologische vaders van de stiefkinderen. De onderhoudsplicht van de man voor zijn eigen kinderen gaat voor de onderhoudsplicht voor de stiefkinderen, aldus de vrouw en de jong-meerderjarige.

Op grond van artikel 1:395 BW heeft de man ook voor de stiefkinderen een wettelijke zorgplicht. De rechtbank volgt de man niet in zijn stelling dat voor de behoefte van de stiefkinderen moet worden uitgegaan van zijn inkomen en dat van de moeder van zijn stiefkinderen. Nu de biologische vaders van de stiefkinderen naar de man stelt niet mede in de behoefte van die kinderen voorzien zal de rechtbank die behoefte aan de hand van het inkomen van die moeder en uitgaande van drie kinderen bepalen. Daarbij gaat de rechtbank uit van het door de man gestelde NBI van [tweede echtgenote man] van€ 1.600,00 per maand. Aldus berekent de rechtbank de behoefte van de stiefkinderen op datum huwelijk van [tweede echtgenote man] met de man uitgaande van drie kinderen op € 115,00 per kind per maand. Ten aanzien van [naam stiefkind 1] [tweede echtgenote man] overweegt de rechtbank voorts dat zij op de datum van deze beschikking reeds meerderjarig is, zodat de man voor haar niet meer zorgplichtig is. De rechtbank gaat derhalve ten aanzien van [naam stiefkind 2] en [naam stiefkind 3] uit van een behoefte van € 115,- per kind per maand.

Draagkracht man

De man heeft gesteld dat zijn arbeidsovereenkomst in juli 2016 is beëindigd. De man heeft verklaard dat hij ontslag heeft genomen bij de rederij waar hij werkte, omdat hij werd gestalkt door de vrouw. De vrouw belde hem constant. De man kon hierdoor niet meer functioneren. Hierdoor voelde hij zich gedwongen om ontslag te nemen. Volgens de man is er derhalve geen sprake van verwijtbaar inkomensverlies.

Sinds zijn ontslag werkt de man als zelfstandig dagvisser. Zijn inkomen is gedaald. Sinds november 2017 ligt de dagvisserij zelfs stil en heeft de man geen inkomen meer.

De vrouw en de jong-meerderjarige hebben gesteld dat sprake is van verwijtbaar inkomensverlies aan de zijde van de man. De man heeft op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat beëindiging van de arbeidsovereenkomst hem niet kan worden verweten. Voordat hij de beslissing nam om ontslag te nemen, had hij moeten bedenken dat hij onderhoudsplichtig is. De vrouw en de jong-meerderjarigen achten de man in staat ten minste hetzelfde inkomen te verwerven als toen hij in loondienst was. De man verdiende minimaal € 3.000,- per maand netto. Tevens heeft de vrouw gesteld dat de man veel ervaring als visser heeft. Hij kan derhalve makkelijk weer aan de slag bij een andere rederij.

De rechtbank is van oordeel dat de man onvoldoende heeft gesteld dat het nemen van ontslag bij de rederij onvermijdelijk was. Naar het oordeel van de rechtbank is het nemen van ontslag lichtvaardig gebeurd. De man had zich er rekenschap van moeten geven dat hij financiële verplichtingen heeft ten aanzien van de minderjarige en de jong-meerderjarige. Voorts heeft de vrouw onbetwist gesteld dat het voor de man niet moeilijk moet zijn om bij een andere rederij in dienst te treden, gelet op zijn werkervaring als visser. Derhalve acht de rechtbank de man in staat om ten minste € 3.000,- netto per maand aan inkomen te genereren. Hierbij merkt de rechtbank op dat als de man als zzp’er aan de slag gaat, hier in positieve zin aanzienlijke fiscale gevolgen aan zijn verbonden. Een lagere winst ten opzichte van het inkomen uit loondienst hoeft daarom niet te betekenen dat het netto inkomen van de man lager wordt.

Gelet hierop zal de rechtbank uitgaan van een netto inkomen van de man van € 3.000,- per maand.

De rechtbank zal, in lijn met het rapport van 2018, de draagkracht vaststellen aan de hand van de formule 70% [NBI – (0,3 x NBI + 920)]. Bij een NBI van € 3.000,- resulteert dit in een draagkracht van (afgerond) € 826,-.

Draagkracht vrouw

Voor de draagkracht van de vrouw gaat de rechtbank uit van de overgelegde jaaropgave 2017. Hieruit blijkt dat de vrouw een inkomen heeft gehad van € 30.471,-. Rekening houdend met het kindgebonden budget, de algemene heffingskorting en de arbeidskorting volgt uit de berekening van de rechtbank een NBI van € 1.993,- per maand.

De rechtbank zal, in lijn met het rapport van 2018, de draagkracht vaststellen aan de hand van de formule 70% [NBI – (0,3 x NBI + 920)]. Bij een NBI van € 1.993,- resulteert dit in een draagkracht van (afgerond) € 332,-.

Draagkracht [tweede echtgenote man]

Voor de draagkracht van [tweede echtgenote man] gaat de rechtbank uit van het door de man gestelde netto maandinkomen van € 1.600.

De rechtbank zal, in lijn met het rapport van 2018, de draagkracht van [tweede echtgenote man] vaststellen aan de hand van de formule 70% [NBI – (0,3 x NBI + 920)]. Bij een NBI van € 1.600,00 resulteert dit in een draagkracht van € 140,00 per maand.

Verdeling kosten stiefkinderen

Bij een gebrek aan nadere informatie over de biologische vaders van de stiefkinderen, acht de rechtbank de biologische vaders in staat om in de helft van de behoefte van de stiefkinderen te voorzien, te weten € 58,- per maand (€ 115 gedeeld door twee). Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de man en mevrouw [tweede echtgenote man] in de andere helft van de behoefte van de twee stiefkinderen dienen te voorzien, te weten € 58,- per kind per maand.

Het deel van de behoefte van de (stief)kinderen waarin de man en [tweede echtgenote man] dienen te voorzien bedraagt € 115,- per maand voor beide kinderen samen.

Conform het Tremarapport verdeelt de rechtbank de draagkracht van de man en [tweede echtgenote man] naar rato van de behoefte van [minderjarige] , de jong-meerderjarige en de stiefkinderen. Hieruit volgt dat de man een draagkracht heeft van € 35,- per (stief)kind per maand. [tweede echtgenote man] heeft een draagkracht van € 70,- per kind per maand. Derhalve bedraagt de gezamenlijke draagkracht van de man en [tweede echtgenote man] in totaal voor beide (stief)kinderen € 210,- per maand.

Nu de totale draagkracht van de man en [tweede echtgenote man] de behoefte van de (stief)kinderen overschrijdt, dient een draagkrachtvergelijking te worden gemaakt. De behoefte van de (stief)kinderen wordt verdeeld volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht, vermenigvuldigd met de behoefte, oftewel:

eigen aandeel van de man: 70 / 210 x 115 = € 38,-

eigen aandeel van [tweede echtgenote man] : 140 / 210 x 115 = € 77,-

Derhalve komt van het deel van de behoefte van de (stief)kinderen waarin de man en [tweede echtgenote man] dienen te voorzien, een deel van € 38,- per maand, zijnde € 18,- per maand per stiefkind, voor de rekening van de man.

Nu de man voor de stiefkinderen een draagkracht heeft van in totaal € 70,- en hij slechts is gehouden om in € 38,- per maand te voorzien, houdt de man maandelijks € 32,- aan draagkracht over. Deze draagkracht zal gelijkelijk over de draagkracht van de man voor [minderjarige] en voor de jong-meerderjarige worden verdeeld, te weten € 19,- per persoon (€ 70 minus € 32 = € 38,- gedeeld door twee = € 19,-).

Verdeling kosten [minderjarige]

De behoefte van [minderjarige] bedraagt € 524,- per maand.

Conform het Tremarapport verdeelt de rechtbank de draagkracht van de man en de vrouw naar rato van de behoefte van [minderjarige] , de jong-meerderjarige en de stiefkinderen. Hieruit volgt dat de man voor [minderjarige] een draagkracht heeft van € 318,-. Zoals hierboven bepaald wordt deze draagkracht verhoogd met € 19,-. Derhalve bedraagt de draagkracht van de man voor [minderjarige] € 334,- per maand. De vrouw heeft voor [minderjarige] een draagkracht van € 140,- per maand. De gezamenlijke draagkracht bedraagt dus € 473,- per maand. De man en de vrouw zijn dus niet in staat om in de volledige behoefte van [minderjarige] te voorzien. Nu geen sprake is van zorgkorting, dienen zowel de man als de vrouw hun volledige draagkracht in te zetten. Derhalve komt van de totale behoefte [minderjarige] een gedeelte van € 334,- per maand per kind voor rekening van de man.

Verdeling kosten jong-meerderjarige

De behoefte van de jong-meerderjarige bedraagt € 722,- per maand. Conform het Tremarapport verdeelt de rechtbank de draagkracht van de man en de vrouw naar rato van de behoefte van [minderjarige] , de jong-meerderjarige en de stiefkinderen. Hieruit volgt dat de man een draagkracht voor de jong-meerderjarige heeft van € 438,-. Zoals hierboven bepaald wordt deze draagkracht verhoogd met € 19,-. Derhalve bedraagt de draagkracht van de man voor de jong-meerderjarige € 454,- per maand. De vrouw heeft een draagkracht van € 192,- per maand voor de jong-meerderjarige. De gezamenlijke draagkracht bedraagt dus € 646,- per maand. De man en de vrouw zijn dus niet in staat om in de volledige behoefte van de jong-meerderjarige te voorzien. Hieruit volgt dat zowel de man als de vrouw hun volledige draagkracht dienen in te zetten. Derhalve komt van de totale behoefte de jong-meerderjarige een gedeelte van € 454,- per maand per kind voor rekening van de man.

Aanhechten draagkrachtberekening alimentatie

De rechtbank heeft berekeningen gemaakt van het NBI van de vrouw en ten aanzien van de verdeling van de kosten van de kinderen. Deze berekeningen zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan deel uit.

Beslissing

De rechtbank – met wijziging in zoverre van de beschikking van 2 november 2016 en het ouderschapsplan van 26 september 2016 – :

bepaalt de door de man met ingang van 26 april 2018 te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van de jong-meerderjarige [jongmeerderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , op € 454,- per maand, vanaf heden telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

bepaalt de door de man met ingang van 26 april 2018 te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , op € 334,- per maand, vanaf heden telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. K.M. Braun in tegenwoordigheid van

mr. L. Lagerwerf als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 april 2018.