Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:10393

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
28-08-2018
Datum publicatie
30-08-2018
Zaaknummer
7092858 RL EXPL 18-16513
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Geen bevoegdheid kantonrechter bij beslissing in executiegeschillen, gemotiveerde afwijzing van het verzoek om over dit onderwerp een prejudiciële vraag te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Zittingsplaats ‘s-Gravenhage

HvB

Rolnr: 7092858 RL EXPL 18-16513

28 augustus 2018

Vonnis ex artikel 254 Rv in de zaak van:

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats] ,

eisende partij,

gemachtigde: [gemachtigde] ,

tegen

de naamloze vennootschap

ABN AMRO Bank N.V.,

statutair gevestigd en kantoorhoudende te Amsterdam,

gedaagde partij,

gemachtigde mr. M.T.O. Bakker, GGN.

Partijen worden hierna aangeduid als [eiseres] en ABNA.

1 Procedure

1.1

De kantonrechter heeft kennisgenomen van de dagvaarding met producties op de voet artikel 254 Rv. en van de door ABNA op 9 augustus 2018 toegestuurde conclusie van antwoord met bijlagen.

1.2

Op 14 augustus 2018 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt. [eiseres] is verschenen samen met haar gemachtigde. Namens ABNA is eveneens haar gemachtigde verschenen.

De gemachtigde van [eiseres] heeft gepleit overeenkomstig de door hem overgelegde pleitnotitie.

1.3

Vervolgens is de uitspraak van het vonnis bepaald op heden.

2 Feiten

2.1

Op 20 april 2011 heeft de enkelvoudige kamer van rechtbank Den Haag, afdeling civiel onder zaaknummer/rolnummer 373960 /HA ZA 10-3067 een tussen partijen gewezen vonnis (hierna het vonnis) uitgesproken.

In het vonnis is, onder meer, het navolgende overwogen en beslist:

“(…)

4.4.

[eiseres] heeft tot slot de hoogte van het verschuldigde saldo vermeerderd met rente

betwist, echter zonder daarvoor inhoudelijke argumenten aan te voeren. De rechtbank acht

dit verweer dan ook onvoldoende concreet onderbouwd, zeker in het licht van de

omstandigheid dat het openstaande kredietbedrag vermeld is in de brieven van Solveon van

2 juni 2004 en 25 januari 2005, toen [eiseres] nog op de [adres] woonde, het

rentepercentage uitdrukkelijk in de kredietovereenkomst wordt vermeld en uit de door de

bank bij gelegenheid van de comparitie overgelegde betalingsoverzichten — welke niet zijn

betwist — het beloop van de vordering genoegzaam blijkt.

4.5.

Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat de vordering van ABN Amro zal

worden toegewezen.

(…)

5. De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt [eiseres] om aan ABN Amro te betalen een bedrag van € 36.440,24

vermeerderd met de overeengekomen — en afhankelijk van de ontwikkelingen op de geld- en kapitaalmarkt tot het maximum van het besluit volgens artikel 35 en 36 van de Wet op het

consumentenkrediet aan te passen — rentevergoeding van thans 0,685% per maand, vanaf 16 augustus 2010 tot de dag van volledige betaling;

(…)”.

Het vonnis is in kracht van gewijsde gegaan omdat daartegen geen hoger beroep is ingesteld.

2.2

Bij exploot van betekening van 21 juni 2011 heeft ABNA het vonnis aan [eiseres] betekend.

Bij exploot van executoriaal derdenbeslag van 6 december 2011 heeft ABNA ten laste van [eiseres] beslag gelegd op alle voor zodanig beslag vatbare gelden onder het Uitvoeringsinstituut Werknemers te Den Haag (hierna ook: het UWV).

Al dan niet uit hoofde van dit executoriaal derdenbeslag heeft ABNA inmiddels ten laste van [eiseres] een bedrag van € 29.979,46 geïncasseerd.

2.3

Volgens de dagvaarding vordert ABNA in het kader van de executie van het vonnis nog een bedrag van EUR 25.765,26 van [eiseres] .

Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft de gemachtigde van ABNA ondubbelzinnig verklaard dat dat [eiseres] uit hoofde van het vonnis nog € 13.163,29 aan ABNA dient te voldoen en dat daarmee de hele vordering van ABNA op [eiseres] is voldaan. Op die wijze heeft ABNA over de gevorderde hoofdsom gedurende de hele periode niet meer rente gevorderd dan de rente die zij consumenten in rekening brengt.

3 Vordering

3.1

[eiseres] heeft bij dagvaarding gevorderd:

Primair:

- ABNA te bevelen tot opheffing van het op 6 december 2011 ten laste van [eiseres]

gelegde executoriaal derdenbeslag onder het UWV op alle voor zodanig beslag vatbare gelden, vorderingen en waardepapieren en/of roerende zaken (niet zijnde registergoederen), die de derde-beslagene onder zich heeft en/of uit een reeds nu bestaande rechtsverhouding rechtstreeks zal verkrijgen van [eiseres] ;

- ABNA te bevelen om de tenuitvoerlegging van het vonnis te staken;

Subsidiair

- bij hoge uitzondering en gelet op de bijzondere omstandigheden van het geval te verklaren voor recht, dat de bevoegdheid tot vordering van de bij het vonnis toegewezen rente op 13 december 2016, althans op een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen dag, is verjaard;

Zowel primair als subsidiair:

  • -

    ABNA te veroordelen tot betaling van een dwangsom van € 50.000,00, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen som, voor ieder(e) dag(deel), dat ABNA het te wijzen vonnis niet of niet integraal nakomt;

  • -

    ABNA te veroordelen in de proceskosten en gebruikelijke nakosten;

  • -

    dit één en ander, voor zover mogelijk, uitvoerbaar bij voorraad op alle dagen en uren.

3.2

Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft [eiseres] de kantonrechter

verzocht om aan de Hoge Raad de volgende prejudiciële vraag te stellen :

“Is de kantonrechter, die op grond van de Aanpassingswet modernisering rechterlijke

organisatie sinds 2002 onderdeel is van de rechtbank, bevoegd (tot het geven van een

voorziening) in een executiegeschil, indien de voorliggende rechterlijke uitspraak

betrekking heeft op een (aard)zaak als bedoeld in artikel 93, aanhef en onder a, b, c of d

Rv.?

[eiseres] heeft verder gevorderd dat de kantonrechter in afwachting van het antwoord van de Hoge Raad voorlopig beslist, dat de kantonrechter in het onderhavige executiegeschil bevoegd is (al dan niet gelet op de overvloed aan overeenkomstige jurisprudentie), en in afwachting van het antwoord van de Hoge Raad een (zeer) voorlopige beslissing neemt ten aanzien van het gevorderde.

3.3

[eiseres] heeft hieraan ten grondslag gelegd dat het vonnis betrekking heeft op een consumentenkredietovereenkomst van ten hoogste € 40.000,00 en dat de kantonrechter met ingang van 1 januari 2017 op grond van artikel 93, aanhef en onder c. Rv. de absoluut bevoegde rechter is ten aanzien van deze zaken.

Op de voet van artikel 254, eerste en vijfde lid in verband met artikel 438 Rv. is volgens [eiseres] daarom de kantonrechter thans de bevoegde rechter om in deze zaak een voorlopige voorziening te treffen.

3.4

[eiseres] stelt zich in dat kader op het standpunt dat de executie van het vonnis in elk geval geschorst dient te worden, omdat het vonnis berust op een misslag.

Die misslag bestaat, aldus [eiseres] , hieruit dat in het vonnis is verzuimd om ambtshalve te toetsen of het rentebeding in de tussen ABNA en [eiseres] gesloten kredietovereenkomst een oneerlijk beding is als bedoeld in Richtlijn 93/13/EEG (oneerlijke bedingen in consumenten overeenkomsten).

Volgens [eiseres] zou de uitkomst van die toetsing niet anders hebben kunnen zijn dan dat dat beding oneerlijk is, zodat het buiten toepassing dient te worden gelaten.

Subsidiair stelt [eiseres] zich op het standpunt dat de ABNA vanaf 13 december 2016 geen betaling van de tussen partijen overeengekomen rente meer kan vorderen omdat die rentevordering met ingang van die datum is verjaard.

3.5

ABNA heeft zich tegen de vordering en de standpunten van [eiseres] verweerd.

Op dat verweer zal hierna, voor zover, nodig worden ingegaan.

4 De beoordeling van de vordering

4.1

De kantonrechter stelt voorop dat het vragen van een prejudiciële beslissing aan de Hoge Raad op de voet van artikel 392 e.v. Rv. een bevoegdheid is van de rechter is en geen verplichting.

Voor het stellen van de door [eiseres] verzochte prejudiciële vraag ziet de kantonrechter in dit geval geen aanleiding.

4.2

De gemachtigde van [eiseres] heeft aangevoerd dat er een veelheid van vonnissen van kantonrechters bestaat, die zich op grond van artikel 438, tweede lid Rv. in samenhang met artikel 254, eerste en vijfde lid Rv. bevoegd achten om kennis te nemen van executiegeschillen ten aanzien van zaken waarbij de kantonrechter in de hoofdzaak absoluut bevoegd is op grond van artikel 93 Rv.

De gemachtigde van [eiseres] heeft gewezen op een tiental vonnissen van zeven verschillende kantongerechten. Dat is een (kleine) minderheid van het totaal van de kantongerechten in Nederland.

Wat betreft het enige vonnis van de kantonrechter te Den Haag van 28 januari 2015, waar de raadsman van [eiseres] naar verwijst, moet worden geconstateerd dat in die uitspraak geen kenbare aandacht is besteed aan het antwoord op de vraag of de kantonrechter wel bevoegd is van executiegeschillen kennis te nemen.

Verder is bij de mondelinge behandeling vast komen te staan, dat door de griffie van het kantongerecht Den Haag aan de gemachtigde uitdrukkelijk is meegedeeld dat deze zaak tot de absolute bevoegdheid van de rechtbank te Den Haag, afdeling civiel behoort en de zaak daar dus moest worden aangebracht. De gemachtigde van [eiseres] heeft echter uitdrukkelijk ervoor gekozen deze zaak toch aan te brengen bij de kantonrechter.

De gemachtigde van [eiseres] heeft verder nog verwezen naar een vijftal schrijvers, die de opvatting huldigen dat de kantonrechter de absoluut bevoegde rechter is in executiezaken, wanneer de kantonrechter in de hoofdzaak absoluut bevoegd is op grond van thans artikel 93 Rv.

Ook dat is een minderheid van de schrijvers, die zich gebogen hebben over de uitleg van het Nederlandse executie- en beslagrecht.

De kantonrechter ziet in dit alles geen reden om af te wijken van de hoofdlijn die zich in het Nederlandse recht aftekent en die inhoudt dat in alle executiezaken de afdeling civiel van de rechtbank de absoluut bevoegde rechter is om kennis te nemen van executiegeschillen zowel in kort geding als in bodemzaken.

4.3

Artikel 93 Rv. geeft duidelijk aan in welke zaken de kantonrechter absoluut bevoegd is.

Gelet op de tekst en uitleg van dat artikel is er geen overlap in de behandeling van zaken die ten gronde in eerste aanleg door de kantonrechter dan wel door de rechtbank, afdeling civiel worden behandeld.

Er is dus in wat betreft de behandeling van zaken ten gronde telkens maar één van de twee rechters in eerste aanleg bevoegd of de kantonrechter of de rechtbank, afdeling civiel.

Artikel 254 Rv. eerste en vierde lid geeft vervolgens de kantonrechter de beperkte bevoegdheid om voorlopige voorzieningen te treffen, uitsluitend in die zaken waarin de kantonrechter ten gronde bevoegd is. Daarbij moet worden opgemerkt dat het vierde lid van dat artikel vermeldt “ook de kantonrechter” zodat ook de voorzieningenrechter van de afdeling civiel van de rechtbank bevoegd blijft in die zaken.

Daaruit volgt dat in artikel 254, eerste lid Rv. in samenhang met het vierde lid van dat artikel een uitzondering wordt gemaakt op de hoofdregel dat voorlopige voorzieningen worden getroffen door de voorzieningenrechter van de rechtbank afdeling civiel.

Deze bepaling dient daarom beperkt te worden uitgelegd.

4.4

Vervolgens moet worden onderkend dat artikel 438, eerste lid Rv. de absolute bevoegdheid én de relatieve bevoegdheid voor de behandeling van alle executiegeschillen ten gronde regelt. Niets in die bepaling wijst op een verdeling van die absolute bevoegdheid tussen de rechtbank, afdeling civiel enerzijds en de kantonrechter anderzijds. Dat wil zeggen dat ook hier geen sprake is van enige overlap tussen executiegeschillen die ten gronde worden behandeld door de kantonrechter dan wel door de rechtbank afdeling civiel. Er is dus steeds één rechter absoluut bevoegd ter zake de behandeling van executiegeschillen ten gronde. Dit komt dus overeen met de algemene verdeling van de absolute bevoegdheid tussen de kantonrechter en de rechtbank, afdeling civiel, zoals hiervoor is uiteengezet.

Uit de eerste zin van het tweede lid van artikel 438 Rv. volgt slechts dat in een executiegeschil náást een voorziening ten gronde ook een voorlopige voorziening kan worden gevraagd bij de voorzieningenrechter van de volgens het eerste lid van dat artikel bevoegde rechtbank.

Nu in het eerste lid van artikel 438 Rv. zowel de absolute bevoegdheid als de relatieve bevoegdheid ten aanzien van executiegeschillen geheel aan de rechtbank, afdeling civiel is toegewezen, kan uit het gebruik van alleen het woord “voorzieningenrechter” zonder de toevoeging van de woorden “van de volgens het eerste lid bevoegde rechtbank” in de tweede zin van het tweede lid van artikel 438 Rv. niet worden afgeleid dat daarmee de beperkte uitzondering van artikel 254 eerste en vierde lid Rv. zich ook uitstrekt tot de behandeling van executiegeschillen in kort geding.

Dit wordt nog duidelijker indien wordt bedacht dat in het hele tweede boek van Rv. dat over tenuitvoerlegging gaat, steeds de rechtbank, afdeling civiel de absoluut bevoegde rechter in eerste aanleg is.

Dit betekent dat de kantonrechter niet bevoegd is om kennis te nemen van executiegeschillen noch ten gronde noch in kort geding.

4.5

De kantonrechter komt dus niet toe aan de beantwoording van de vraag of er in dit geval sprake is van een misslag dan wel van een “verkapt” hoger beroep en of in een executiegeschil de bevoegde rechter alsnog een beding uit de algemene voorwaarden die van toepassing zijn op een consumentenovereenkomst ambtshalve dient te toetsen, mede gezien rechtsoverweging 3.4.3 in het arrest Ebecek/Stichting Trudo, HR.26-2-2016, NJ 2017/214, waaruit wellicht kan worden afgeleid dat die verplichting niet bestaat met betrekking tot beslissingen die kracht van gewijsde hebben gekregen.

4.6

Evenmin komt de kantonrechter toe aan de beantwoording van de vraag of de rentevordering is verjaard, ondanks de omstandigheid dat ABNA de executie van het vonnis steeds heeft vervolgd door uit hoofde van het executoriaal derdenbeslag ten laste van [eiseres] onder het UWV maandelijks een bedrag een bedrag te ontvangen in mindering op haar vordering uit hoofde van het vonnis.

4.7

Dit alles leidt tot de volgende slotsom.

De kantonrechter zal geen prejudiciële vraag stellen aan de Hoge Raad ter zake de bevoegdheid van de kantonrechter wat betreft executiegeschillen.

De kantonrechter verklaart zich onbevoegd van de vordering kennis te nemen.

[eiseres] is daarmee ook het meest gebaat, nu zij snel een (voorlopige) voorziening in haar executiegeschil met de ABNA kan vragen aan de bevoegde rechter, te weten de rechtbank Den Haag, afdeling civiel.

De kantonrechter kan deze zaak ook niet rechtstreeks verwijzen naar de rechtbank Den Haag, afdeling civiel omdat in eerste aanleg geen rol bestaat voor de behandeling van voorlopige voorzieningen, zodat de onbevoegdheidsverklaring hier een eindbeslissing is.

Dat betekent wel dat partijen van dit vonnis in hoger beroep kunnen komen of (sprong)cassatie kunnen instellen en op die manier deze procedure als proefprocedure kunnen voortzetten, voor zover zij dit wensen. Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft de gemachtigde van [eiseres] aangegeven dat hij over deze kwestie overleg heeft gevoerd met een cassatieadvocaat.

4.8

Omdat ABNA in verband met het voeren van dit executiegeschil haar restantvordering op [eiseres] ongeveer heeft gehalveerd, zijn partijen toch te beschouwen als op enig punt over en weer in het ongelijk te zijn gesteld. De proceskosten worden daarom zodanig gecompenseerd dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De kantonrechter,

rechtdoende in kort geding:

- verklaart zich niet bevoegd van de vordering kennis te nemen;

- compenseert de proceskosten zodanig dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.C. Heuveling van Beek, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 augustus 2018, in tegenwoordigheid van de griffier.