Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:10387

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
21-08-2018
Datum publicatie
10-10-2019
Zaaknummer
6720382 RL EXPL 18-4883
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Uitvoering incasso-opdracht, geen schending informatie- en verantwoordingsplicht, betalingsverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats ’s-Gravenhage

Rolnr.: 6720382 RL EXPL 18-4883

Datum vonnis: 21 augustus 2018

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

TROOST TRANSPORT MIDDELHARNIS B.V.,

gevestigd te Middelharnis, gemeente Goeree-Overflakkee,
eiseres in conventie, verweerster in reconventie,
gemachtigde: mr. E.A. Meijboom,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

INVORDERINGSBEDRIJF B.V.,

gevestigd te Den Haag,

gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,
gemachtigde: [gemachtigde 1] .

Partijen worden hierna aangeduid als “Troost” en “IVB”.

1 Procedure

1.1.

De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende stukken:

  • -

    de dagvaarding van 8 maart 2018, met producties van Troost;

  • -

    de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie, met producties van IVB.

1.2.

Op 18 juni 2018 heeft een comparitie van partijen plaatsgevonden. Namens Troost is verschenen de heer [betrokkene 1] , vergezeld van mevrouw [betrokkene 2] en bijgestaan door mr. E.A. Meijboom. Namens IVB is verschenen [gemachtigde 2] . Van het verhandelde ter zitting zijn door de griffier aantekeningen gemaakt, die zich in het griffiedossier bevinden. Vervolgens is de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden.

2 Feiten

2.1.

IVB houdt zich bezig met het in opdracht incasseren van openstaande vorderingen. Op 11 januari 2017 heeft Troost met IVB een “serviceovereenkomst incasso premium” gesloten (hierna: de overeenkomst). De overeenkomst hield – kort gezegd – in dat IVB op basis van een abonnementsconstructie de door Troost aangebrachte incasso-opdrachten uitvoert tegen een vergoeding op een “no cure no pay” basis. Ook hield de overeenkomst in dat IVB desgewenst juridische bijstand verleent tegen andere (gereduceerde) tarieven indien het buitengerechtelijke incasso-traject niet succesvol is.

2.2.

In de overeenkomst is voorts – voor zover van belang – het volgende opgenomen:

“(…)

Online Tool

Via de online Tool volgt u 24/7 de voortgang van uw dossiers, meldt u nieuwe vorderingen aan, plaatst u opmerkingen en kunt u betalingen doorgeven.

(…)”

2.3.

In de op de overeenkomst van toepassing zijnde algemene voorwaarden (“Algemene Leveringsvoorwaarden van het Invorderingsbedrijf per 1 januari 2011”) is – voor zover van belang – het volgende opgenomen:

“(…)

24 Online Credit Management Tool

24.1

In het kader van een opdracht tot incasso heeft Client het niet-exclusieve en niet-overdraagbare recht om gebruik te maken van de online credit management tool van het Invorderingsbedrijf. Dit gebruiksrecht van Client omvat slechts het recht de online credit management tool voor eigen gebruik te laden en uit te voeren. (…). 24.3 het Invorderingsbedrijf is niet verantwoordelijk voor controle van de juistheid en volledigheid van de door Client bij gebruik van de online credit management tool gehanteerde (incasso)gegevens, noch voor controle van de juistheid en volledigheid van de resultaten van het gebruik van de online credit management tool. Client zal deze gegevens en resultaten zelf controleren. (…)”

2.4.

Bij factuur van 4 september 2017 heeft IVB Troost een bedrag van € 2.242,94 in rekening gebracht voor een door haar op basis van de overeenkomst verleende incasso-service. Deze factuur is gedeeltelijk onbetaald gebleven. Het openstaande saldo daarop bedraagt thans € 1.719,21.

2.5.

Bij e-mail van 4 september 2017 heeft Troost IVB verzocht om – met betrekking tot alle debiteuren waartegen IVB namens Troost optreedt – alle (proces-)stukken die IVB heeft geproduceerd alsmede alle rolberichten aan haar ter beschikking te stellen. Tevens heeft Troost IVB in die e-mail bericht dat zij haar betalingsverplichtingen jegens IVB opschort zolang Troost niet over die stukken beschikt.

2.6.

Bij brief van 15 november 2017 heeft Troost IVB verzocht om binnen 5 werkdagen na die datum een overzicht van de zaken die IVB voor Troost behartigt (inclusief een overzicht van de stand van zaken in die dossiers), alsmede alle stukken die IVB ten behoeve van Troost heeft geproduceerd (correspondentie, processtukken, eventuele vonnissen, rolberichten etc.) aan Troost te beschikking te stellen. Tevens wordt IVB in die brief verzocht om te stoppen met verrekeningen.

2.7.

Bij e-mail van 7 maart 2018 heeft Troost de overeenkomst buitengerechtelijk ontbonden. Die e-mail vermeldt tevens dat IVB niet is ingegaan op de herhaalde verzoeken van Troost tot overlegging van stukken.

2.8.

Bij factuur van 8 maart 2018 heeft IVB Troost een bedrag van € 827,27 in rekening gebracht voor een door haar op basis van de overeenkomst verleende incasso-service. Troost heeft deze factuur niet betaald.

2.9.

Bij factuur van 12 april 2018 heeft IVB Troost een bedrag van € 104,50 in rekening gebracht voor een door haar op basis van de overeenkomst verleende incasso-service. Ook deze factuur is onbetaald gebleven.

2.10.

Bij brief van 30 april 2018 heeft IVB Troost aangemaand tot betaling van bovenvermelde factuurbedragen ad (€ 1.719,21 + € 827,27 + € 104,50 =)

€ 2.650,98, vermeerderd met de wettelijke handelsrente ad € 325,26, de buitengerechtelijke incassokosten ad (€ 40,-- + € 530,20 =) € 570,20 en BTW over die buitengerechtelijke incassokosten ad € 119,74, in totaal dus van € 3.666,18. Deze aanmaning heeft niet tot betaling geleid.

3 Vordering, grondslag en verweer

In conventie

3.1.

Troost vordert in conventie - kort en zakelijk weergegeven - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad om:

  1. voor recht te verklaren dat de overeenkomst per 7 maart 2018 als ontbonden dient te worden beschouwd;

  2. IVB op te dragen om alle stukken welke sinds 11 januari 2017 zijn opgesteld in het kader van de dienstverlening voor Troost binnen vijf dagen na dagtekening van dit vonnis, per dossier chronologisch gerangschikt en voorzien van de juiste, bijbehorende facturen en verrekeningoverzichten, aan Troost ter beschikking te stellen, op straffe van een dwangsom;

  3. IVB te veroordelen in de buitengerechtelijke incassokosten;

  4. IVB te veroordelen in de proceskosten;

  5. IVB te veroordelen in de nakosten.

3.2.

Troost legt aan deze vordering het volgende ten grondslag. IVB heeft op basis van de overeenkomst incassowerkzaamheden voor Troost gedaan. IVB heeft geen enkel inzicht gegeven in de wijze waarop zij deze dienstverlening heeft verricht. Daarnaast heeft zij er een voor Troost ondoorzichtige wijze van financiële afwikkeling op na gehouden, waarbij allerlei extra kosten in rekening werden gebracht en verrekeningen werden uitgevoerd. Troost heeft daarom de door IVB verrichte werkzaamheden kwalitatief en kwantitief niet kunnen inzien, waardoor zij haar betalingsverplichtingen ook niet heeft kunnen vaststellen. IVB heeft zodoende in strijd gehandeld met de artikelen 7:401 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), 7:402 lid 1 BW en in het bijzonder de artikelen 7:403 leden 1 en 2 BW en is dus toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichting uit de overeenkomst. Troost heeft IVB (onder meer) bij brief van 15 november 2017 gesommeerd tot terbeschikkingstelling aan haar van de verzochte onderliggende stukken. IVB heeft niet binnen de daarvoor gestelde termijn aan dat verzoek voldaan, waardoor zij daarmee in verzuim is getreden. Omdat IVB kosten heeft moeten maken ter voldoening van de vordering buiten rechte, vordert Troost daarnaast een door de kantonrechter vast te stellen bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten.

3.3.

IVB voert verweer.

In reconventie

3.4.

IVB vordert in reconventie - kort en zakelijk weergegeven - bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

  1. Troost te veroordelen tot betaling aan IVB van € 3.666,18, vermeerderd met de wettelijke handelsrente over € 2.650,98;

  2. Troost te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente;

  3. Troost te veroordelen in de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.5.

IVB legt aan haar vordering het volgende ten grondslag. IVB heeft op basis van de overeenkomst incassowerkzaamheden voor Troost verricht. IVB heeft Troost voor haar incassowerkzaamheden de volgende bedragen in rekening gebracht:

Factuurnummer Datum: Vervaldatum: Bedrag:

12727622 04-09-2017 18-09-2017 € 1.719,21

100230782 08-03-2018 22-03-2018 € 827,27

100231030 12-04-2018 26-04-2018 € 104,50

Totaal: € 2.650,98

Troost heeft deze facturen niet binnen de daarvoor gesteld termijn betaald en verkeert sinds het verstrijken van die termijnen in verzuim. IVB heeft Troost bij brief van 30 april 2018 gesommeerd tot betaling van de hoofdsom ad € 2.650,98, vermeerderd met de wettelijke handelsrente ad € 325,26, de buitengerechtelijke incassokosten ad (€ 40,-- + 530,20 =)

€ 570,20 en BTW over die buitengerechtelijke incassokosten ad € 119,74, in totaal dus van € 3.666,18. Troost heeft tot op heden dit bedrag niet betaald.

3.6.

Troost voert verweer.

3.7.

Op de stellingen over en weer in conventie en reconventie zal hierna, voor zover van belang, nader worden ingegaan.

4 Beoordeling

in conventie

4.1.

Ter zitting zijn partijen, nu IVB vanaf 7 maart 2018 geen incassowerkzaamheden meer voor Troost heeft verricht, het erover eens geworden om de overeenkomst per die datum als ontbonden te beschouwen. De door Troost gevorderde verklaring voor recht zal, nu Troost reeds vanwege het voorgaande daar geen belang meer bij heeft, worden afgewezen.

4.2.

De vraag die ter beantwoording voorligt, is of IVB in strijd heeft gehandeld met de op haar rustende informatieplicht en/of rekening- en verantwoordingsplicht jegens Troost. Het bepaalde in artikel 7:403 leden 1 en 2 BW is een uitwerking van de norm van artikel 7:401 BW (goed opdrachtnemerschap). Op grond van artikel 7:403 lid 1 BW rusten op de opdrachtnemer informatieverplichtingen. De opdrachtnemer dient op grond hiervan desgevraagd inlichtingen te verschaffen. Ingevolge lid 2 van artikel 7:403 BW moet de opdrachtnemer ook het hoe en waarom van zijn handelen aangeven en financiële rekenschap afleggen, voor zover hij voor rekening van de opdrachtgever gelden heeft uitgegeven of ontvangen. Voor wat betreft de contractuele relatie tussen Troost en IVB komen de informatie- en verantwoordingsplicht tezamen erop neer dat IVB feitelijke informatie dient te geven aan Troost over het werk dat zij heeft verricht en dat werk dient te verantwoorden. De inhoud van deze samenhangende verplichtingen is afhankelijk van de aard van de opdracht en de verhouding tussen partijen, en wordt begrensd door wat tegen die achtergrond in redelijkheid van IVB kan worden verlangd.

4.3.

Troost ontkent niet het door IVB gestelde dat zij conform de overeengekomen voorwaarden en tarieven heeft gefactureerd aan Troost en dat zij facturen (eventueel met de daarbij behorende urenspecificaties) en verrekeningsoverzichten van IVB heeft ontvangen. Het verwijt dat zij IVB maakt is dat IVB voor zeer hoge bedragen heeft gefactureerd, terwijl zij niet kan nagaan of het door IVB verrichte werk de gefactureerde bedragen rechtvaardigen. Dat komt volgens haar omdat IVB haar onvoldoende informatie heeft gegeven over het (feitelijke) werk dat IVB heeft verricht ter uitvoering van de door haar gegeven incasso-opdrachten. Troost stelt dat zij alle stukken die zijn opgesteld in het kader van de door haar gegeven incasso-opdrachten nodig heeft om de gefactureerde bedragen te kunnen beoordelen. IVB weigert die stukken aan haar ter beschikking te stellen en handelt zodoende in strijd met haar informatie- en verantwoordingsplicht jegens Troost.

4.4.

IVB betwist dat zij niet heeft voldaan aan haar informatie- en verantwoordingsplicht. Zij voert aan dat zij alle stukken die verband houden met de door Troost gegeven incasso-opdrachten heeft gescand en geüpload in haar online portal. Troost heeft sinds het begin van hun contractuele relatie toegang gehad tot die online portal en kon dus te allen tijde die stukken bekijken. Verder heeft zij Troost ook per e-mail op de hoogte gehouden van de voortgang van haar dossiers en over de te nemen stappen in de diverse trajecten. IVB heeft nooit eerder gehoord dat Troost (meer) informatie behoefde. Ook heeft zij nooit vernomen dat de informatie op de online portal niet te volgen is. IVB heeft haar pas op 4 september 2018 voor het eerst verzocht om “alle stukken” te overleggen. IVB meent dat dat verzoek onredelijk is, omdat dat zou betekenen dat IVB een hele “archiefkast” aan Troost ter beschikking had moeten stellen, terwijl Troost al die stukken in de online portal kon zien.

4.5.

De kantonrechter oordeelt als volgt. De door IVB gestelde informatieverschaffing vindt steun in de door haar overgelegde producties (productie 5 tot en met 7 bij de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie). Daarin is te zien dat IVB Troost per e-mail en/of via de online portal (onder meer) heeft geïnformeerd over de aanmelding van diverse incasso-zaken, de voortgang van bepaalde incasso-zaken gedurende het incasso-traject, de in de online portal geüploade inkomende en uitgaande documenten, bepaalde bij de rechtbank aangebrachte incasso-zaken, de voortgang van die incasso-zaken gedurende het gerechtelijke traject en de voortgang gedurende het executietraject. Ook blijkt daaruit dat Troost per e-mail of via de online portal is geïnformeerd over de te nemen stappen gedurende het gerechtelijke en executietraject en de kosten die daarmee gemoeid zijn. Tegenover deze onderbouwde betwisting aan de kant van IVB heeft Troost enkel (ongemotiveerd) gesteld dat de informatie in de online portal onoverzichtelijk is. Dit is echter onvoldoende om te onderbouwen dat IVB niet of in onvoldoende mate informatie heeft gegeven over het werk dat zij heeft verricht. Onduidelijk is immers gebleven waarom de door IVB verschafte informatie niet genoegzaam was om de facturen te kunnen beoordelen en/of welke additionele informatie IVB had moeten verschaffen om dat mogelijk te maken. Gelet op de onderbouwde betwisting aan de kant van IVB, had het op de weg van Troost gelegen om haar stelling dat IVB haar informatie- en verantwoordingsplicht heeft geschonden nader met feiten te onderbouwen. Nu zij dat heeft nagelaten, dient haar stelling dat IVB in strijd heeft gehandeld met de artikelen 7:403 leden 1 en 2 BW te worden verworpen.

4.6.

Troost beroept zich ook op artikel 7:402 lid 2 BW. Het bepaalde in dat artikel biedt echter geen grondslag voor het door Troost gevorderde terbeschikkingstelling van stukken. Dat artikel ziet immers op de verplichting van de opdrachtnemer (IVB) om gevolg te geven aan aanwijzingen van de opdrachtgever (Troost) omtrent de uitvoering van de (incasso)opdrachten. Die situatie is hier niet aan orde.

4.7.

Nu niet is gebleken dat IVB in strijd heeft gehandeld met artikel 7:403 leden 1 en 2 en ook niet dat IVB op een andere wijze haar zorgplicht als opdrachtnemer heeft geschonden (7:401 BW), zal de vordering van Troost om IVB op te dragen om alle stukken die zijn opgesteld in het kader van de dienstverlening voor Troost aan haar ter beschikking te stellen worden afgewezen.

4.8.

Troost zal als de in het ongelijk gestelde partijen in de proceskosten worden veroordeeld. De proceskosten aan de zijde van IVB worden begroot op € 200,-- aan salaris voor de gemachtigde van IVB.

in reconventie

4.9.

IVB vordert in reconventie dat Troost wordt veroordeeld tot voldoening aan haar van een drietal openstaande facturen. Zij stelt dat Troost haar betalingsverplichting met betrekking tot de door haar op basis van de uitgevoerde incasso-opdrachten niet nakomt. Troost betwist niet dat zij die facturen niet heeft betaald. Zij voert aan dat zij gerechtigd is om haar betalingsverplichting op te schorten (artikel 6:262 lid 1 BW), omdat IVB de door haar verzochte informatie (stukken die zijn opgesteld in het kader van de dienstverlening voor Troost) niet aan haar heeft verschaft met als gevolg dat zij niet kan vaststellen of de factuurbedragen gerechtvaardigd zijn. De kantonrechter oordeelt als volgt.

4.10.

Ter comparitie heeft Troost niet betwist dat IVB conform de overeengekomen voorwaarden en tarieven heeft gefactureerd. Ook heeft zij niet gesteld dat de facturen (en de daarbij behorende urenspecificaties) inhoudelijk onjuistheden bevatten. Troost heeft over dit punt enkel haar stelling herhaald dat IVB eerst haar informatieverplichting moet nakomen door haar te voorzien van de door haar verzochte onderliggende stukken. Onder 4.5 is reeds geoordeeld dat niet is gebleken dat IVB haar informatie- en verantwoordingsplicht heeft geschonden. IVB heeft gemotiveerd aangevoerd dat de door Troost verzochte stukken op de online portal beschikbaar waren. Ook ten aanzien van de drie onbetaalde facturen geldt dus dat onduidelijk is gebleken welke informatie Troost nog nodig had om de facturen te kunnen beoordelen. Nu Troost verder geen inhoudelijke onjuistheden in die facturen en de urenspecificaties heeft aangevoerd en voor het overige geen andere verweren daartegen heeft ingebracht, wordt het door Troost gedane beroep op een haar toekomend opschortingsrecht als onvoldoende onderbouwd verworpen.

4.11.

Aangezien Troost de hoogte van de facturen en de gevorderde handelsrente daarover niet heeft betwist, zal de kantonrechter die vorderingen van IVB als op de wet gegrond toewijzen voor een bedrag in hoofdsom van € 2.650,98 en een bedrag van € 325,26 aan wettelijke handelsrente.

4.12.

IVB maakt daarnaast aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten (interne en externe invorderingskosten). De kantonrechter stelt vast dat IVB voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Ook stelt de kantonrechter vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is nu het verzuim op/na 1 juli 2012 is ingetreden. Het gevorderde bedrag aan externe invorderingskosten is hoger dan het in het Besluit bepaalde tarief. De kantonrechter zal het bedrag toewijzen tot het wettelijke tarief ad € 390,10. Aan buitengerechtelijke incassokosten zal gelet op dit alles een totaalbedrag van (€ 40,-- + € 390,10) + € 90,32 (21% BTW) = € 520,42 worden toegewezen.

4.13.

De slotsom is dat een bedrag van in totaal (€ 2.650,98 + € 325,26 + € 520,42 =)

€ 3.496,66 zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke handelsrente over

€ 2.650,98 vanaf 29 mei 2018.

4.14.

Troost zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De proceskosten aan de zijde van IVB worden begroot op € 350,-- aan salaris voor de gemachtigde van IVB.

5 Beslissing

De kantonrechter:

in conventie

5.1.

wijst de vorderingen van Troost af;

5.2.

veroordeelt Troost in de proceskosten, tot deze uitspraak aan de kant van IVB begroot op € 200,-- aan salaris voor de gemachtigde van IVB, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

5.3.

veroordeelt Troost tot betaling van een bedrag van € 100,- aan nog te maken nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad voor wat betreft de proceskosten;

in reconventie

5.5.

veroordeelt Troost om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan IVB te voldoen een bedrag van € 3.496,66 te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over € 2.650,98 vanaf 29 mei 2018 tot de dag van algehele voldoening;

5.6.

veroordeelt Troost in de proceskosten, tot deze uitspraak aan de kant van IVB begroot op € 350,-- aan salaris voor de gemachtigde van IVB, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

5.7.

veroordeelt Troost tot betaling van een bedrag van € 100,- aan nog te maken nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

5.8.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.9.

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. A.J. Martijn en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 augustus 2018.