Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:10336

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
29-08-2018
Datum publicatie
29-08-2018
Zaaknummer
09/827691
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verkrachting? Niet de subjectieve beleving van de dader (of het slachtoffer), maar vooral de aard en verschijningsvorm van de handelingen zijn van beslissende betekenis voor het oordeel of de gedraging onder artikel 242 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) valt. Het zonder toestemming van aangeefster door verdachte brengen van zijn vinger in de vagina van aangeefster heeft naar het oordeel van de rechtbank onmiskenbaar een seksuele strekking. Dat verdachte geen seksuele bedoeling zou hebben gehad, doet daaraan niet af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2019/45
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummers: 09/827691-17 en 09/837096-18 (ttz gevoegd)

Datum uitspraak: 29 augustus 2018

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte]

[geboortedatum] 1982 [geboorteplaats] ,

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting Alphen aan den Rijn te Alphen aan den Rijn.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 28 februari 2018 (pro forma), 22 mei 2018 (pro forma) en 15 augustus 2018 (inhoudelijk).

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. C.C.E.T. Ceuninck van Capelle – Willems en van hetgeen door verdachte en zijn raadsman mr. A.B. Baumgarten naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

Parketnummer 09/827691-17

1.

hij op of omstreeks 18 november 2017 te Delft door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten door

- het tegen [slachtoffer 1] zeggen/schreeuwen van de woorden "Trek nu al je kleding uit, ik wil je nu, als je dat niet doet, pak ik een mes en steek ik die in je buik." en/of "doe die broek uit of ik vermoord je" en/of "of ik vermoord je of we gaan seks hebben voordat de politie komt", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of

- het uittrekken van de kleding van die [slachtoffer 1] en/of

- het drukken van een glas in het gezicht van die [slachtoffer 1] en/of

- het proberen een mes uit de keukenlade te pakken,

[slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] immers heeft hij, verdachte, één of meerdere vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer 1] gebracht/geduwd;

2.

hij op of omstreeks 18 november 2017 te Delft ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid te weten door

- het tegen [slachtoffer 1] zeggen/schreeuwen van de woorden "Trek nu al je kleding uit, ik wil je nu, als je dat niet doet, pak ik een mes en steek ik die in je buik." en/of "doe die broek uit of ik vermoord je" en/of "of ik vermoord je of we gaan seks hebben voordat de politie komt", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of

- het uittrekken van de kleding van die [slachtoffer 1] en/of

- het drukken van een glas in het gezicht van die [slachtoffer 1] en/of

- het proberen een mes uit de keukenlade te pakken,

[slachtoffer 1] te dwingen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] , door

- het duwen/steken van zijn penis in/tegen de vagina van die [slachtoffer 1] ,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij op of omstreeks 18 november 2017 te Delft zijn (ex)vrouw/echtgenote, te weten [slachtoffer 1] , heeft mishandeld door meermalen, althans eenmaal, (met de vuist) in/tegen het gezicht en/of op/tegen het hoofd te slaan en/of bij de armen beet te pakken en/of (met kracht) op/tegen het lichaam te duwen en/of te schoppen;

4.

hij op of omstreeks 18 november 2017 te Delft ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met dat opzet die [slachtoffer 2] met kracht een kopstoot op/tegen de mond, in elk geval in/tegen het gezicht, te geven, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 18 november 2017 te Delft [slachtoffer 2] heeft mishandeld door met kracht die [slachtoffer 2] een kopstoot op/tegen de mond, in elk geval in/tegen het gezicht te geven;

5.

(parketnummer 09/837096-18; ttz gevoegd)

hij op of omstreeks 14 december 2017 te Alphen aan den Rijn en/of Delft, althans in Nederland, [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 1] dreigend de woorden toe te voegen

"want als ik naar buiten kom, echt waar, jij zult geen leven hebben. Geen leven. En ik heb je verteld. En kijk .. ik zal jou een kogel geven, geen mes maar een kogel. En de kut van je moeder" en/of

"als ik hier op eigen kracht weg ga, dan krijg je een kogel door je hoofd, echt waar" en/of "ik zal hier wegkomen. Ik ben niet voor altijd opgesloten. Ik heb niemand gedood. Zelfs als iemand die ander dood maakt, die krijgt 9 jaar" en/of

"ik wil mijn kinderen opvoeden. Als je dat niet doet, dan zal ik je een kogel geven in je hoofd al de kinderen naar school zijn gegaan, zal ik wachten en dan doe ik je een kogel in je hoofd. Echt waar. Een wapen kan ik voor 300 of 400 kopen. Zet mij niet daar toe",

althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft – overeenkomstig de inhoud van het door haar ter terechtzitting overgelegde schriftelijke requisitoir – gevorderd dat de onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde feiten bewezen zullen worden verklaard.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van de onder 1, 2 en 4 ten laste gelegde feiten.

Daartoe is wat betreft feit 1 aangevoerd dat verdachte met het brengen van zijn vinger in de vagina van aangeefster [slachtoffer 1] slechts wilde controleren of zij was vreemdgegaan, zodat geen sprake is van ‘seksueel binnendringen’. Bovendien heeft het binnendringen niet met (bedreiging met) geweld plaatsgevonden.

Met betrekking tot feit 2 is aangevoerd dat verdachte ontkent dat hij heeft geprobeerd aangeefster te verkrachten. Voor de aanwezigheid van DNA-materiaal van aangeefster op zijn penis heeft verdachte een alternatieve verklaring gegeven. Hij heeft met zijn vinger die hij in de vagina van aangeefster had gebracht zijn penis aangeraakt. Het celmateriaal op de penis bestaat waarschijnlijk uit huidcellen van aangeefster, die dus op andere wijze dan door (poging tot) verkrachting op zijn penis zijn terechtgekomen.

Als de rechtbank van oordeel is dat sprake was van een begin van uitvoering, is aangevoerd, zo begrijpt de rechtbank, dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Dit enerzijds omdat hem een geslaagd beroep toekomt op vrijwillige terugtred, aangezien verdachte uit eigen beweging had besloten om te stoppen met zijn handeling. Anderzijds was sprake van een absoluut ondeugdelijke poging, omdat je met een slappe penis niet kunt penetreren.

Het onder 4 ten laste gelegde kan niet worden bewezen, in primaire noch in subsidiaire zin. Er is onvoldoende bewijs dat verdachte door het geven van een kopstoot zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat aangever [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Bovendien is met betrekking tot de subsidiair ten laste gelegde, eventueel wel te bewijzen, mishandeling, sprake van zelfverdediging, omdat verdachte eerst door aangever op zijn hoofd werd geslagen met een sleutelbos, waarna hij aangever heeft geslagen.

De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank voor wat betreft de onder 3 en 5 ten laste gelegde feiten.

3.3

De beoordeling van de tenlastelegging

3.3.1.

De feiten onder parketnummer 09/827691-17

Het bewijs 1

De aangifte van [slachtoffer 1]

Aangeefster heeft verklaard dat verdachte, met wie zij drie kinderen heeft, op 18 november 2017, omstreeks 21.45 uur, aanbelde bij haar flatwoning aan de [adres 2] in Delft. Zij was op dat moment in de woning samen met de kinderen en een vriend genaamd [slachtoffer 2] . Verdachte schreeuwde: “Open de deur” en aangeefster hoorde gebeuk tegen de voordeur. Aangeefster was erg bang dat verdachte haar of haar kinderen iets zou aandoen. Ze hoorde dat de voordeur open ging en zag dat verdachte de woning binnenkwam. Aangeefster rende naar buiten toe, de galerij op richting het trappenhuis van de flat. Daar wachtte ze op de lift en belde ze de politie. Vanuit het trappenhuis zag aangeefster dat verdachte haar woning uit kwam en dat hij [slachtoffer 2] vast had bij zijn kleding. Verdachte trok [slachtoffer 2] uit de woning, de galerij op. Nadat [slachtoffer 2] wist los te komen van verdachte, rende hij naar het trappenhuis en vervolgens via de trap naar beneden. Aangeefster wist een lift te bereiken, maar net voordat de liftdeuren sloten, wist verdachte die lift eveneens in te komen. Tijdens het naar beneden gaan van de lift sloeg verdachte aangeefster meermalen met zijn rechter vuist tegen haar gezicht en tegen haar hoofd. Zij voelde daardoor hevige pijn aan haar gezicht en hoofd. Verdachte drukte vervolgens op de knop in de lift, zodat de lift weer naar boven ging. Op de vijfde etage ging de lift open en verdachte wilde dat aangeefster de lift uit kwam. Toen zij dat niet deed, pakte verdachte haar vast bij haar armen en trok haar met kracht de lift uit. Ook gaf verdachte aangeefster een duw, waardoor zij tegen de deur van de galerij kwam en hevige pijn aan haar rug voelde. Aangeefster schreeuwde om hulp. Verdachte pakte haar vast en sleurde haar mee naar haar woning. Hij trok haar de woning in en deed direct de voordeur dicht. Verdachte schreeuwde tegen haar: “Trek nu al je kleding uit, ik wil je nu, als je dat niet doet, pak ik een mes en steek ik die in je buik.” Aangeefster wilde haar kleding niet uittrekken, maar verdachte probeerde het zelf te doen. Aangeefster schreeuwde naar verdachte dat hij moest stoppen. Verdachte zei dat hij wilde checken of ze seks met een ander had gehad en deed bij aangeefster haar rok omhoog en deed de broek en onderbroek die zij daaronder droeg omlaag. Verdachte stopte vervolgens een vinger in haar vagina.2

Het letsel van aangeefster [slachtoffer 1]

Tijdens het opnemen van de aangifte op 18 november 2017 zag verbalisant [naam] dat er sporen van bloed op de lippen van aangeefster zaten en dat er een verdikking dan wel zwelling aan de linkerzijde van het voorhoofd van aangeefster aanwezig was.3

Op 19 november 2017 is aangeefster op de spoedeisende hulp lichamelijk onderzocht, waarbij is geconstateerd dat aangeefster over haar lichaam verschillende kneuzingen had en wonden op haar beide lippen.4

De aangifte van [slachtoffer 2]

Aangever heeft verklaard dat hij op 18 november 2017 in de woning van [slachtoffer 1] was toen verdachte voor de deur stond. [slachtoffer 1] hoorde gebonk op de deur en hij zag dat de deur op een gegeven moment open ging. Verdachte pakte hem bij de kraag van zijn overhemd en gaf hem een kopstoot, waarbij [slachtoffer 1] op zijn mond werd geraakt en waardoor een tand door zijn lip ging en vier tanden los raakten. [slachtoffer 1] werd door verdachte vastgehouden. [slachtoffer 1] zei daarop tegen [slachtoffer 2] dat ze moest wegrennen. Hij zag dat zij naar de lift rende en dat verdachte haar achterna ging. Hij zag dat verdachte de lift in ging en dat hij [slachtoffer 1] sloeg en schopte. Vervolgens is [slachtoffer 2] via het trappenhuis naar beneden gerend en in de richting van het politiebureau gerend. Onderweg heeft hij een politieauto doen stoppen en verteld dat ze naar de [adres 2] moesten gaan omdat er iemand werd mishandeld.5

De 112-meldingen

[verbalisant] heeft twee geluidsopnamen van 112-meldingen beluisterd, die betrekking hebben op het gebeuren op 18 november 2017 in/bij de woning van aangeefster.

Uit het eerste geluidsfragment van een melding die is gedaan op 18 november 2017, omstreeks 21.53 uur, blijkt dat de meldster (vermoedelijk aangeefster) naar 112 belt en daarbij de locatie ‘ [adres 2] , fifth floor’ doorgeeft. Verbalisant hoort op de opname van dit gesprek geschreeuw van een man op de achtergrond.

Uit het tweede geluidsfragment van een melding die is gedaan op 18 november 2017, omstreeks 21.57 uur, blijkt dat de meldster doorgeeft dat haar bovenbuurvrouw in elkaar geslagen wordt. De meldster zegt dat zijzelf op [adres 2] woont en dat het gaat om de buurvrouw van [adres 2] , op de vijfde verdieping. Meldster zegt dat het al vijf minuten aan de gang is, dat er eerst ruzie was met een man, waarop de vrouw wegging, maar dat de man haar heeft teruggehaald. De deur is vervolgens keihard dichtgegaan, maar er wordt nog geschreeuwd en geslagen. Verbalisant hoort op de achtergrond van de opname van dit gesprek flink gebonk en geschreeuw.6

De verklaring van [getuige]

heeft verklaard dat hij vanuit zijn woning aan de [adres 2] een ruzie hoorde, waarna hij op de galerij is gaan kijken. Hij zag dat een vrouw en een man ruzie hadden en dat zij zich naar de hal bij de lift begaven. De man schopte en sloeg de vrouw, waarna zij beiden de lift in gingen. De vrouw woont op nummer 86. Toen de vrouw (de rechtbank begrijpt: aangeefster) en de man enige tijd later de lift weer uit kwamen, zag [getuige] dat aangeefster door de man werd geschopt en geslagen en dat die man haar ook tegen de galerijdeur duwde. Aangeefster en de man liepen richting haar woning en getuige zag dat aangeefster huilde. De man schreeuwde hard. Nadat aangeefster en de man de woning in gingen, hoorde getuige dat de ruzie binnen doorging.

De man die door de politie is aangehouden, is de man die aangeefster heeft mishandeld.7

De bevindingen van de politie en de aanhouding van verdachte

Op 18 november 2017 kregen verbalisanten [naam] en [naam] opdracht om te gaan naar de woning aan de [adres 2] te Delft waar een vrouw zou worden mishandeld. Onderweg werden zij gewenkt door een man. Nadat zij de auto hadden gestopt zei de man in het Engels tegen hen: “De vrouw wordt nu nog mishandeld, jullie moeten dit echt stoppen. Het gebeurt in de flat op nummer 86.” Verbalisanten zagen dat de handen van de man bebloed waren.

Ter plaatse deed verdachte de deur open. Verbalisanten zagen dat hij een bebloed voorhoofd had. In de hal van de woning zagen zij aangeefster, die geëmotioneerd was. Zij stond voorover gebogen en huilde. Verbalisant [naam] zag bloedvegen aan de binnenkant van de voordeur van de woning. Daarnaar gevraagd vertelde aangeefster tegen verbalisant [naam] in het Engels: “Hij heeft mij hard op mijn gezicht geslagen. Hij heeft mij ook in mijn buik geslagen. Ik heb hele erge pijn.” Hierop werd verdachte aangehouden en overgebracht naar het politiebureau.8

De verklaring van verdachte

Verdachte heeft verklaard dat hij op 18 november 2017 naar de woning van aangeefster is gegaan en dat [slachtoffer 2] en hij daar slaags zijn geraakt. Voorts heeft verdachte verklaard dat hij zijn vinger in de vagina van aangeefster heeft gedaan.9

Bespreking van de verweren en conclusies van de rechtbank

Feit 4 subsidiair

Uit de hiervoor vermelde aangiften van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] blijkt dat verdachte op de voordeur van de woning van aangeefster bonkte en dat hij schreeuwde dat zij de deur open moest doen. Nadat het verdachte was gelukt de voordeur te openen, is hij de woning binnengegaan en heeft hij vrijwel direct de aanval gezocht door [slachtoffer 2] vast te pakken en hem een kopstoot op zijn mond te geven. Aangeefster wist de woning uit te vluchten.

Anders dan door en namens verdachte is betoogd, acht de rechtbank, bij gebrek aan feiten en omstandigheden die de lezing van verdachte bevestigen, niet aannemelijk geworden dat verdachte tussenbeide kwam bij een ruzie tussen aangeefster en [slachtoffer 2] , waarna hij zich heeft moeten verdedigen tegen het slaan van [slachtoffer 2] met een sleutelbos. Zij stelt vast dat de verklaringen van aangeefster en [slachtoffer 2] over de gang van zaken op elkaar aansluiten, elkaar grotendeels ondersteunen en in lijn liggen met de verdere gebeurtenissen van die avond. De verklaring van verdachte staat op zichzelf. Dat betekent dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat er sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding door [slachtoffer 2] . Het verweer van de verdediging dat verdachte een beroep toekomt op noodweer slaagt daarom niet.

Feit 3.

Tevens blijkt uit de aangiften van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , de verklaring van [getuige] en de tweede 112-melding dat nadat aangeefster de woning had verlaten en was gevlucht naar de lift van de flat, verdachte haar achterna is gegaan, haar in de lift heeft mishandeld en haar vervolgens op gewelddadige wijze over de galerij van de flat mee terug heeft genomen naar haar woning. In die woning werd nog steeds geschreeuwd en geslagen, zo blijkt uit een van de hiervoor opgenomen 112-meldingen en de verklaring van [getuige] .

Dat de 112-meldingen betrekking hadden op de ruzie die verdachte had met [slachtoffer 2] , zoals verdachte heeft betoogd, is niet juist, aangezien uit de bewijsmiddelen blijkt dat [slachtoffer 2] op dat moment niet meer in de woning van aangeefster was, maar buiten de aanrijdende politieagenten heeft aangesproken.

Ook de stelling van verdachte, inhoudende dat niet hij maar [slachtoffer 2] aangeefster buiten de woning heeft mishandeld aangezien getuige [getuige] op 3 mei 2018 bij de rechter-commissaris die [slachtoffer 2] op een foto heeft aangewezen als de dader, wijst de rechtbank van de hand. Zij gaat uit van de verklaring van getuige [getuige] die hij kort na het incident bij de politie heeft afgelegd. Toen zei hij dat de man die door de politie is aangehouden, te weten verdachte, de man is die aangeefster heeft mishandeld. Deze verklaring wordt bovendien ondersteund door ander bewijs, zoals hiervoor is vermeld.

Feit1.

Verdachte heeft vervolgens naar aangeefster geschreeuwd dat zij haar kleding uit moest trekken omdat hij seks met haar wilde en hij heeft haar bedreigd. Hij wilde controleren of zij seks met een ander had gehad, waarna hij zijn vinger in de vagina van aangeefster heeft gebracht.

De verklaring van verdachte dat er nadat [slachtoffer 2] de woning van aangeefster had verlaten geen ruzie was tussen hem en aangeefster en dat zij verdachte toestemming heeft gegeven zijn vinger in haar vagina te doen om te controleren of zij seks had gehad met [slachtoffer 2] , acht de rechtbank gelet op het voorafgaande gevecht met [slachtoffer 2] , de mishandeling van aangeefster en het lawaai en geschreeuw dat uit de woning kwam en bij gebrek aan feiten en omstandigheden die de lezing van verdachte ondersteunen, volstrekt ongeloofwaardig.

Met betrekking tot de betwisting door de raadsman van het seksuele karakter van het door verdachte brengen van zijn vinger in de vagina van aangeefster overweegt de rechtbank als volgt.

Uit vaste jurisprudentie volgt dat de subjectieve beleving van de dader (of het slachtoffer) van belang kan zijn voor de vraag of sprake is geweest van verkrachting, maar voorts dat dat niet beslissend is, in die zin dat van verkrachting geen sprake zou kunnen zijn indien de dader niet bij de desbetreffende handeling(en) bepaalde seksuele gevoelens heeft ondervonden.

Naar het oordeel van de rechtbank gaat het er bij handelingen als de onderhavige in de eerste plaats om of de gang van zaken in objectieve zin een seksuele strekking heeft. Dit betekent dat niet de subjectieve beleving van de dader (of het slachtoffer), maar vooral de aard en verschijningsvorm van de handelingen van beslissende betekenis zijn voor het oordeel of de gedraging onder artikel 242 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) valt.

Het zonder toestemming van aangeefster door verdachte brengen van zijn vinger in de vagina van aangeefster heeft naar het oordeel van de rechtbank onmiskenbaar een seksuele strekking, zoals hiervoor bedoeld. Dat verdachte geen seksuele bedoeling zou hebben gehad, doet daaraan niet af. Anders dan de raadsman is de rechtbank dan ook van oordeel dat sprake is geweest van seksueel binnendringen als bedoeld in artikel 242 Sr.

Voor het overige zijn er geen verweren en/of uitdrukkelijk onderbouwde standpunten naar voren gebracht waarop de rechtbank gehouden is te reageren.

Samenvatting

De rechtbank acht op grond van het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 18 november 2017 [slachtoffer 1] heeft verkracht en mishandeld en dat hij [slachtoffer 2] heeft mishandeld.

Vrijspraak feit 2

Bij de beoordeling van het bewijs stelt de rechtbank voorop dat zedenzaken zich doorgaans kenmerken door de aanwezigheid van slechts twee personen bij de ten laste gelegde seksuele handelingen: het vermeende slachtoffer en de vermeende dader. Bij een ontkennende verdachte brengt dit in veel gevallen met zich mee dat slechts de verklaring van het vermeende slachtoffer als wettig bewijsmiddel voorhanden is.

Op grond van het bepaalde in artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) – dat de tenlastelegging in haar geheel betreft en niet een onderdeel daarvan – is de enkele verklaring van één getuige (in deze zaak die van het vermeende slachtoffer) onvoldoende om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige naar voren gebrachte feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. Daar staat tegenover dat een geringe mate aan steunbewijs in combinatie met betrouwbare verklaringen van het slachtoffer voldoende wettig bewijs kan opleveren. Niet is vereist dat het steunbewijs betrekking heeft op de ten laste gelegde gedragingen. De vraag of aan het bewijsminimum is voldaan laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval.

In het onderhavige geval staat de verklaring van aangeefster, dat verdachte heeft geprobeerd haar met zijn penis vaginaal te penetreren, tegenover de stellige ontkenning van verdachte. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of er enig steunbewijs in het dossier voorhanden is.

Dat steunbewijs zou kunnen worden gevonden in het deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) d.d. 25 juni 2018. Daaruit blijkt (kort samengevat) dat in bemonstering ZAAC6641NL#01 van de penis van verdachte een DNA-mengprofiel van minimaal twee personen is aangetroffen en dat het meer dan een miljard keer waarschijnlijker is dat die bemonstering DNA bevat van verdachte en aangeefster dan dat de bemonstering DNA bevat van verdachte en één willekeurige andere persoon. Tevens heeft het NFI geconcludeerd dat het in voornoemde bemonstering aangetroffen DNA dat is gekoppeld aan aangeefster, niet afkomstig is van vaginale cellen, speeksel, nasaal vocht, bloed en/of menstruele secretie.

De verdediging heeft met betrekking tot deze conclusies een alternatief scenario aangedragen, dat – naar de rechtbank begrijpt – daaruit bestaat dat het DNA-materiaal van aangeefster via indirecte overdracht op de penis van verdachte is terechtgekomen, namelijk door met zijn ongewassen hand, waarmee hij aangeefster had aangeraakt, later zijn penis aan te raken.

De rechtbank is van oordeel dat dit door de verdediging geschetste alternatieve scenario niet kan worden uitgesloten. Verdachte heeft aangeefster immers op 18 november 2017 mishandeld en haar op gewelddadige wijze over de galerij van de flat mee terug genomen naar haar woning. Verdachte is diezelfde avond aangehouden en pas twee dagen later is een zogeheten zedenset afgenomen, waarvan de betreffende bemonstering afkomstig is. Het kan niet worden uitgesloten dat DNA-materiaal van aangeefster op de penis van verdachte is gekomen op de manier zoals door de verdediging is gesteld en zodoende kan aan genoemd NFI-rapport geen steunbewijs worden ontleend.

Bij gebrek aan enig ander steunbewijs in het dossier, zal verdachte van het onder 2 ten laste gelegde worden vrijgesproken.

Vrijspraak feit 4, primair

Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte door het geven van een kopstoot tegen het gezicht van [slachtoffer 2] zich willens en wetens heeft blootgesteld aan een aanmerkelijke kans dat [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

3.3.2

Het feit onder parketnummer 09/837096-1810

Op 16 januari 2018 heeft [slachtoffer 1] aangifte gedaan van bedreiging door verdachte. Verdachte heeft haar op 14 december 2017 vanuit de penitentiaire inrichting gebeld en heeft haar in dat telefoongesprek gedreigd te doden. Verdachte heeft tegen haar gezegd dat hij aan een pistool kan komen, dat hij zal wachten op aangeefster als ze terugkomt van het naar school brengen van hun kinderen en dat hij haar dan zal aanvallen. Aangeefster vreest voor haar leven.11

Uit de woordelijke uitwerking en vertaling van het telefoongesprek dat aangeefster op 14 december 2017 om 11.18 uur met verdachte had, blijkt dat hij het volgende tegen haar heeft gezegd:

  • -

    "want als ik naar buiten kom, echt waar, jij zult geen leven hebben. Geen leven. En ik heb je verteld. En kijk .. ik zal jou een kogel geven, geen mes maar een kogel." en

  • -

    "als ik hier op eigen kracht wegga, dan krijg je een kogel door je hoofd, echt waar" en

  • -

    "ik zal hier wegkomen. Ik ben niet voor altijd opgesloten. Ik heb niemand gedood. Zelfs als iemand die ander dood maakt, die krijgt 9 jaar" en

  • -

    "ik wil mijn kinderen opvoeden. Als je dat niet doet, dan zal ik je een kogel geven in je hoofd als de kinderen naar school zijn gegaan, zal ik wachten en dan doe ik je een kogel in je hoofd. Echt waar. Een wapen kan ik voor 300 of 400 kopen. Zet mij niet daar toe".12

Verdachte heeft verklaard dat hij voornoemde woorden tegen aangeefster heeft gezegd omdat hij boos was.13

Gelet hierop acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op

14 december 2017 aangeefster heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat verdachte:

Parketnummer 09/827691-17

1.

op 18 november 2017 te Delft door een feitelijkheid en bedreiging met geweld, te weten door

- het tegen [slachtoffer 1] schreeuwen van de woorden "Trek nu al je kleding uit, ik wil je nu, als je dat niet doet, pak ik een mes en steek ik die in je buik." en

- het uittrekken van kleding van die [slachtoffer 1] ,

[slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het ondergaan van een handeling die bestond uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] , immers heeft hij, verdachte, één vinger in de vagina van die [slachtoffer 1] gebracht/geduwd;

3.

op 18 november 2017 te Delft zijn (ex)echtgenote, [slachtoffer 1] , heeft mishandeld door meermalen met de vuist tegen het gezicht en het hoofd te slaan en haar bij de armen beet te pakken en met kracht tegen het lichaam te duwen en te schoppen;

4.

op 18 november 2017 te Delft [slachtoffer 2] heeft mishandeld door met kracht die [slachtoffer 2] een kopstoot op de mond te geven;

5.

(parketnummer 09/837096-18; ttz gevoegd)

hij op 14 december 2017 te Alphen aan den Rijn en Delft [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [slachtoffer 1] dreigend de woorden toe te voegen

"want als ik naar buiten kom, echt waar, jij zult geen leven hebben. Geen leven. En ik heb je verteld. En kijk .. ik zal jou een kogel geven, geen mes maar een kogel." en

"als ik hier op eigen kracht wegga, dan krijg je een kogel door je hoofd, echt waar" en

"ik zal hier wegkomen. Ik ben niet voor altijd opgesloten. Ik heb niemand gedood. Zelfs als iemand die ander dood maakt, die krijgt 9 jaar" en

"ik wil mijn kinderen opvoeden. Als je dat niet doet, dan zal ik je een kogel geven in je hoofd als de kinderen naar school zijn gegaan, zal ik wachten en dan doe ik je een kogel in je hoofd. Echt waar. Een wapen kan ik voor 300 of 400 kopen. Zet mij niet daartoe",

althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 32 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering, zal worden opgelegd. Tevens heeft de officier van justitie gevorderd te bevelen dat de te stellen voorwaarden en het reclasseringstoezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft (kort samengevat) aangevoerd dat verdachte niet eerder door een strafrechter is veroordeeld en oplegging van een aanzienlijke gevangenisstraf negatieve gevolgen zal hebben voor zijn verblijfsstatus en voor de kinderen waarvoor verdachte de zorg draagt. Bovendien zal verdachte in dat geval zijn woning verliezen. Gelet hierop is de door de officier van justitie gevorderde straf te zwaar en dient hooguit een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest te worden opgelegd.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Verdachte is op 18 november 2017 naar de woning van aangeefster, zijn (ex)vrouw, gegaan omdat hij het vermoeden had dat zij vreemdging met een andere man. Toen hij in de woning kwam zag hij aangeefster en [slachtoffer 2] , waarna hij door het lint is gegaan. Hij heeft eerst [slachtoffer 2] mishandeld door hem een kopstoot op de mond te geven. Toen aangeefster haar flatwoning uit vluchtte naar de lift van het flatgebouw, is verdachte haar achterna gegaan en heeft haar in de lift ernstig mishandeld en op gewelddadige wijze weer mee teruggenomen naar de woning. Buren van aangeefster zijn daar getuige van geweest maar hebben haar niet durven helpen. Eenmaal terug in de woning heeft verdachte aangeefster vervolgens verkracht door zijn vinger in haar vagina te doen. Hiermee heeft verdachte de slachtoffers nodeloos pijn en letsel toegebracht en op ernstige wijze inbreuk gemaakt op hun lichamelijke integriteit.

Tevens heeft verdachte vanuit de penitentiaire inrichting, waar hij vast zat voor voornoemde feiten, aangeefster telefonisch bij herhaling met de dood bedreigd. Daarmee heeft hij ernstig inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer.

Dergelijke feiten brengen gevoelens van grote angst en onveiligheid teweeg bij slachtoffers, te meer als deze plaatsvinden in de eigen woning. Dat blijkt in de onderhavige zaak ook wel uit de omstandigheid dat aangeefster uit angst voor verdachte haar woning heeft verlaten en inmiddels op een geheim adres in Nederland is ondergebracht.

Naar het oordeel van de rechtbank zou oplegging van een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur, gelet op de ernst van het bewezen verklaarde, in beginsel een passende sanctie zijn.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op het reclasseringsadvies d.d. 13 februari 2018. Daaruit blijkt onder andere dat de reclassering adviseert een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, een ambulante behandelverplichting bij De Waag of een soortgelijke instelling en een contact- en locatieverbod ten aanzien van (de woning van) aangeefster.

Voorts heeft de rechtbank er rekening mee gehouden dat verdachte in Nederland niet eerder met politie of justitie in aanraking is geweest.

Gelet hierop en om de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbaar gedrag te vertonen, zal de rechtbank een deel van de op te leggen gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen.

In hetgeen de raadsman heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding te komen tot oplegging van een straf gelijk aan het voorarrest – wat bij het wijzen van het vonnis neerkomt op een gevangenisstraf van ruim 9 maanden – nu die straf onvoldoende recht doet aan de ernst van de bewezen verklaarde feiten.

De rechtbank komt evenwel tot een lagere straf dan door de officier van justitie is gevorderd, enerzijds omdat de rechtbank minder feiten bewezen acht en anderzijds omdat de ernst van het bewezen verklaarde in na te noemen straf in voldoende mate tot uitdrukking komt.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de rechtbank oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren passend en geboden acht. Daarbij zal de rechtbank de bijzondere voorwaarden opleggen, zoals hierna in de beslissing vermeld.

Anders dan door de reclassering geadviseerd, komt de rechtbank niet tot oplegging van de bijzondere voorwaarde van een locatieverbod, omdat aangeefster inmiddels niet meer op het adres woont waar de onder 1 en 4 bewezen verklaarde feiten hebben plaatsgevonden en onbekend is waar zij nu verblijft.

Dadelijke uitvoerbaarheid voorwaarden ex artikel 14e Sr

De verdachte heeft zich onder meer schuldig gemaakt aan misdrijven die gericht zijn tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van personen, te weten verkrachting, mishandeling en bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht. Gelet op de ernst van deze feiten en de omstandigheid dat verdachte ook na de verkrachting en mishandeling van aangeefster nog meermalen contact met haar heeft gezocht en haar ernstig heeft bedreigd, wat blijk geeft van herhalingsgevaar, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen. Daarom zal de rechtbank bevelen dat de hierna op grond van art. 14c Sr te stellen voorwaarden en het op grond van art. 14d Sr uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.

7 De vordering benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

7.1.1 De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij heeft zich in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding tot een bedrag van € 7.350-,--, bestaande uit € 350,-- aan materiële schade en € 7.000,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

7.1.2 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering zal worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f Sr.

7.1.3 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft naar voren gebracht dat de vordering, gelet op de onderbouwing, onvoldoende verband houdt met de ten laste gelegde feiten, zodat de vordering niet toewijsbaar is. De raadsman verzet zich niet tegen toewijzing van een redelijk bedrag.

7.1.4 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal voor zover de vordering betrekking heeft op de materiële schade, de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, omdat de gestelde schade niet het rechtstreeks gevolg is van de onder 1, 3 en 5 bewezen verklaarde feiten.

Ter zake van de gevorderde immateriële schade acht de rechtbank op grond van het onderzoek ter terechtzitting en de, zij het summiere, onderbouwing in de vordering genoegzaam gebleken dat de benadeelde partij ten gevolge van de onder 1, 3 en 5 bewezen verklaarde verkrachting en mishandeling immateriële schade heeft geleden. De rechtbank zal die schade naar billijkheid vaststellen op € 1.000,--. De rechtbank zal tevens de gevorderde wettelijke rente met ingang van 18 november 2017 toewijzen, nu is vast komen te staan dat de schade op die datum is ontstaan.

Voor het overige is de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering. Om te kunnen vaststellen of de immateriële schade een hoger bedrag beloopt, is nader onderzoek nodig. Dit zou een onevenredige belasting van het rechtsgeding meebrengen. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Nu verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de onder 1, 3 en 5 bewezen verklaarde strafbare feiten is toegebracht en verdachte voor die feiten zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen voor een bedrag van € 1.000,--, te vermeerderen met de wettelijke rente, één en ander zoals hierna in de beslissing vermeld.

Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij ter zake van de vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank begroot op nihil.

8 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

14a, 14b, 14c, 14d, 14e, 36f, 57, 242, 285 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte de onder 2 en onder 4 primair ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1, 3, 4 subsidiair en 5 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.4 bewezen is verklaard, en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1:

verkrachting;

ten aanzien van feit 3:

mishandeling;

ten aanzien van feit 4 subsidiair:

mishandeling;

ten aanzien van feit 5 (parketnummer 09/837096-18; ttz gevoegd):

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 10 (tien) maanden, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- ter vaststelling van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- gedurende de proeftijd geen contact legt of laat leggen – direct of indirect – met [slachtoffer 1], geboren op 28 november 1987, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

en

- zich uiterlijk 3 dagen na invrijheidstelling meldt bij de Reclassering Nederland, adres: Vincent van Goghweg 73 te Purmerend, en zich daarna gedurende de proeftijd op door de reclassering te bepalen tijdstippen blijft melden bij deze of een andere door deze aan te wijzen reclasseringsinstelling, zo frequent en zolang de reclassering dat noodzakelijk acht;

en

- zich gedurende de proeftijd onder behandeling stelt van De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, op de tijden en plaatsen als door of namens die zorginstelling aan te geven;

geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

beveelt dat bovengenoemde bijzondere voorwaarden en het – op grond van artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht – uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;

de vordering van de benadeelde partij

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 1.000,--, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 18 november 2017 tot aan de dag van de algehele voldoening;

bepaalt dat de vordering voor het overige deel niet-ontvankelijk is en dat de benadeelde partij dit deel van de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 1.000,-- vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 18 november 2017 tot aan de dag van de algehele voldoening ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 1];

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 20 dagen;

bepaalt dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. E.M.A. Vinken, voorzitter,

mr. J. Eisses, rechter,

mr. M.H. Erich, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. J. Biljard, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 29 augustus 2018.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar. Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2017331723, van de politie eenheid Den Haag, district Westland – Delft, basisteam Delft, met bijlagen (doorgenummerd blz. 1 t/m 146).

2 Proces-verbaal aangifte [slachtoffer 1] , p. 6 en 7, en het proces-verbaal aangifte, p. 19.

3 Proces-verbaal van bevindingen (met bijlage), p. 9.

4 Geschrift, brief van [naam] (arts-assistent) en dr. [naam] (traumachirurg), beiden werkzaam in het Reinier de Graaf ziekenhuis te Delft, d.d. 21 november 2017, p. 124 t/m 126.

5 Proces-verbaal aangifte [slachtoffer 2] , p. 11 en 12.

6 Proces-verbaal van bevindingen, p. 56 en 57.

7 Proces-verbaal van verhoor getuige, p. 37 en 38.

8 Proces-verbaal aanhouding, p. 28 en 29.

9 De verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting op 15 augustus 2018.

10 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar. Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2018010250, van de politie eenheid Den Haag, district Westland – Delft, districtsrecherche Westland – Delft, met bijlagen (doorgenummerd blz. 1 t/m 40).

11 Het proces-verbaal aangifte, p. 4 t/m 7.

12 Het proces-verbaal van bevindingen, met daarbij als bijlage gevoegd een woordelijk uitgewerkt telefoongesprek, p. 22 t/m 29.

13 De verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting op 15 augustus 2018.