Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:10285

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
09-08-2018
Datum publicatie
04-09-2018
Zaaknummer
C/09/539813 / HA RK 17-460
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Rijkswet op het Nederlanderschap

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2018/176
Module BRP 2019/2023
Module Nationaliteitsrecht 2019/898
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer

Rekestnummer: HA RK 17-460

Zaaknummer: C/09/539813

Datum beschikking: 9 augustus 2018

Beschikking op het op 15 september 2017 ingekomen verzoekschrift van:

[verzoekster]

verzoekster,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat mr. P.G.M. Lodder te Utrecht.

tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

(Ministerie van Justitie en Veiligheid, Immigratie- en Naturalisatiedienst,

verder te noemen “de IND”),

zetelende te ’s-Gravenhage,

belanghebbende,

vertegenwoordigd door mr. J.A.M. van der Klis.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

  • -

    het verzoekschrift;

  • -

    de brief van 3 november 2017 van de zijde van de IND;

  • -

    de brief van 22 februari 2018 van de zijde van de IND;

  • -

    de conclusie van de officier van justitie van 7 juni 2018;

  • -

    de fax van 15 juni 2015, met bijlage, van de zijde van verzoekster.

Op 28 juni 2018 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: verzoekster met haar advocaat en vergezeld van haar echtgenoot, de heer [naam echtgenoot] alsmede mr. [naam medewerker IND] namens de IND. Voorts was aanwezig de heer [naam tolk] , tolk Chinees/Mandarijn.

De officier van justitie heeft schriftelijk medegedeeld geen behoefte te hebben aan het bijwonen van de mondelinge behandeling.

Verzoek en het standpunt van de IND en de officier van justitie

Het verzoekschrift strekt ertoe dat de rechtbank zal vaststellen dat verzoekster niet de Nederlandse nationaliteit bezit, uitvoerbaar bij voorraad en kosten rechtens.

De IND concludeert tot afwijzing van het verzoek.

De officier van justitie heeft bij voormelde conclusie medegedeeld zich aan te sluiten bij het standpunt van de IND.

Feiten

  • -

    Verzoekster is geboren op [huwelijksdatum] te [huwelijksplaats] , Volksrepubliek China. Zij verkreeg bij haar geboorte de Chinese nationaliteit.

  • -

    Op 23 januari 2009 is laatstelijk aan haar een Chinees paspoort verstrekt, geldig tot 22 januari 2019.

  • -

    Verzoekster is met de heer [naam echtgenoot] getrouwd en heeft zich in Nederland gevestigd. Zij is bij Koninklijk Besluit van 9 juli 2014 genaturaliseerd tot Nederlandse.

  • -

    Artikel 9 van de Nationaliteitswet van de Volksrepubliek China, vastgesteld door de Derde Zitting van het Vijfde Nationale Volkscongres op 10 september 1980, bepaalt: “Ieder Chinees onderdaan die zich in het buitenland heeft gevestigd en daar is genaturaliseerd of een vreemde nationaliteit met zijn eigen vrije wil heeft verkregen, verliest van rechtswege de Chinese nationaliteit.”

  • -

    Op 22 maart 2017 heeft verzoekster bij de gemeente [plaatsnaam] een verklaring tot afstand van het Nederlanderschap ondertekend.

  • -

    Bij brief van 3 april 2017 heeft de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie desgevraagd aan de behandelend ambtenaar van de gemeente [plaatsnaam] medegedeeld dat aan de door verzoekster afgelegde afstandsverklaring geen rechtsgevolg wordt verbonden omdat zij dan staatloos zou zijn, tenzij een recent bewijsstuk van het bezit van de Chinese nationaliteit wordt overgelegd, dat niet mag zijn afgegeven voor de datum van het naturalisatiebesluit van 9 juli 2014.

  • -

    Op 10 april 2017 heeft verzoekster een (Nederlandse) verblijfsvergunning aangevraagd, ervan uitgaand dat zij – door daarvan afstand te hebben gedaan – niet langer de Nederlandse nationaliteit bezit. Daarbij heeft verzoekster gesteld dat zij de Chinese nationaliteit ook na haar naturalisatie heeft behouden, omdat zij nooit een handeling heeft verricht om afstand te doen van de Chinese nationaliteit.

  • -

    Op 19 april 2017 heeft de burgemeester van de gemeente [plaatsnaam] bevestigd de afstandsverklaring van verzoekster te hebben ontvangen, waarbij tevens is aangetekend dat deze afstandsverklaring geen rechtsgevolg heeft omdat verzoekster naast het Nederlanderschap geen andere nationaliteit heeft.

  • -

    De door verzoekster aangevraagde verblijfsvergunning is afgewezen door de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, op de grond dat verzoekster de Nederlandse nationaliteit bezit.

Beoordeling

In geschil is of de door verzoekster afgelegde afstandsverklaring betreffende haar Nederlandse nationaliteit, rechtsgevolg heeft gehad. Op grond van artikel 8 lid 1 Europese Verdrag inzake nationaliteit en artikel 14 van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) zoals dat gold ten tijde van de afgelegde afstandsverklaring (en overigens nog steeds geldt) kan geen rechtsgevolg worden verbonden aan de door verzoekster ondertekende verklaring van afstand van het Nederlanderschap, indien zij daardoor staatloos zou raken. In deze zaak gaat het om de vraag of dit het geval is. De vraag is met andere woorden of verzoekster nog steeds de Chinese nationaliteit heeft.

Verzoekster erkent dat de Chinese nationaliteitswetgeving bepaalt dat de vrijwillige verkrijging van de Nederlandse nationaliteit op 9 juli 2014 er toe leidt dat zij de Chinese nationaliteit van rechtswege heeft verloren. Verzoekster stelt daartegenover echter dat zij door de Chinese autoriteiten in feite nog steeds wordt beschouwd als Chinees burger. Ter onderbouwing van dit standpunt verwijst verzoekster naar een site van de Nederlandse rijksoverheid met reisadviezen voor China en wijst zij op het feit dat zij nog steeds beschikt over een geldig Chinees paspoort. Daarnaast heeft verzoekster in 2016, dus na het verkrijgen van de Nederlandse nationaliteit, haar Hukou vernieuwd. Dit is alleen mogelijk als Chinees staatsburger, aldus verzoekster.

Ter zitting heeft verzoekster het belang van haar verzoek nader onderbouwd. Verzoekster stelt groot persoonlijk belang te hebben bij het hebben van de Chinese nationaliteit en het niet hebben van de Nederlandse nationaliteit. Verzoekster werkt als onderzoeksassistent op het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis en daarvoor verzamelt zij historische data, waarvoor zij regelmatig naar China moet reizen. Verzoekster stelt dat dit werk haar alleen is toegestaan als zij (uitsluitend) de Chinese nationaliteit heeft. Verzoekster vreest voor maatregelen van de Chinese autoriteiten wanneer zij constateren dat verzoekster Nederlandse is. Ook ondervindt verzoekster praktische problemen bij het in- en uitreizen van China sinds zij Nederlandse is. Daarnaast heeft het niet hebben van de Chinese nationaliteit gevolgen voor (de afwikkeling van) erfrechtelijke kwesties, nu haar familie nog steeds in China woont. Verzoekster heeft daarom afstand willen doen van de Nederlandse nationaliteit. Om deze reden vraagt verzoekster voor zover nodig de Chinese en Nederlandse nationaliteitswetgeving in dit specifieke geval buiten toepassing te laten.

De IND stelt zich op het standpunt dat verzoekster niet heeft aangetoond dat zij nog steeds (of weer) de Chinese nationaliteit bezit. De verwijzing van verzoekster naar de website van de rijksoverheid is daartoe onvoldoende. Ook het feit dat verzoekster nog een Chinees paspoort heeft, kan niet leiden tot de conclusie dat zij de Chinese nationaliteit bezit, nu dit paspoort werd afgegeven op 23 januari 2009 en derhalve vóórdat zij op 9 juli 2014 van rechtswege de Chinese nationaliteit verloor door de vrijwillige verkrijging van de Nederlandse nationaliteit. Omdat verzoekster op 9 juli 2014 formeel de Chinese nationaliteit verloor, kan geen rechtsgevolg worden verbonden aan de door verzoekster ondertekende verklaring van afstand van het Nederlanderschap omdat zij daardoor staatloos zou raken. Gelet op het voorgaande concludeert de IND tot afwijzing van het verzoek.

De rechtbank overweegt als volgt. Hoewel de rechtbank begrip heeft voor het persoonlijk belang dat verzoekster heeft bij de vaststelling dat zij niet de Nederlandse nationaliteit bezit, dient de rechtbank uit te gaan van het wettelijk kader. De rechtbank ziet geen grond om de wettelijke bepalingen buiten toepassing te laten. Dat betekent in dit geval dat het doen van afstand van de Nederlandse nationaliteit niet tot gevolg mag hebben dat verzoekster staatloos wordt. Nu de toepasselijke Chinese nationaliteitswetgeving bepaalt dat verzoekster door de naturalisatie tot Nederlandse, de Chinese nationaliteit van rechtswege heeft verloren, neemt de rechtbank dit als vaststaand aan. Hoe bepaalde Chinese instanties hier in de praktijk mee omgaan, kan niet afdoen aan dit uitgangspunt. Het Chinese paspoort dat verzoekster ter onderbouwing aanvoert, is afgegeven vóór de naturalisatie van verzoekster (en dus vóór het verlies van de Chinese nationaliteit) zodat dit paspoort reeds hierom niet als bewijs kan dienen voor de Chinese nationaliteit. Verzoekster heeft niet door middel van stukken van de daartoe bevoegde Chinese autoriteiten aangetoond dat zij ná 9 juli 2014 in het bezit is van de Chinese nationaliteit. Daarom moet de rechtbank er van uit gaan dat verzoekster alleen de Nederlandse nationaliteit bezit. Het afstand doen van de Nederlandse nationaliteit is daarom niet mogelijk, nu dit tot gevolg zal hebben dat verzoekster staatloos wordt. Het verzoek wordt daarom afgewezen.

Ten overvloede overweegt de rechtbank dat de IND ter zitting heeft verklaard dat indien verzoekster een Chinees paspoort kan tonen dat is afgegeven nadat verzoekster de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen, de IND dat zal beschouwen als een herkrijging van de Chinese nationaliteit door verzoekster. Indien verzoekster de Chinese nationaliteit heeft herkregen, is afstand doen van de Nederlandse nationaliteit wel mogelijk.

Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling zodat zij de proceskosten zal compenseren als na te melden.

Beslissing

De rechtbank:

wijst het verzoek af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. S.M. Westerhuis-Evers, O.F. Bouwman en J.C. Sluymer, bijgestaan door P. Hillebrand als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 augustus 2018.