Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:10264

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
27-08-2018
Datum publicatie
28-08-2018
Zaaknummer
AWB - 18 _ 6329
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

In haar uitspraak van 21 februari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ2788, heeft de Afdeling, onder meer, overwogen dat uit de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 72, derde lid, van de Vw 2000 blijkt dat de wetgever met de uitbreiding van het besluitbegrip in artikel 72, derde lid, van de Vw 2000, heeft beoogd te voorkomen dat bepaalde feitelijke handelingen jegens een vreemdeling als zodanig buiten het systeem van rechtsbescherming van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vallen, waardoor voor de burgerlijke rechter grond zou kunnen bestaan aanvullende rechtsbescherming te bieden. Gelet hierop en op het feit dat de gronden van onderhavig verzoek om een voorlopige voorziening enkel zien op de wijze waarop verzoeker in vreemdelingenbewaring is gesteld, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding de aangevoerde gronden te betrekken bij haar oordeel over de rechtmatigheid van de voorgenomen overdracht. Tegen een maatregel van bewaring kan immers op grond van artikel 94 van de Vw 2000 in rechte worden opgekomen en er is derhalve geen sprake van feitelijke handelingen jegens een vreemdeling als zodanig waartegen binnen het systeem van de Awb geen rechtsbescherming bestaat. Bovendien zou een beoordeling van de gronden gericht tegen de bewaring niet kunnen leiden tot de conclusie dat de voorgenomen overdracht niet rechtmatig is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN Haag

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 18/6329

uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 augustus 2018 op het verzoek om voorlopige voorziening van

[verzoeker], verzoeker, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. M.J.A. Bakker),

tegen

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. C. Vink)

Procesverloop

Op 23 augustus 2018 heeft verweerder kenbaar gemaakt verzoeker op 28 augustus 2018 over te dragen aan de Franse autoriteiten in Parijs, Frankrijk.

Tegen deze voorgenomen overdracht heeft verzoeker op diezelfde dag bezwaar gemaakt en tevens de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen in die zin dat de overdracht aan Frankrijk achterwege wordt gelaten totdat op het bezwaar is beslist.

De voorzieningenrechter heeft verweerder in de gelegenheid gesteld verweer te voeren.

Daarvan heeft verweerder op 24 augustus 2018 gebruik gemaakt.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2. Ingevolge artikel 8:83, eerste lid, van de Awb worden partijen zo spoedig mogelijk uitgenodigd om op een in de uitnodiging te vermelden plaats en tijdstip op een zitting te verschijnen. Op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Awb, kan de voorzieningenrechter indien onverwijlde spoed dat vereist, en partijen daardoor niet in hun belangen worden geschaad, uitspraak doen zonder toepassing van het eerste lid. Daarvoor bestaat in dit geval aanleiding.

3. Verzoeker voert aan, kort samengevat en voor zover van belang, dat de overdracht aan Frankrijk moet worden opgeschort totdat er uitspraak is gedaan in zijn beroepsprocedure tegen de maatregel van bewaring. Verzoeker is namelijk van mening dat deze onrechtmatig moet worden geacht, nu hij in afwachting van zijn overdracht aan Frankrijk rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, aanhef en onder m, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Gelet op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 2 mei 2018, ECLI:NLRVS:2018:1491, had verzoeker daarom niet staandegehouden, overgebracht naar een plaats van verhoor en opgehouden mogen worden met toepassing van artikel 50 van de Vw 2000. Bovendien is verzoeker tijdens het gehoor van inbewaringstelling zijn voorkeursadvocaat onthouden. Ook hierom is de inbewaringstelling onrechtmatig.

4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat hetgeen is aangevoerd niet kan leiden tot de opschorting van de overdracht aan Frankrijk. Tegen de overdracht zelf zijn geen gronden gericht en voor zover verzoeker de maatregel van inbewaringstelling onrechtmatig acht, kan hij daartegen een rechtsmiddel indienen.

5. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

In haar uitspraak van 21 februari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ2788, heeft de Afdeling, onder meer, overwogen dat uit de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 72, derde lid, van de Vw 2000 blijkt dat de wetgever met de uitbreiding van het besluitbegrip in artikel 72, derde lid, van de Vw 2000, heeft beoogd te voorkomen dat bepaalde feitelijke handelingen jegens een vreemdeling als zodanig buiten het systeem van rechtsbescherming van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vallen, waardoor voor de burgerlijke rechter grond zou kunnen bestaan aanvullende rechtsbescherming te bieden. Gelet hierop en op het feit dat de gronden van onderhavig verzoek om een voorlopige voorziening enkel zien op de wijze waarop verzoeker in vreemdelingenbewaring is gesteld, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding de aangevoerde gronden te betrekken bij haar oordeel over de rechtmatigheid van de voorgenomen overdracht. Tegen een maatregel van bewaring kan immers op grond van artikel 94 van de Vw 2000 in rechte worden opgekomen en er is derhalve geen sprake van feitelijke handelingen jegens een vreemdeling als zodanig waartegen binnen het systeem van de Awb geen rechtsbescherming bestaat. Bovendien zou een beoordeling van de gronden gericht tegen de bewaring niet kunnen leiden tot de conclusie dat de voorgenomen overdracht niet rechtmatig is.

Nu verzoeker voorts in het geheel geen gronden heeft aangevoerd die zien op de overdracht aan Frankrijk op 28 augustus 2018, ziet de voorzieningenrechter ook anderszins geen reden deze onrechtmatig te achten. De voorzieningenrechter betrekt bij haar oordeel het feit dat met de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 29 mei 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:6919, bevestigd door de Afdeling op 2 juli 2018, in rechte is komen vast te staan dat Frankrijk verantwoordelijk is voor de asielaanvraag van verzoeker en dat niet is gebleken van gewijzigde feiten en omstandigheden sedertdien.

6. Het verzoek wordt afgewezen.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E. Dutrieux, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.D. Gunster, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 augustus 2018.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.