Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:10202

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-08-2018
Datum publicatie
27-08-2018
Zaaknummer
NL18.7959
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Herhaalde Asielaanvraag. Identiteit, herkomst en nationaliteit niet aannemelijk gemaakt. De rechtbank acht Bureau Documenten deskundig op het gebied van gezichtsvergelijkend onderzoek. Beroep gegrond vanwege ondeugdelijke motivering ten aanzien van artikel 64. De staatssecretaris moet BMA opnieuw om een advies vragen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.7959


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , alias [alias] ,

gesteld geboren op [datum] ,

v-nummer [nummer] ,

gesteld burger van Bangladesh,

eiser,

(gemachtigde: mr. L.M. Straver)

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

verweerder.


Procesverloop
Bij besluit van 28 maart 2018 (hierna: bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als ongegrond. Daarnaast heeft verweerder eiser geen verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd en geen uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) verleend.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 juli 2018. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder is met voorafgaande schriftelijke kennisgeving niet verschenen.

Overwegingen

1. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij afkomstig is uit Bangladesh. Zijn vader is door geweld van moslims om het leven gekomen en ook zelf is eiser vaak mishandeld en lastiggevallen. Eiser en zijn familie zijn hindoe en worden stelselmatig gediscrimineerd.

2. Eiser voert tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag aan dat hij een zeer kwetsbaar persoon is als bedoeld in Werkinstructie 2015/8. Verweerder heeft verzuimd om hem passende steun te bieden tijdens de procedure, aldus eiser.

2.1

De rechtbank stelt vast dat de Forensisch Medische Maatschappij Utrecht in haar rapport van 13 juli 2016 verweerder heeft geadviseerd om in korte heldere vragen het gehoor met eiser af te nemen in het bijzijn van zijn voogd. Bij hevige emotionaliteit of vermoeidheid zouden extra pauzes moeten worden ingelast of het gesprek over meerdere dagen worden verdeeld.

Uit de rapporten van de gehoren blijkt dat er regelmatig is gepauzeerd en dat er eenvoudige vragen zijn gesteld. Bovendien heeft verweerder regelmatig gevraagd of eiser de vragen begrijpt, hoe hij zich voelt en of hij nog in staat is het gesprek voort te zetten. Bovendien is eisers voogd bij de gehoren aanwezig geweest. Van hevige emotionaliteit of vermoeidheid is niet gebleken. Eiser heeft verder niet verduidelijkt welke passende steun hem los van het voorgaande geboden had moeten worden. Werkinstructie 2015/8 schrijft ook geen concrete maatregelen voor. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder niet heeft verzuimd hem passende steun te bieden. De beroepsgrond slaagt niet.

3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser zijn gestelde identiteit, herkomst en nationaliteit niet aannemelijk heeft gemaakt. Verweerder heeft door vingerafdrukken van eiser af te nemen vastgesteld dat eiser in Euvis onder een andere naam en nationaliteit een visum voor Zwitserland heeft verkregen dan onder de naam [eiser] die hij zelf heeft genoemd. In Euvis staat eiser namelijk geregistreerd als [alias] , geboren op [datum] , van Indiase nationaliteit. Verder blijkt volgens verweerder uit het gezichtsvergelijkend onderzoek door Bureau Documenten naar twee pasfoto’s, de foto die aan de visumaanvraag ten grondslag ligt en de foto die in het dossier van de vreemdelingenpolitie zit, dat er redelijke steun bestaat voor de hypothese dat het visum is aangevraagd door eiser. Deze conclusie is vervat in het rapport van Bureau Documenten van 5 maart 2018. Nu de identiteit, herkomst en nationaliteit van eiser niet aannemelijk zijn gemaakt, wordt niet toegekomen aan een beoordeling van zijn inhoudelijke asielrelaas, aldus verweerder.

3.1

Eiser voert aan dat zijn reisagent hem heeft gezegd dat hij zich tijdens de reis uit moest geven voor [alias] . Eiser stelt dat hij echter direct bij aankomst in Nederland heeft verklaard dat zijn echte naam [eiser] is en dat hij afkomstig is uit Bangladesh. Verweerder heeft zijn oordeel over eisers identiteit ten onrechte gebaseerd op een slecht leesbare kopie van het paspoort dat ten grondslag lag aan het Zwitserse visum. De pasfoto die aan de visumaanvraag ten grondslag lag, is bovendien van geheel iemand anders. Het is duidelijk te zien dat de personen op deze foto en de foto die in het dossier van de vreemdelingenpolitie zit, wat betreft haar, neus, kin en wenkbrauwen van elkaar afwijken. De conclusie van Bureau Documenten is dan ook onbegrijpelijk. Daarbij is van belang dat Bureau Documenten niet deskundig is om gezichtsvergelijkend onderzoek te doen. Ten slotte had verweerder eiser een taalanalyse moeten aanbieden. Een beëdigde tolk Bengali heeft immers verklaard dat eiser Bengali spreekt zoals dat gebruikelijk is in Bangladesh, aldus eiser.

3.2

De rechtbank stelt voorop dat verweerder in principe uit mag gaan van de juistheid van de Euvis-registratie. Eiser betwist die ‘treffer’ op zich niet. Het is daarom aan eiser om aan te tonen dat hij niet de persoon is die in de Euvis staat vermeld. Daarin is hij niet geslaagd.

Daarvoor is in de eerste plaats van belang dat eiser pas tijdens het eerste gehoor heeft verklaard dat hij [eiser] is, terwijl hij zijn asielaanvraag heeft ondertekend met de naam [alias] en hij ook in het aanmeldgehoor niet heeft gezegd dat hij een andere identiteit heeft.

Over het onderzoek van Bureau Documenten overweegt de rechtbank in dit verband als volgt. Een door Bureau Documenten opgestelde verklaring van onderzoek is een deskundigenadvies aan verweerder ten behoeve van de uitvoering van zijn bevoegdheden, waarvan hij in beginsel mag uitgaan. Indien verweerder een deskundigenadvies aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, dient hij zich er ingevolge artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wel van te vergewissen dat dit advies - naar wijze van totstandkoming - zorgvuldig en - naar inhoud - inzichtelijk en concludent is. Indien dit het geval is, kan de desbetreffende vreemdeling de uitkomst van het advies slechts met succes bestrijden door een andersluidende contra-expertise van een deskundige in te brengen (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 9 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1695).

De rechtbank is van oordeel dat Bureau Documenten voldoende deskundig moet worden geacht om gezichtsvergelijkend onderzoek te doen. Het onderzoek hangt in dit geval, waar sprake is van de vergelijking van foto’s op documenten, zodanig samen met onderzoek naar documenten, dat er van mag worden uitgegaan dat dit binnen de taakomschrijving van Bureau Documenten valt. Verder stelt de rechtbank vast dat het rapport van het onderzoek een uitvoerige toelichting geeft op de gehanteerde methodiek en op de toepassing van die methodiek op de voorliggende twee foto’s, en een eenduidige conclusie bevat waarvan de betekenis nader wordt toegelicht en geduid. Dat ondersteunt de conclusie dat Bureau Documenten de veronderstelde deskundigheid bezit. Het rapport is dan ook naar wijze van totstandkoming zorgvuldig en inzichtelijk en concludent. Verweerder mocht het rapport ten grondslag leggen aan zijn besluitvorming.

Uit de e-mail van het Nationaal Forensisch Onderzoeksbureau (hierna: NFO) leidt de rechtbank af dat het NFO meent dat op basis van het voorliggende materiaal de conclusie uit het rapport van Bureau Documenten niet met succes kan worden bestreden. Ing. J.R. ten Hove van het NFO heeft immers in een e-mail van 28 juni 2018 geschreven:

“Op grond van de kwantitatieve en kwalitatieve aspecten van de door u ter beschikking gestelde afbeeldingen inzake dhr. [alias], ben ik van mening dat er beperkingen kleven aan de onderzoeksmogelijkheden. De kwaliteit van de afbeeldingen is namelijk gering en voorts is er een significant leeftijdsverschil aanwezig tussen de te vergelijken personen. Gelet op de aard van de beperkingen kan de conclusie in de onderhavige zaak enkel een indicatief karakter dragen. In casu acht ik het niet mogelijk om met de hoogste mate van waarschijnlijkheid uitspraken te kunnen genereren.”

Eiser heeft er nog op gewezen dat personen in zijn omgeving aangeven dat hij niet dezelfde persoon als die op de foto bij het visum. Die enkele stelling van personen die niet deskundig zijn te achten, is onvoldoende om af te doen aan de conclusie van Bureau Documenten.

Gezien deze conclusies ziet de rechtbank geen aanleiding om met toepassing van artikel 8:47 van de Algemene wet bestuursrecht een deskundige te benoemen om een gezichtsvergelijkend onderzoek te doen. Daarvoor is mede van belang dat zo’n onderzoek, wat ook de uitkomst zou zijn, geen betekenis heeft voor de treffer uit de Euvis.

3.3

De rechtbank oordeelt daarom dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt stelt dat eiser zijn identiteit, herkomst en nationaliteit niet aannemelijk heeft gemaakt. Verweerder heeft geen aanleiding hoeven zien om een taalanalyse aan te bieden aan eiser om zijn herkomst uit Bangladesh aannemelijk te maken, zoals eiser heeft betoogd.

Verweerder komt daarom naar het oordeel van de rechtbank terecht niet toe aan een beoordeling van de geloofwaardigheid van het asielrelaas van eiser. De beroepsgronden slagen niet.

4. Eiser komt niet in aanmerking voor toelating op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw 2000.

5. Eiser voert tot slot aan dat verweerder hem ten onrechte geen uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw 2000 heeft verleend.

5.1

Volgens artikel 64 van de Vw 2000 blijft uitzetting achterwege zolang het gelet op de gezondheidstoestand van de vreemdeling of die van een van zijn gezinsleden niet verantwoord is om te reizen.

5.2

De rechtbank stelt vast dat verweerder het Bureau Medische Advisering (hierna: BMA) om advies heeft gevraagd. Dat advies is vervat in een rapport van 21 juni 2017. Het advies is gegeven in een periode dat eiser in een gesloten kinder-psychiatrische afdeling was opgenomen. Uit het advies blijkt dat eiser onder meer lijdt aan slaapproblemen, depressie en vermoedelijk aan PTSS. Ook heeft hij zelfbeschadigend gedrag vertoond en zich suïcidaal geuit. Staking van de opname zou volgens het BMA leiden tot een medische noodsituatie op korte termijn. Er zijn BOPZ-maatregelen te verwachten. Ten slotte wordt in het advies geconcludeerd dat reizen uit medisch oogpunt niet mogelijk wordt geacht totdat eiser ontslagen wordt uit de jeugdpsychiatrische inrichting.

Verweerder heeft op pagina 4 van het bestreden besluit het volgende vermeld:

“Uit informatie van NIDOS en COa volgt voorts dat betrokkene per 18 februari 2018 weer in een reguliere COa-opvanglocatie verblijft. Dat betrokkene thans nog immer medische klachten heeft, is derhalve niet onderbouwd. Gelet hierop kan er geen uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw 2000 toegepast worden.”

Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser toegelicht dat eiser inmiddels niet meer is opgenomen, maar dat hij in een AZC woont voor mensen met psychologische klachten en dat hij daar wordt begeleid en ondersteund.

5.3

De rechtbank overweegt dat het gegeven dat eiser niet langer is opgenomen inderdaad een indicatie kan zijn dat het inmiddels beter met hem gaat. Voor de conclusie dat daarom artikel 64 van de Vw 2000 niet hoeft worden toegepast, is echter meer onderzoek vereist. In het BMA-advies wordt immers niet expliciet uitgesproken of eiser inderdaad in staat is om te reizen nu hij daadwerkelijk is ontslagen uit de kliniek. Het ligt op de weg van verweerder, ook gezien de aard en omvang van de klachten van eiser zoals beschreven in het advies, het feit dat eiser thans (onbetwist) verblijft in een AZC voor mensen met psychische klachten, dat hij daar wordt begeleid en ondersteund en gezien het tijdsverloop sinds het eerdere advies en sinds de afloop van de opname, om het BMA hierover om een nader advies te vragen. In zoverre is het besluit genomen in strijd met artikel 3:2 en artikel 3:46 van de Awb. De beroepsgrond slaagt.

6. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet, gelet op het benodigde nadere onderzoek van het BMA, geen aanknopingspunten om de rechtsgevolgen daarvan in stand te laten of om zelf in de zaak te voorzien, al dan niet na het doorlopen van een bestuurlijke lus. Verweerder zal dus opnieuw moeten beslissen op de aanvraag van eiser met inachtneming van deze uitspraak.

7. Het beroep is gegrond. Daarom veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten.

Eiser heeft verzocht om vergoeding van de kosten die zijn gemaakt voor het onderzoek door het NFO. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 25 juli 2018 overwogen dat volgens vaste rechtspraak van de Afdeling (zie bijvoorbeeld haar uitspraak van 7 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:380) de kosten van een deskundige op de voet van artikel 8:75 van de Awb voor vergoeding in aanmerking komen als het inroepen van die deskundige redelijk was en ook de deskundigenkosten zelf redelijk zijn. Hieruit vloeit voort dat niet is vereist dat een deskundigenrapport over een voor de uitkomst van dat geschil mogelijk relevante vraag uiteindelijk heeft bijgedragen aan de rechterlijke beslissing. Onder bepaalde omstandigheden bestaat er echter aanleiding hierop een uitzondering te maken. Aanknopingspunt daarvoor is, zo staat in die uitspraak, dat beroepsgronden zijn gericht tegen zeer verschillende aspecten van hetzelfde besluit.

De rechtbank leidt uit die uitspraak af dat, wanneer een beroepsgrond gericht tegen een bepaald aspect of tegen een bepaald besluit slaagt, de gemaakte deskundigenkosten niettemin niet voor vergoeding in aanmerking komen, wanneer die kosten zien op een ander aspect of een ander besluit dan dat aspect of besluit, waarop de slagende beroepsgrond ziet.

In dit geval zijn de kosten van het NFO gemaakt in verband met de vaststelling van de identiteit van eiser en daarmee in het kader van de vraag of eiser in aanmerking komt voor verlening van een verblijfsvergunning asiel. In overweging 3.3 is geoordeeld dat de gronden die zijn gericht tegen het standpunt van verweerder hierover, niet slagen. Het beroep wordt gegrond verklaard vanwege het standpunt van verweerder over de vraag of met toepassing van artikel 64 van de Vw 2000 uitstel van vertrek moet worden verleend. Naar het oordeel van de rechtbank is dit een geheel ander besluit dan het besluit dat ziet op de verblijfsvergunning asiel.

Nu eisers beroepsgrond gericht tegen het standpunt van verweerder over artikel 64 van de Vw 2000, geen verband houdt met de inzet van de deskundige, komen deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking.

Eiser komt wel in aanmerking voor vergoeding van zijn overige proceskosten. Die stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.002,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing


De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser voor een bedrag van € 1.002,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.H. van Breda, rechter, in aanwezigheid van

mr. B.G. Smouter, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan, digitaal ondertekend en bekendgemaakt op 24 augustus 2018

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.