Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:10170

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
21-08-2018
Datum publicatie
04-09-2018
Zaaknummer
C/09/555169 / FA RK 18-4449
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Internationale kinderontvoering. De rechtbank wijst het verzoek van de vader tot teruggeleiding af. De ouders hebben afspraken gemaakt over de kinderen en deze afspraken vastgelegd in een overeenkomst. De rechtbank gaat voorbij aan de stelling van de vader dat de afspraken niet meer gelden omdat hij de betreffende overeenkomst heeft ontbonden. De rechtbank is van oordeel dat een dergelijk juridisch-technische benadering via het overeenkomstenrecht van de onderhavige situatie onvoldoende recht doet aan de belangen van de kinderen en gaat uit van de geldigheid van de tussen de ouders vastgelegde afspraken. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de afspraken dat het de intentie van de ouders was dat de kinderen in maart 2018 voor een vakantie van drie weken naar Nederland zouden komen, daarna terug zouden gaan naar Tanzania en uiteindelijk op of omstreeks 6 juli 2018 permanent naar Nederland zouden terugkeren. De overeenkomst bood echter ook de ruimte voor de mogelijkheid dat de kinderen al na de bewuste vakantie permanent in Nederland zouden blijven, en in ieder geval na 6 juli 2018, zodat de rechtbank het feit dat de kinderen tussen maart en juli 2018 niet meer naar Tanzania zijn teruggekeerd onvoldoende acht om van ongeoorloofde vasthouding door de moeder te kunnen spreken. Nu bovendien de datum van 6 juli 2018 inmiddels is verstreken, is het verblijf van de kinderen in Nederland in ieder geval nu in overeenstemming met wat de ouders bij het maken van de afspraken voor ogen hadden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Den HAAG

Meervoudige Kamer

Rekestnummer: FA RK 18-4449

Zaaknummer: C/09/555169

Datum beschikking: 21 augustus 2018

Internationale kinderontvoering

Beschikking op het op 20 juni 2018 ingekomen verzoek van:

[verzoeker]

de vader,

wonende te [woonplaats vader] ,

advocaat: mr. H.P. Scheer te Utrecht.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[belanghebbende] ,

de moeder,

wonende te [woonplaats vader] ,

advocaat: mr. H.A. Schipper te ‘s-Gravenhage.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

  • -

    het verzoekschrift, met bijlagen, van de zijde van de vader;

  • -

    het F9-formulier van 2 juli 2018, met bijlagen, van de zijde van de vader;

  • -

    het verweerschrift van 3 juli 2018, met bijlagen, van de zijde van de moeder;

  • -

    de reactie op het verweerschrift van 31 juli 2018, met bijlagen, van de zijde van de vader;

  • -

    het verslag van de bijzondere curator van 2 augustus 2018;

  • -

    het faxbericht van 6 augustus 2018 van de zijde van de vader.

Op 5 juli 2018 is de zaak ter zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vader, bijgestaan door zijn advocaat, de moeder, bijgestaan door haar advocaat, en mevrouw K.A. Hompert namens de Raad voor de Kinderbescherming. Het betrof hier een regiezitting met als behandelend rechter, tevens kinderrechter, mr. A.C. Olland. De behandeling ter zitting is aangehouden.

De ouders hebben na de regiezitting geen crossborder-mediationtraject gevolgd, omdat zij vóór indiening van het verzoek door de vader al een dergelijk traject, gefaciliteerd door het Mediation Bureau van het Centrum Internationale Kinderontvoering, hebben gevolgd. Zij zijn toen niet tot een minnelijke regeling gekomen.

Bij beschikking van 6 juli 2018 is drs. J.A.M. Hendriks benoemd tot bijzonder curator over de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De bijzondere curator is verzocht de volgende vragen te beantwoorden:

  1. Wat geven [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zelf aan over een eventueel verblijf in [woonplaats vader] en een eventueel verblijf in Nederland?

  2. In hoeverre lijken [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zich vrij te kunnen uiten?

  3. In hoeverre lijken [minderjarige 1] en [minderjarige 2] de gevolgen van het verblijf in [woonplaats vader] of het verblijf in Nederland te overzien?

  4. Willen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met de rechter(s) spreken en zo ja, wensen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dat de bijzondere curator daarbij aanwezig zal zijn?

  5. Zijn er nog bijzonderheden naar voren gekomen die van belang zijn voor de te nemen beslissingen?

Bij afzonderlijke beschikking van 6 juli 2018 heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard om kennis te nemen van het door de vader ingediende verzoek ex artikel 223 van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering, strekkende tot het vaststellen van een voorlopige omgangsregeling tussen de vader en de kinderen (C/09/555739, FA RK 18-4708). De rechtbank heeft die zaak verwezen naar de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen.

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben op 7 augustus 2018 – in het bijzijn van de bijzondere curator – in raadkamer met de rechters gepraat.


Op 7 augustus 2018 is de behandeling ter zitting van de meervoudige kamer voortgezet.

Hierbij zijn verschenen:

  • -

    de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

  • -

    de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

  • -

    de bijzondere curator;

  • -

    mevrouw M. van den Bom namens de Raad voor de Kinderbescherming.

De rechtbank heeft de ouders de gelegenheid gegeven om na de zitting nog te proberen om in onderling overleg tot een oplossing voor hun geschil te komen. De griffier heeft op 15 augustus 2018 telefonisch contact gehad met mr. Schipper en met een kantoorgenoot van mr. Scheer, die de zaken van mr. Scheer gedurende haar vakantie waarneemt. Beide advocaten hebben aangegeven dat de ouders geen overeenstemming hebben bereikt.

Verzoek en verweer

De vader heeft verzocht de onmiddellijke terugkeer van na te melden minderjarige kinderen te bevelen naar het woonadres van de vader in [woonplaats vader] , althans naar [woonplaats vader] , en daarbij te bepalen dat de onmiddellijke terugkeer uiterlijk binnen veertien dagen na de te wijzen beschikking dient te geschieden, althans op een datum als door de rechtbank in goede justitie wordt bepaald, waarbij de moeder wordt bevolen de kinderen uiterlijk op die datum aan de vader af te geven met gelijktijdige afgifte van de geldige reisdocumenten van de kinderen aan de vader, met veroordeling van de moeder in de kosten die de vader heeft moeten maken in verband met de ontvoering en teruggeleiding, een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De moeder heeft verweer gevoerd tegen de verzoeken van de vader.

Feiten

­ De vader en de moeder zijn gehuwd op [huwelijksdatum] te [huwelijksplaats] .

­ Zij zijn de ouders van de volgende nog minderjarige kinderen:

- [minderjarige 1] geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ;

- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] .

­ De ouders oefenen het gezamenlijk gezag over de kinderen uit.

­ De vader, de moeder en de kinderen hebben de Nederlandse nationaliteit.

­ De kinderen zijn op 24 maart 2018 naar Nederland gekomen. Zij verblijven sindsdien in Nederland.

­ De vader heeft zich niet gemeld bij de Nederlandse Centrale Autoriteit (CA).

Beoordeling

De vader heeft zijn verzoek gebaseerd op het Haagse Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen van 25 oktober 1980 (hierna: het Verdrag). [woonplaats vader] is geen partij bij het Verdrag. Volgens artikel 2 van de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering (hierna: de Uitvoeringswet) is deze wet ook van toepassing in de gevallen van internationale ontvoering van kinderen die niet door een verdrag worden beheerst.

Op grond van artikel 11 lid 1 van de Uitvoeringswet is de kinderrechter van de rechtbank Den Haag bevoegd kennis te nemen van alle zaken met betrekking tot de gedwongen afgifte van een internationaal ontvoerd kind aan degene wie het gezag daarover toekomt en de teruggeleiding van een zodanig kind over de Nederlandse grens. De rechtbank ziet in het bepaalde in artikel 2 en 13 lid 3 van de Uitvoeringswet aanleiding de regels van het Verdrag naar analogie toe te passen.

Het Verdrag heeft – voor zover hier van belang – tot doel de onmiddellijke terugkeer te verzekeren van kinderen die ongeoorloofd zijn overgebracht naar of worden vastgehouden in een Verdragsluitende staat. Het Verdrag beoogt hiermee een zo snel mogelijk herstel van de situatie waarin het kind zich bevond direct voorafgaand aan de ontvoering of vasthouding. Een snel herstel van de aan de ontvoering of vasthouding voorafgaande situatie wordt geacht de schadelijke gevolgen hiervan voor het kind te beperken.

De rechtbank ziet in hetgeen de moeder heeft gesteld – en door de vader gemotiveerd is weersproken – geen aanleiding om in de onderhavige zaak van de in het Verdrag genoemde uitgangspunten af te wijken.

Ongeoorloofde overbrenging of vasthouding in de zin van artikel 3 van het Verdrag

Er is sprake van ongeoorloofde overbrenging of ongeoorloofde vasthouding in de zin van het Verdrag wanneer de overbrenging of het niet doen terugkeren geschiedt in strijd met een gezagsrecht ingevolge het recht van de staat waarin het kind onmiddellijk voor zijn overbrenging of vasthouding zijn gewone verblijfplaats had en dit recht alleen of

gezamenlijk werd uitgeoefend op het tijdstip van het overbrengen of niet doen terugkeren, dan wel zou zijn uitgeoefend indien een zodanige gebeurtenis niet had plaatsgevonden (artikel 3 van het Verdrag).

Gewone verblijfplaats en gezag

Niet in geschil is dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onmiddellijk voor de overbrenging naar Nederland hun gewone verblijfplaats in [woonplaats vader] hadden. Evenmin is in geschil dat de ouders samen het gezag hebben over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en dat het gezagsrecht daadwerkelijk gezamenlijk werd uitgeoefend.

Toestemming

Uit de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken is de rechtbank gebleken dat de relatie tussen de ouders in oktober 2017 feitelijk is verbroken. De ouders hebben vervolgens in onderling overleg en met behulp van een gezamenlijke vriendin, [naam vriendin] afspraken gemaakt met betrekking tot de kinderen. Deze afspraken zijn vastgelegd in een overeenkomst die op 27 januari 2018 door beide ouders en door [naam vriendin] is ondertekend. In deze overeenkomst is onder meer het volgende opgenomen:

‘(…) De kinderen zullen op 24/25-03 voor 3 weken op vakantie komen bij [belanghebbende] in NL, [verzoeker] zorgt voor deze vliegtickets. De kinderen zullen permanent naar NL komen na de laatste school term welke eindigt op 6 juli 2018. De kinderen zullen het eerste deel van de vakantie bij [belanghebbende] doorbrengen vanaf 7/8 juli (tickets voorzien door [verzoeker] ) en het tweede deel bij [verzoeker] om vervolgens verder bij [belanghebbende] te verblijven mits [belanghebbende] haar leven redelijkerwijs op orde heeft. Echter zal er GOED naar de kinderen gekeken, geluisterd moeten worden, zij hebben weldegelijk een stem hierin. Het kan en mag nooit zo zijn, dat ze tegen hun wil zouden moeten blijven in [woonplaats vader] bij vader, of moeten verhuizen naar moeder in NL. Voorwaarde wel dat de kinderen naar een internationale school gaan zoals ze dat nu ook doen, dit bekostigt door [verzoeker] in Usa zowel als toekomstig in NL. Voorkeur gaat uit naar [plaatsnaam] . Dit moet echter ook wel haalbaar kunnen zijn qua huisvesting. Mocht echter blijken dat het de kinderen te veel schade oplevert dat hun moeder er niet is, of dat zich dit uit op te veel problemen op school dan zal (moet) er voor gekozen worden dat de kinderen in maart naar NL komen om vervolgens te blijven. Nogmaals mits moeder alles redelijkerwijs in orde heeft, zoniet zal er naar een andere oplossing gekeken moeten worden. Dit in goed overleg. (…)’

De moeder is op 28 januari 2018 naar Nederland vertrokken. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn op

24 maart 2018 naar Nederland gekomen en verblijven sindsdien bij hun moeder in Nederland.

Tussen de ouders is in geschil of sprake is van ongeoorloofde vasthouding in de zin van het Verdrag door de moeder.

De meest vergaande stelling van de vader is dat de afspraken met betrekking tot de kinderen, zoals deze in de overeenkomst van 27 januari 2018 zijn vastgelegd, niet meer gelden, omdat hij de betreffende overeenkomst bij brief van zijn advocaat van 13 juni 2018 heeft ontbonden. Dat betekent volgens de vader dat de gewone verblijfplaats van de kinderen in [woonplaats vader] is, dat de moeder hen ongeoorloofd in Nederland achterhoudt en dat de kinderen dus naar [woonplaats vader] moeten terugkeren. De moeder heeft daartegen aangevoerd, dat – voor zover al van een tekortkoming aan haar zijde zou kunnen worden gesproken – de bijzondere aard of geringe betekenis daarvan de ontbinding van de overeenkomst, met haar gevolgen, niet rechtvaardigt.

De rechtbank overweegt dat, hoewel het familierecht onderdeel uitmaakt van het burgerlijk recht, niet alle wettelijke bepalingen omtrent overeenkomsten en de ontbinding daarvan onverkort voor toepassing in aanmerking komen waar het gaat om afspraken met betrekking tot kinderen. Dat geldt in ieder geval voor de gevolgen van een ontbinding van zulke afspraken als deze reeds voor een deel zijn uitgevoerd; ongedaanmaking van reeds ontvangen prestaties, zoals bedoeld in artikel 6:271 van het Burgerlijk Wetboek (BW), of een vergoeding ter zake zoals bedoeld in artikel 6:272 BW, is in dat kader niet goed denkbaar. Een dergelijke juridisch-technische benadering via het overeenkomstenrecht van de onderhavige situatie doet naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende recht aan de belangen van de kinderen. De aard van de overeenkomst – die over de kinderen gaat – vraagt om een andere benadering. De rechtbank gaat daarom in het navolgende uit van de geldigheid van de tussen de ouders vastgelegde afspraken.

De rechtbank is van oordeel dat uit de afspraken van de ouders – en de toelichting die de ouders hier beiden op hebben gegeven – blijkt dat het de intentie van de ouders was dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op 24 maart 2018 voor een vakantie van drie weken naar Nederland zouden komen, daarna terug zouden gaan naar [woonplaats vader] en uiteindelijk op of omstreeks 6 juli 2018 permanent naar Nederland zouden terugkeren. Dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] permanent naar Nederland zouden komen blijkt ook uit de omstandigheid dat de vader contact heeft gezocht met de Europese school in [plaatsnaam] , per e-mail op 9 februari 2018, waarin hij schrijft ‘Our children are moving back with their mother ( [belanghebbende] ) to the Netherlands for the new school-year after 3 years of schooling in [woonplaats vader]’, en nogmaals in april 2018 toen hij in Nederland was.

De uitvoering van de gemaakte afspraken is echter anders verlopen dan de ouders ten tijde van het opstellen van deze afspraken voor ogen hadden. De moeder heeft op 12 april 2018, aan het einde van een mediationgesprek tussen de ouders, aan de vader medegedeeld dat de kinderen niet terug zouden keren naar [woonplaats vader] op 14 april 2018. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn, ondanks dat de vader het hier niet mee eens was, in Nederland gebleven en gaan hier naar school. Aan de intentie van de ouders dat de kinderen naar Nederland zouden komen om hier permanent te blijven is daarmee – zij het eerder dan oorspronkelijk gepland – uitvoering gegeven.

De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat het geen gezamenlijke keuze van de ouders is geweest dat de kinderen na de vakantie in maart/april 2018 al in Nederland bleven. De moeder heeft dit zonder goed overleg met de vader besloten en de kinderen hebben daarna ook nauwelijks meer contact met hun vader gehad. Omdat de overeenkomst echter ook ruimte bood voor de mogelijkheid dat de kinderen al na de bewuste vakantie permanent in Nederland zouden blijven, en in ieder geval na 6 juli 2018, acht de rechtbank het feit dat de kinderen tussen maart en juli 2018 niet meer naar [woonplaats vader] zijn teruggekeerd onvoldoende om van ongeoorloofde vasthouding door de moeder te kunnen spreken. Nu bovendien de datum van 6 juli 2018 inmiddels is verstreken, is het verblijf van de kinderen in Nederland in ieder geval nu in overeenstemming met wat de ouders bij het maken van de afspraken voor ogen hadden.

De rechtbank zal het verzoek van de vader tot teruggeleiding van de kinderen naar [woonplaats vader] daarom afwijzen. De overige standpunten van de ouders behoeft de rechtbank niet meer te bespreken en beoordelen.

De rechtbank merkt ten overvloede op dat zij het zorgelijk vindt dat het de ouders niet lukt om samen afspraken te maken over het contact tussen de vader en de kinderen, waardoor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hun vader in de afgelopen periode nauwelijks en alleen in aanwezigheid van anderen hebben gezien. De rechtbank geeft de ouders in overweging om – in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] – goede en duidelijke afspraken te maken over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, waarbij ook de invulling van vakanties (in [woonplaats vader] ) onderwerp van gesprek zal moeten zijn.

Kosten

Nu de rechtbank het verzoek tot teruggeleiding afwijst, zal zij – gelet op het bepaalde in artikel 26 lid 4 van het Verdrag en artikel 13 lid 5 van de Uitvoeringswet – ook het verzoek van de vader tot veroordeling van de moeder in de kosten die de vader heeft moeten maken afwijzen.

Bijzondere curator

De rechtbank acht het in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dat de bijzondere curator de uitspraak van de rechtbank (en eventueel de uitspraak van het Gerechtshof) met hen bespreekt. De rechtbank merkt op dat de benoeming van de bijzondere curator, voor zover er hoger beroep wordt ingesteld tegen deze beslissing, doorloopt tijdens de appelprocedure. Voor het geval geen hoger beroep wordt ingesteld, wordt de bijzondere curator één maand na datum van deze beschikking ontslagen van haar taak.

Beslissing

De rechtbank:

*

wijst af het verzoek tot teruggeleiding van [minderjarige 1] , geboren op

[geboortedatum] te [geboorteplaats] , en [minderjarige 2] [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , naar [woonplaats vader] ;

*

wijst af het verzoek tot kostenveroordeling;

*

ontslaat – voor zover geen hoger beroep wordt ingesteld tegen deze beslissing – de bijzondere curator drs. J.A.M. Hendriks met ingang van 21 september 2018 van haar taak.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J. Visser, N.B. Verkleij en K.M. Braun, kinderrechters, bijgestaan door mr. M. Verkerk als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 21 augustus 2018, wegens afwezigheid van de voorzitter getekend door

mr. N.B. Verkleij.

Van deze beschikking kan -voor zover er definitief is beslist- hoger beroep worden ingesteld binnen twee weken (artikel 13 lid 7 Uitvoeringswet internationale kinderontvoering) na de dag van de uitspraak door indiening van een beroepschrift ter griffie van het Gerechtshof Den Haag. In geval van hoger beroep zal de terechtzitting bij het hof - in beginsel - plaatsvinden in de derde of vierde week na deze beslissing.