Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:10168

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22-08-2018
Datum publicatie
31-08-2018
Zaaknummer
C/09/522331 / HA ZA 16-1320
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

overheidsaansprakelijkheid

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2018-0681
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/522331 / HA ZA 16-1320

Vonnis van 22 augustus 2018

in de zaak van

LEMAPA B.V. te Leiden,

eiseres,

advocaat mr. L. Roumen te Leidschendam,

tegen

DE GEMEENTE LEIDEN te Leiden,

gedaagde,

advocaat mr. V.H. Affourtit te Amsterdam.

Partijen zullen hierna Lemapa en de Gemeente genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met 21 producties

  • -

    de conclusie van antwoord met 2 producties

  • -

    het tussenvonnis van 5 april 2017 waarbij een comparitie van partijen is bevolen

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 11 december 2017.

1.2.

Het proces-verbaal van comparitie is buiten aanwezigheid van partijen opgemaakt. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om eventuele onjuistheden schriftelijk kenbaar te maken. Bij brief van 27 december 2017 heeft Lemapa van die gelegenheid gebruik gemaakt, waarbij tevens de gehele pleitnota is bijgevoegd. Met een brief van 28 december 2017 van de Gemeente is bezwaar gemaakt tegen toevoeging van de pleitnota aan het procesdossier. De brieven maken deel uit van het procesdossier en het vonnis wordt gewezen met inachtneming daarvan. Nu Lemapa de pleitnota ter comparitie niet heeft voorgedragen en de Gemeente daarop niet heeft kunnen reageren, wordt – gelet op het beginsel van hoor en wederhoor – de pleitnota bij de beoordeling buiten beschouwing gelaten.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

In de panden Pieterskerkchoorsteeg nummers 7, 9 en 11 te Leiden is sinds 1985 op de begane grond een restaurant gevestigd. Lemapa heeft de exploitatie van het restaurant vanaf 1 mei 1997 overgenomen en voortgezet. De panden nummers 7 en 9 zijn eigendom van de heer [A] en worden gehuurd door Lemapa. Achterin het restaurant op de begane grond bevindt zich de keuken, met daarboven op de eerste etage een ruimte die wordt gebruikt als magazijn, en waar tevens de motor van de afzuiginstallatie van het restaurant is geplaatst. Ook die ruimte op de eerste etage huurt Lemapa van de heer [A] . De overige ruimte(s) op de eerste etage, pand nummer 7A, verhuurt de heer [A] als woonruimte.

2.2.

Met een brief van 15 mei 1996 heeft de Gemeente aan de heer [A] een lijst gestuurd van geconstateerde gebreken aan het pand Pieterskerkchoorsteeg 7A in verband met het Bouwbesluit. Onder ‘Brandweereisen’ is bij punt 27 opgenomen:

“De vloer/plafond constructie tussen de begane grond en de 1e verdieping dient 60 minuten brandwerend te zijn.

Onderzoeken of deze constructie hieraan voldoet. Zo niet, de constructie in overeenstemming brengen met deze eis.”

2.3.

Op 27 mei 1997 heeft de Gemeente aan de heer [A] een bouwvergunning verleend voor de verbouwing van de panden nummer 7A tot (5) woningen overeenkomstig de bij de aanvraag overgelegde en door de Gemeente gewaarmerkte tekeningen bladnummers D01/W0 d.d. 16 december 1996, D02/W1, D03/W1 en D04/W0 d.d. 7 januari 1997. Daarop is aangetekend dat de brandweer Leiden op 13 februari 1997 akkoord heeft gegeven “met inachtname van de/in rood aangegeven bemerkingen/gestelde eisen”. Op bladnummer D03/W1 is een verticale lijn loodrecht getekend door de horizontale lijn van – onder meer – het plafond begane grond en de vloer eerste etage heen, waarbij beide uiteinden van de verticale lijn met ‘xx’ zijn gemerkt, en een aantekening dat 60 minuten brandwerend materiaal moet worden aangebracht. Conform het bestek is bij de verbouwing op de eerste etage een anhydrietvloer aangebracht op de bestaande houten verdiepingsvloer. Uit de verslagen van bouwvergaderingen van 15 augustus 1997 en 1 en 15 september 1997 blijkt dat de heer [X] , inspecteur bij de afdeling Bouw en Woningtoezicht van de Gemeente, de algemene constructieve toestand van de panden heeft beoordeeld en akkoord is gegaan met de voorgestelde constructieve maatregelen.

2.4.

Op 26 juni 1999 heeft brand gewoed in de motor van de afzuiginstallatie in de ruimte boven de keuken van het restaurant, als gevolg waarvan herstelwerkzaamheden noodzakelijk waren in deze ruimte op de eerste etage en in het restaurant op de begane grond. Gedurende deze herstelwerkzaamheden was het restaurant gesloten.

2.5.

Op 18 augustus 1999 hebben de heer [X] , bouwinspecteur van de Gemeente en de heer [Y] , plaatsvervangend chef van de afdeling Preventie van de brandweer Leiden, de panden waarin het restaurant is gevestigd bezocht en de aldaar uitgevoerde werkzaamheden gecontroleerd.

2.6.

In de periode tussen 18 augustus 1999 en begin oktober 1999 heeft Lemapa brandwerende voorzieningen aangebracht aan het plafond en de muren van het restaurant. Aansluitend is het restaurant begin oktober 1999 heropend.

2.7.

Op 20 december 1999 heeft de Gemeente van Lemapa een aanvraag ontvangen voor een gebruiksvergunning voor het restaurant. De Gemeente heeft op 23 december 1999 de gebruiksvergunning verleend aan Lemapa. Daarbij is overwogen dat het gebouw Pieterskerkchoorsteeg 7-11 te Leiden voor het gebruik als restaurant voldoet aan de voorschriften van brandveiligheid ingevolge het Bouwbesluit.

2.8.

Bij brief van 15 juli 2004 heeft Lemapa de Gemeente aansprakelijk gesteld voor de kosten van de in 1999 bij de herstelwerkzaamheden aangebrachte brandwerende voorzieningen in het restaurant op de begane grond. De totale kosten daarvan zijn op basis van een kostenprogramma geraamd op fl. 118.950,78 zijnde € 53.977,51. De kosten van overige uitgevoerde werkzaamheden en/of werkzaamheden voor rekening van Lemapa zijn buiten die raming gelaten.

2.9.

De Gemeente heeft in augustus 2004 de kwestie van de aansprakelijkheidsstelling overgedragen aan de verzekeraar Centraal Beheer Achmea. Op verzoek van Centraal Beheer Achmea heeft [B.V. I] een expertiserapport d.d. 31 augustus 2005 opgesteld. Daarin is opgenomen:

“- Wij gaan er van uit dat op de vloer van de boven het restaurant gelegen verdieping, althans de delen boven nr. 7 en 9, inderdaad in 1997 een anhydrietvoorziening is aangebracht in opdracht van de heer [A] . Daarbij achten wij het normaal dat ten tijde van een verbouwing de eisen vooralsnog worden beperkt tot de branduitbreiding vanuit het betreffende compartiment naar buiten, kortom, dat in eerste instantie is volstaan met een voorziening òp de vloer.

- Niet hebben wij kunnen vaststellen dat in 1999 sprake is geweest van harde eisen richting wederpartij ten aanzien van het treffen van maatregelen. Wèl kunnen de te nemen maatregelen naar voren zijn gekomen toen het begrip ‘gebruiksvergunning’ (al dan niet naar aanleiding van de brand en/of een verbouwing) onder de aandacht van wederpartij kwam. In dat geval zal verzekerde (brandweer of Bouwen en Wonen) wellicht hebben gesteld, dat voor een dergelijke vergunning ‘die-en-die’ maatregelen zijn vereist.”

2.10.

Op 14 december 2005 heeft een bespreking plaats gevonden tussen de heer [Y] en de heer [B] , namens Lemapa. In een door de heer [Y] op 14 februari 2006 voor akkoord getekend verslag van die bespreking is vermeld:

“Op 18 augustus 1999 ben ik, op verzoek van de heer [X] die toen werkzaam was als bouwinspecteur bij de afdeling bouw en woningtoezicht (hierna b en w) van de gemeente Leiden, op bezoek geweest op de begane grond van de panden Pieterskerkchoorsteeg 7 t/m 11 te Leiden. (…) Enig vooroverleg met de heer [X] heeft niet plaatsgevonden. Van deze panden was mij op dat moment niets bekend. (…) In het restaurantgedeelte waren op dat moment meerdere mensen bezig met bouwwerkzaamheden. Vervolgens heb ik het restaurant bekeken en o.a. gesproken met de persoon die namens het restaurant verantwoordelijk was voor de bouwwerkzaamheden. Aan deze persoon heb ik medegedeeld dat het restaurant in ieder geval niet open mocht gaan indien niet voldaan zou worden aan de eis dat in het gehele restaurant een brandwerende laag aan het plafond moest zijn bevestigd welke zou zorgdragen voor een brandwerendheid van 60 minuten. Een dergelijke brandwerende laag moet op een zodanige wijze worden aangebracht dat er geen rook, vuur of hete gassen naar boven kunnen ontsnappen, hetzij via plafond hetzij via muren. Plafonds moeten dus volledig aansluiten op een stenen muur. Is zo’n aansluiting op een stenen muur niet mogelijk, dan moet op een andere wijze voor volledige afsluiting worden gezorgd.(…)

Tijdens het bezoek aan het restaurant is mogelijk nog niet aan belanghebbende medegedeeld dat er geen gebruiksvergunning was voor het pand. Ik heb in ieder geval vòòr mijn bezoek aan het pand geen dossieronderzoek gedaan. (…)

Ik ben er in 1999 steeds vanuit gegaan dat de heer [X] van de hele situatie in de panden op de hoogte was en met alle gegevens van de panden bekend was. Voorts was het in het algemeen zo dat b en w panden bezocht en als er dan nog vragen waren over specifieke brandveiligheidsvoorzieningen door b en w de brandweer ingeschakeld werd. (…)

Met mijn ervaring bij de brandweer had ik in 1997 nimmer als alternatief een brandwerende laag op de vloer van de 1e etage van het pand toegestaan omdat de houten balken die de verdieping dragen dan onbeschermd zijn tegen het vuur. Het is immers van het grootste belang dat een brand op de begane grond niet doorslaat naar boven. Bij het aanbrengen van voorzieningen op de vloer van een etage loopt men het risico dat bij een brand delen van de vloer waarop de brandwerende voorzieningen zijn aangebracht bezwijken en met de brandwerende voorzieningen naar beneden komen, met alle risico’s voor bewoners boven en brandweerlieden. (…) Slechts bij authentieke oude bewerkte plafonds of balken werd het alternatief van aanbrengen op de vloer van de etage toegestaan omdat dergelijke balklagen qua sterkte overgedimensioneerd waren en in het zicht moesten blijven in verband met monumentenzorg.”

2.11.

Bij brief van 7 juni 2006 informeert Centraal Beheer Achmea Lemapa dat op grond van het bepaalde in artikel 14 lid 2 van het in 1999 geldende Bouwbesluit 1992 de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag tussen brandcompartimenten ten minste 60 minuten moet zijn.

“Door het alleen aanbrengen van een brandwerende laag op de vloer, wordt niet aan deze eis voldaan. Het aanbrengen van een brandwerende scheiding aan de onderzijde van de eerste verdiepingsvloer waardoor de scheidingsconstructie tussen het restaurant en de woningen 60 minuten in stand blijft, is dan ook noodzakelijk.”

2.12.

Op 6 augustus 2009 is ten overstaan van de rechtbank een voorlopig getuigenverhoor gehouden, waarvan proces-verbaal is opgemaakt. Daar heeft de heer [Y] onder meer het volgende verklaard:

“U houdt mij voor het verslag van een bespreking tussen de heren [Y] en [B] op 14 december 2005. Ik ken dat verslag. (…) Ik sta nog steeds achter dat verslag. (…) Ik was in het restaurant op uitnodiging van de inspecteur Bouw en Woningtoezicht. Hij nam mij mee naar een plek in het restaurant om de afzuigconstructie te bekijken. Hij wilde daarover mijn advies in verband met de brandveiligheid. (…) Ik was daar namelijk niet om een gebruiksvergunning te controleren; ik was daar op uitnodiging van inspecteur Bouw en Woningtoezicht om hem op bepaalde punten van brandveiligheidadvies te dienen. (…) Pas toen ik daar ter plekke was hoorde ik van de heer [X] waarover hij mijn advies wilde. Het restaurant zag eruit als een pand in verbouwing. Ik had de stellige indruk op grond van wat ik om mij heen zag dat er werd verbouwd. Ik wist ook dat er enige tijd geleden een brand geweest was. Ik weet niet meer waarom ik ervan uit ging dat er een bouwvergunning zou zijn afgegeven. Ik weet wel dat ik daar vanuit ging. (…) Ik herinner mij dat het bezoek leidde tot een commotieus gesprek. Ik ben van voor tot achter het pand doorgelopen en constateerde dat het plafonds niet voldeden aan de eisen van brandveiligheid. Ik was van mening dat de plafonds moesten voorzien in een brandwerendheid van 60 minuten. En ik zag dat dit niet het geval was. (…) Ik voeg daaraan toe dat ik de eis van plafons met een brandwerendheid van 60 minuten ook zou hebben gesteld als er geen bouwvergunning zou zijn verleend. (…)

U vraagt mij of de 60 minuten eis terug te voeren is op mijn persoonlijke opvatting of op het bouwbesluit. Daarop antwoord ik u dat het bouwbesluit 1992 bij hoofdstuk nieuwbouw het over de 60 minuten eis heeft. Bij bestaande gebouwen moet die eis gehalveerd worden tot 30 minuten. Naar mijn oordeel beantwoordde de plafonds niet aan de 60 minuten eis maar ook niet aan de 30 minuten eis. (…) Bij een gebouw waarvoor een bouwvergunning is afgegeven kunnen onder het kopje nadere eisen dit soort eisen worden opgenomen. De situatie heb ik beoordeeld aan de hand van de plafonds. Daarvan heb ik beoordeeld of die al dan niet voldeden aan de 60 minuten eis. Ik heb dat niet kunnen beoordelen aan de hand van de vloer van de bovenliggende etage en ook niet aan de hand van de dimensies van de balken in het plafond. Het ging namelijk om een afgedekte balkenlaag.

(…) Ik heb met de 60 minuten eis geen advies gegeven maar en strikte eis gesteld. Het eisenpakket, er waren namelijk nog andere eisen, is niet schriftelijk vastgelegd.”

2.13.

Bij brieven van 9 en 30 juli 2014 hebben twee onafhankelijke architecten, aan de hand van de bouwtekening met bladnummer D03/W1, afzonderlijk van elkaar aan Lemapa bevestigd dat totaal 60 minuten brandwerendheid moet zijn aangebracht, op of onder de vloer. Volstaan kan worden met een brandwerende voorziening op de vloer indien de draagbalkconstructie waarop de vloer rust zelf ook 60 minuten brandwerend is.

2.14.

In een op 27 januari 2015 op verzoek van de Gemeente uitgebracht rapport van [B.V. II] omtrent de in 1999 geldende normen van brandpreventie is vermeld:

“In 1999, toen het advies door de Gemeente werd gegeven, gold het Bouwbesluit 1992 (verder te noemen het Bouwbesluit). (…)

Het Bouwbesluit maakt ten aanzien van het onderwerp ‘brandwerendheid’ onderscheid tussen ‘nieuwbouw’ en ‘bestaande bouw’. Ook is de categorie van het gebouw relevant. Zo is er het onderscheid tussen ‘woning’/’woongebouw’ en voorts de categorie ‘niet voor bewoning bestemde gebouwen’. (…) Wij zullen er bij de beoordeling van uit gaan dat er sprake is van een ‘niet voor bewoning bestemd gebouw’.

(…)

Afhankelijk van de aard van (ver)bouwwerkzaamheden en het ‘rechtens verkregen niveau’ (dat wil zeggen: het bij een eerdere verbouwing aangehouden niveau) kan de eis geldend voor ‘nieuwbouw’ of ‘bestaande bouw’ worden aangehouden. In het dossier troffen wij aan dat de anhydrietvloer mogelijk 60 minuten brandwerend zou zijn.

Als dat het niveau is dat bij de in 1997 uitgevoerde verbouwing tot stand is gekomen, zou dat betekenen dat de eisen voor ‘nieuwbouw’ moet worden aangehouden en dat is 60 minuten brandwerend.

Feitelijk maakt het niet heel veel uit, omdat het effectieve verschil in kosten tussen een bekleding die 30 minuten of 60 minuten brandwerend is, zeer gering is (plaatdikte is 10 mm of 12 mm).

(…)

De gemeente kon op basis van de geldende regelgeving eisen stellen aan de brandwerendheid van het plafond. Dit omdat de op de houten vloer aangebrachte anhydrietvloer de brandwerendheid tegen brand vanaf de onderzijde niet heeft doen toenemen. Omdat de vloerconstructie onderdeel van de hoofddraagconstructie is, moet deze brandwerend aan de onderzijde zijn. Het is terecht dat de gemeente eiste dat de brandwerendheid werd vergroot.

(…)

Zoals eerder aangegeven is de eis ten aanzien van de draagconstructie maatgevend ten opzichte van de eis met betrekking tot beperking van uitbreiding van de brand. De eis die wordt gesteld is 30 of 60 minuten, afhankelijk van of er sprake is van ‘nieuwbouw’ of ‘bestaande bouw’. In de regel is een gangbare vloerconstructie bestaande uit houten balken en beplanking beperkt tot 10 - 20 minuten brandwerendheid.

(…)

Naar onze mening is de eis van 60 minuten brandwerend in lijn met het feit dat het volgens verklaringen om een flinke verbouwing ging. Daarnaast is dat in lijn met het feit dat er al een anhydrietvloer zou zijn die eveneens 60 minuten brandwerend was.

(…)

In onze ogen draagt de aanwezigheid van een anhydrietvloer niet bij aan de brandwerendheid van de houten balken/plankenvloer als onderdeel van de hoofddraagconstructie. Dit omdat de beplanking en de balken niet beschermd zijn tegen brand op de begane grond en de anhydrietvloer geen sterkte heeft.

Dat houdt in dat de balken en de beplanking nog steeds moeten voldoen aan de brandwerendheid van 30 minuten of 60 minuten. Ongeacht op er nu een anhydrietvloer is of niet.”

3 Het geschil

3.1.

Lemapa vordert – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad –

  • -

    een verklaring voor recht dat het mondelinge bevel op 18 augustus 1999 van de heer [Y] om het gehele restaurant van een 60 minuten brandwerende laag aan plafond en wanden te voorzien moet worden aangemerkt als onrechtmatige daad,

  • -

    een verklaring voor recht dat deze onrechtmatige daad primair als onrechtmatige daad van de Gemeente heeft te gelden, subsidiair dat de Gemeente op grond van artikel 6:170 BW aansprakelijk is voor de schade als gevolg van deze onrechtmatige daad,

  • -

    de Gemeente te veroordelen tot vergoeding van de schade ter zake van de als gevolg van de onrechtmatige daad gemaakte kosten voor a) het aanbrengen van de brandwerende maatregelen groot € 53.977,51, b) juridische bijstand ter vaststelling van de schade en de aansprakelijkheid en verkrijging van voldoening buiten rechte groot € 26.298,32 en c) eigen werkzaamheden van de heer [B] als directeur van Lemapa ter vaststelling van de schade en de aansprakelijkheid en de voldoening buiten rechte groot € 30.442,50,

  • -

    een en ander vermeerderd met de wettelijke rente over de schadeposten en veroordeling van de Gemeente in de proceskosten.

3.2.

Lemapa legt aan de vorderingen ten grondslag dat de heer [Y] van de brandweer Leiden ten onrechte de (mondelinge) eis heeft gesteld dat het plafond en de wanden van het gehele restaurant moesten worden voorzien van 60 minuten brandwerende maatregelen, voordat het restaurant na de herstelwerkzaamheden vanwege de brand in 1999 zou kunnen heropenen. Dit is aan te merken als een onrechtmatige daad. Lemapa heeft en is op die dwingende instructie mogen afgaan. De eis van de heer [Y] is gedaan in aanwezigheid van een vertegenwoordiger van de Gemeente, die wist althans behoorde te weten dat in 1997 de vloer op de eerste etage was aangepast aan de brandveiligheidseisen. Deze eis en daarmee het onrechtmatig handelen kan worden toegerekend aan de Gemeente. Als gevolg van de onjuiste uitlatingen heeft Lemapa schade geleden, waarvoor de Gemeente aansprakelijk is.

3.3.

De Gemeente voert verweer. Samengevat betwist de Gemeente dat er sprake is van onrechtmatig handelen, en stelt dat dit vermeende onrechtmatig handelen in ieder geval niet aan de Gemeente kan worden toegerekend. Voorts ontbreekt het voor aansprakelijkheid vereiste causaal verband tussen de gestelde schade en het handelen van de Gemeente. Daarnaast betwist de Gemeente de omvang van de gestelde schade.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Partijen zijn verdeeld over de vraag of de Gemeente in 1999 mocht eisen dat Lemapa brandwerende voorzieningen aan het plafond in het restaurant in de panden nummers 7-11 zou aanbrengen, met een brandwerendheid van 60 minuten.

4.2.

De rechtbank overweegt dat voor de beoordeling dient te worden uitgegaan van het Bouwbesluit 1992. Uit de diverse overgelegde stukken en verklaringen leidt de rechtbank af dat het bij de eisen van de brandwerendheid gaat om de duur van de weerstand tegen de branddoorslag en brandoverslag tussen de verschillende brandcompartimenten. Voor zover die scheiding tussen brandcompartimenten wordt gevormd door een vloer, gaat het om de brandwerendheid van de hoofddraagconstructie van de vloer. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen nieuwbouw en bestaande bouw. In het Bouwbesluit 1992 is de eis van brandwerendheid van de hoofddraagconstructie van de vloer bij nieuwbouw gesteld op 60 minuten en bij bestaande bouw op 30 minuten.

4.3.

De rechtbank overweegt dat het restaurant op de begane grond en de woningen op de eerste etage van pand nummer 7A moeten worden beschouwd als verschillende brandcompartimenten. Vast staat dat bij de verbouwing van pand nummer 7A in 1997 voor de vloer tussen de begane grond en de eerste etage de eis is gesteld van een brandwerendheid van 60 minuten. Dit volgt uit de lijst met geconstateerde gebreken die is gevoegd bij de brief van 15 mei 1996 van de Gemeente aan de heer [A] , alsook uit de bouwtekeningen behorend bij de bouwvergunning van het pand nummer 7A. Vast staat voorts dat de anhydrietvloer die in pand nummer 7A is aangebracht op de bestaande houten vloer voldoet aan een brandwerendheid van 60 minuten. De rechtbank overweegt dat ten aanzien van de branddoorslag vanuit het pand nummer 7A naar het restaurant op de begane grond met het aanbrengen van de anhydrietvloer is voldaan aan de eis van brandwerendheid van 60 minuten.

4.4.

Uit de verschillende stukken kan worden afgeleid dat de brandwerendheid van de anhydrietvloer op zichzelf niet volstaat voor eventuele branddoorslag vanaf de onderzijde, vanuit het restaurant op de begane grond naar de vloer op de eerste etage. Zowel de architecten in hun brieven van 9 en 30 juli 2004 als [B.V. II] in haar rapport van 27 januari 2015 geven aan dat de draagbalkconstructie waarop de vloer rust zelf ook 60 minuten brandwerend dient te zijn. Zoals blijkt uit het verslag van de bespreking in december 2004 heeft ook de heer [Y] verklaard dat een brandwerende voorziening op de vloer wordt aangebracht bij plafonds en balklagen die qua sterkte overgedimensioneerd waren en in het zicht moesten blijven in verband met de eisen van monumentenzorg.

4.5.

De rechtbank overweegt ten aanzien van de brandveiligheidsnormen van het restaurant in verband met de aanwezigheid van de anhydrietvloer op de eerste etage als volgt. Lemapa lijkt te betogen, dat met de goedkeuring van de Gemeente in 1997 voor het aanbrengen van de anhydrietvloer op de eerste etage ervan kan worden uitgegaan dat de daarvoor benodigde draagconstructie toereikend is geacht. Deze stelling wordt door Lemapa onderbouwd met een verwijzing naar de bouwverslagen van de verbouwing van pand nummer 7A (productie 16 bij dagvaarding). Daarin is vermeld dat een afspraak zou worden gemaakt met de heer [X] in verband met de algemene constructieve toestand van de panden (bouwverslag van 18 augustus 1997) en vervolgens dat de heer [X] het pand heeft bezocht en akkoord is met de voorgestelde constructieve maatregelen (bouwverslag van 1 en 15 september 1997). De rechtbank constateert dat in de bouwverslagen is vastgelegd dat de heer [X] akkoord gaat met de constructieve maatregelen, maar dat er niet is vastgelegd welke constructieve maatregelen dat zijn. Naar het oordeel van de rechtbank kan uit de bouwverslagen niet worden afgeleid dat de sterkte van het balkenplafond in het restaurant als hoofddraagconstructie van de vloer op de eerste etage op brandwerendheid is gecontroleerd en voldoende bevonden. Dit geldt temeer waar de heer [B] namens Lemapa ter comparitie heeft verklaard dat de balken in het plafond ten tijde van de overname van het restaurant in 1997 waren afgedekt met brandwerende platen. De balkenconstructie van het plafond in het restaurant was in 1997 dus in het geheel niet zichtbaar. Een controle van de constructieve toestand in 1997 zoals Lemapa suggereert kan dan feitelijk niet hebben plaatsgevonden. Tevens neemt de rechtbank in aanmerking dat in de diverse rapportages en verklaringen, zoals in het rapport van [B.V. I] , is aangegeven dat bij de beoordeling van de brandveiligheid doorgaans alleen het betreffende brandcompartiment wordt bezien waarop de brandwerendheidseis betrekking heeft.

4.6.

De rechtbank overweegt voorts dat Lemapa de stelling (dagvaarding randnummers 27 en 67) dat in 1997 uitvoerig overleg heeft plaatsgevonden tussen de heer [A] , de architect en de heer [X] namens de Gemeente in verband met het aanbrengen van brandwerende voorzieningen, waarna de Gemeente heeft ingestemd met de vloervoorziening op de eerste etage in plaats van brandwerende plafonds in het restaurant, op geen enkele wijze heeft onderbouwd. Daarbij merkt de rechtbank nog op dat de anhydrietvloer niet kan gelden als brandwerend plafond van het gehele restaurant, nu pand nummer 7A zich immers alleen bevindt boven de panden nummers 7 en 9 en het restaurant ook gevestigd in pand nummer 11. De rechtbank is van oordeel dat de enkele goedkeuring en het feitelijk aanbrengen van de anhydrietvloer op de eerste etage in pand nummer 7A onvoldoende is om te kunnen concluderen, dat in 1997 daarmee de branddoorslag van de hoofddraagconstructie van die vloer en de plafonds in het restaurant op de begane grond is beoordeeld en geaccordeerd op voldoende brandwerendheid. Het betoog van Lemapa in dezen faalt.

4.7.

Vast staat dat de heer [X] van de Gemeente en de heer [Y] van de brandweer Leiden het restaurant van Lemapa in augustus 1999 ten tijde van de herstelwerkzaamheden na de brand hebben bezocht. De rechtbank overweegt dat de heer [Y] heeft verklaard dat het bezoek niet plaatsvond in het kader van een aanvraag om een gebruiksvergunning. Uit de stukken kan ook worden afgeleid dat de gebruiksvergunning eerst op een aanmerkelijk later tijdstip in december 1999 is aangevraagd. Blijkens een verslag van een gesprek met de heer [B] van Lemapa op 15 december 2005 heeft de heer [C] , kok en mede-eigenaar van het restaurant, verklaard dat er tijdens het bezoek van de heren [X] en [Y] in augustus 1999, waarbij hij ook aanwezig was, wel gesproken is over de noodzaak tot het aanvragen van een nieuwe gebruiksvergunning.

De rechtbank is met Lemapa van oordeel dat de heer [Y] tijdens het bezoek in augustus de eis heeft gesteld, dat het plafond in het gehele restaurant moet worden voorzien van een brandwerende laag met een brandwerendheid van 60 minuten, voordat het restaurant zou kunnen worden heropend. Zulks blijkt uit het verslag van het gesprek van de heer [Y] met de heer [B] in december 2005 en uit de verklaring van de heer [Y] bij het voorlopig getuigenverhoor in augustus 2009. Daarbij gold dat de brandwerende laag zodanig moet zijn aangebracht dat de aansluiting op de stenen muren volledig is afgedicht.

4.8.

De heer [Y] had naar het oordeel van de rechtbank ten aanzien van het plafond van de ruimte op de begane grond ook een eis van 60 minuten brandwerendheid mogen stellen. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, was in 1997 niet vastgesteld dat de hoofddraagconstructie van de balken een brandwerendheid van 60 minuten had. Uit de verklaring van de heer [Y] kan worden afgeleid dat het plafond in het restaurant ook in 1999 was afgedekt en de balken niet zichtbaar waren. Voorts heeft de heer [Y] verklaard dat hij het restaurant van voor naar achter is doorgelopen en het plafond heeft bekeken. Na eigen waarneming heeft hij geconcludeerd dat het plafond niet voldeed aan de 60 minuten eis brandwerendheid.

4.9.

In het Bouwbesluit 1992 wordt onderscheid gemaakt tussen bestaande bouw en nieuwbouw als het gaat om de brandwerendheidseisen. Voor nieuwbouw geldt de eis van 60 minuten brandwerendheid en voor bestaande bouw is dat 30 minuten. Lemapa betoogt dat voor zover al een aanvullende eis gesteld kan worden, naast de anhydrietvloer met een brandwerendheid van 60 minuten, dan moet worden uitgegaan van een brandwerendheid van 30 minuten, geldend voor bestaande bouw. Lemapa stelt, onder meer in het verzoekschrift tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor (productie 13) dat de inrichting voldeed aan de norm van 30 minuten brandwerendheid. De rechtbank overweegt dat Lemapa deze stelling op geen enkele wijze heeft onderbouwd. Voorts neemt de rechtbank hier in aanmerking dat de heer [Y] dit bij het voorlopig getuigenverhoor heeft weersproken en heeft verklaard dat het plafond (ook) niet voldeed aan de 30 minuten brandwerendheid. In het rapport van [B.V. I] is opgetekend dat de heer [Y] zou hebben gezegd dat het plafond ‘een lappendeken’ was. Tevens neemt de rechtbank in aanmerking dat in het rapport van [B.V. II] is opgenomen dat volgens de literatuur de brandwerendheid van gebruikelijke onbeschermde vloeren bestaande uit houten balken en beplanking minder dan 10 – 20 minuten is. Nu de balken en de draagconstructie aan het plafond in het restaurant in 1999 waren afgedekt, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden geconcludeerd dat de bestaande constructie voldeed aan de eis van 30 minuten brandwerendheid.

4.10.

In het rapport van [B.V. II] is beargumenteerd dat na de verbouwing van de eerste etage in 1997 het niveau van eisen voor nieuwbouw met een brandwerendheid van 60 minuten van toepassing is te achten. De heer [Y] heeft bij het voorlopig getuigenverhoor verklaard dat hij van mening was dat een eis van 60 minuten brandwerendheid gold. De rechtbank constateert dat op de bouwtekeningen uit 1997 voor het plafond begane grond en de vloer op de eerste etage een brandwerendheid van 60 minuten is aangetekend. Gelet op de bepalingen uit het Bouwbesluit 1992 lijkt deze eis te duiden op de voorwaarden die gelden voor nieuwbouw. In verband met de afgedekte balklaag kan niet worden vastgesteld dat de hoofddraagconstructie een brandwerendheid van 60 minuten had. Voorts is op geen enkele andere wijze door Lemapa aangetoond dat de brandwerendheid aan de onderzijde van de anhydrietvloer ten minste 60 minuten was. In het licht van deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de heer [Y] de eis mocht stellen dat een brandwerende laag van 60 minuten brandwerendheid aan het plafond zou worden aangebracht, met volledige afdichting op de stenen muur, alvorens het restaurant na de herstelwerkzaamheden kon heropenen.

4.11.

Nu de Gemeente de eis had mogen stellen dat Lemapa brandwerende voorzieningen met een brandwerendheid van 60 minuten zou aanbrengen, is er geen sprake van een onrechtmatige daad, en dient de vordering reeds om die reden afgewezen te worden. Derhalve kan verder in het midden blijven of [Y] bevoegd was om de Gemeente te vertegenwoordigen en of het handelen van [Y] kan worden toegerekend aan de Gemeente. Bij deze stand van zaken kunnen ook de overige stellingen en verweren verder onbesproken blijven. De rechtbank zal de vorderingen afwijzen.

4.12.

Lemapa zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de Gemeente worden begroot op:

- griffierecht € 3.903,00

- salaris advocaat 3.414,00 (2,0 punten × tarief € 1.707,00)

Totaal € 7.317,00

4.13.

De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt Lemapa in de proceskosten, aan de zijde van de Gemeente tot op heden begroot op € 7.317,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de veertiende dag van dit vonnis / de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3.

veroordeelt Lemapa in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat Lemapa niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.C. Hartendorp en in het openbaar uitgesproken op 22 augustus 2018.1

1 type: coll: