Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:10150

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-02-2018
Datum publicatie
28-08-2018
Zaaknummer
NL18.1468
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin Italie, interstatelijk vertrouwensbeginsel, beroep op Tarakhel slaagt niet, geen aanleiding hoeven zien artikel 17 DV toe te passen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.1468


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 februari 2018 in de zaak tussen

[eiser], eiser, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. P.J.Ph. Dietz de Loos),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. J.W. Kreumer).

Procesverloop

Bij besluit van 22 januari 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL18.1469, plaatsgevonden op 14 februari 2018. Eiser en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1991 en heeft de Algerijnse nationaliteit. Hij heeft op 13 november 2017 de onderhavige aanvraag ingediend.

2. Verweerder heeft de aanvraag op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw 2000 niet in behandeling genomen. In dit artikel is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen, indien op grond van de Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (de Dublinverordening) is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Italië een verzoek om overname gedaan. Italië heeft dit verzoek aanvaard.

3. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en heeft hiertoe – samengevat weergegeven – het volgende aangevoerd. Eiser stelt zich op het standpunt dat ten aanzien van Italië niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, omdat er zich aan het systeem gerelateerde tekortkomingen van de asielprocedure en opvangvoorzieningen voor doen. Voorts houdt Italië zich volgens eiser niet aan Richtlijn 2011/95/EU (Kwalificatierichtlijn), Richtlijn 2013/32/EU (Procedurerichtlijn) en Richtlijn 2013/33/EU (Opvangrichtlijn) in die zin dat eiser is medegedeeld dat zijn vingerafdrukken slechts werden afgenomen ter identificatie en dat hij de dag na afname van zijn vingerafdrukken te horen heeft gekregen dat hij Italië diende te verlaten. Eiser is doorgereisd naar Nederland, waar hij reeds van plan was een asielverzoek in te dienen. Eiser vreest bij terugkeer naar Italië te worden uitgezet naar Algerije zonder dat hij zijn asielrelaas te berde heeft kunnen brengen. Er bestaat aldus een reëel risico op refoulement. Tot slot doet eiser een beroep op het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 4 november 2014, met zaaknummer 29217/12, Tarakhel tegen Zwitserland.

4. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

5.1.

Het EHRM heeft in verschillende uitspraken, onder meer de uitspraak van 26 november 2015, met zaaknummer 21459/14, J.A. en anderen tegen Nederland en de uitspraak van 9 juni 2016, met zaaknummer 5868/13, S.M.H. tegen Nederland, geoordeeld dat de situatie in Italië niet zodanig is dat overdracht aan dat land zonder meer leidt tot een met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) of artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) strijdige situatie. Er zijn weliswaar zorgen over de toegang tot opvang, de opvangfaciliteiten en rechtshulp, maar er is geen sprake van dusdanig ernstige tekortkomingen dat deze aan de overdracht van asielzoekers aan Italië in de weg staan. Het EHRM heeft bovendien overwogen dat de situatie voor asielzoekers in Italië niet kan worden vergeleken met de situatie in Griekenland ten tijde van de uitspraak van het EHRM van 21 januari 2011, met zaaknummer 30696/09, M.S.S. tegen België en Griekenland. Ook de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft, onder meer in de uitspraken van 16 januari 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:73) en van 7 april 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:971), geoordeeld dat ten aanzien van Italië nog altijd kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.

5.2.

De rechtbank overweegt dat eiser niet met stukken heeft onderbouwd dat er in Italië sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen, zodat niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. In hetgeen eiser heeft aangevoerd, ziet de rechtbank ook geen grond voor het oordeel dat eiser bij overdracht naar Italië risico loopt op schending van artikel 4 van het Handvest of artikel 3 van het EVRM.

5.3.

Voor zover eiser van mening is dat Italië zich niet houdt aan de Kwalificatierichtlijn, de Procedurerichtlijn of de Opvangrichtlijn, heeft verweerder, onder verwijzing naar het arrest van het EHRM in de zaak K.R.S. tegen het Verenigd Koninkrijk van 2 december 2008 (ECLI:NL:XX:2008:BG9802), terecht overwogen dat eiser zich over eventuele problemen dient te beklagen bij de Italiaanse autoriteiten dan wel geëigende instanties. Niet is gebleken dat de autoriteiten van Italië hem niet kunnen of willen helpen.

5.4.

Met betrekking tot het standpunt van eiser dat hij in Italië geen internationale bescherming heeft aangevraagd, hiertoe ook niet de intentie had en dat Italië slechts een doorreisland was, overweegt de rechtbank dat het karakter van de Dublinverordening onverenigbaar is met de opvatting dat de intentie van de vreemdeling bepalend is voor de vaststelling van het voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke land. Italië blijft daarom verantwoordelijk voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming. Voor zover eiser stelt dat verweerder onvoldoende heeft doorgevraagd over de redenen waarom hij zijn land van herkomst heeft verlaten en de omstandigheden die hij tijdens zijn reis heeft meegemaakt, overweegt de rechtbank dat eiser dit bij de Italiaanse autoriteiten naar voren dient te brengen bij de behandeling van zijn verzoek om internationale bescherming.

5.5.

De rechtbank overweegt dat nu niet aannemelijk is dat Italië jegens eiser de verdragsbeginselen van het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 1951 (Trb. 1954, 88), zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 1967 (Trb. 1967, 76), en het EVRM niet zal naleven, er geen grond bestaat om aan te nemen dat Italië eiser zal terugsturen naar Algerije zonder dat toetsing aan deze verdragen heeft plaatsgevonden. Middels het claimakkoord hebben de Italiaanse autoriteiten bovendien gegarandeerd het asielverzoek van eiser in behandeling te nemen. Daarom is niet op voorhand sprake van (indirect) refoulement bij overdracht van eiser aan Italië.

5.6.

Het beroep van eiser op het arrest Tarakhel slaagt niet reeds omdat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er in zijn geval sprake is van een bijzondere kwetsbaarheid als bedoeld in dit arrest.

5.7.

De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder in hetgeen eiser heeft aangevoerd in redelijkheid geen aanleiding heeft hoeven zien om toepassing te geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.L. van der Waals, rechter, in aanwezigheid van

mr. J.C. de Grauw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op uiterlijk 19 februari 2018.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.