Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:10148

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
28-02-2018
Datum publicatie
28-08-2018
Zaaknummer
NL18.1438
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Cubaanse, homoseksueel en hiv besmet, problemen met autoriteiten ondervonden, per boot geprobeerd Cuba te ontvluchten, niet alle elementen geloofwaardig en geloofwaardige elementen niet zwaarwegend genoeg

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.1438


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 februari 2018 in de zaak tussen

[eiser], eiser, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. J.A. Younge),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. J.W. Kreumer).


Procesverloop
Bij besluit van 18 januari 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) afgewezen als ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 februari 2018. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Na sluiting van het onderzoek heeft eiser nog een nader stuk ingediend en daarbij verzocht om heropening van het onderzoek. Het na sluiting van het onderzoek aan het digitale dossier toegevoegde stuk geeft geen aanleiding het onderzoek te heropenen. Dit betekent dat de rechtbank dit stuk niet bij de beoordeling zal betrekken.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1990 en heeft de Cubaanse nationaliteit. Hij heeft op 17 december 2017 de onderhavige aanvraag ingediend.

2. Eiser heeft – samengevat weergegeven – aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij homoseksueel is en als gevolg van zijn geaardheid problemen in zijn land van herkomst heeft ondervonden. Zo is hij vaak staande gehouden door de politie, heeft hij meerdere boetes ontvangen, heeft hij twee keer kort vastgezeten en is hij verbaal mishandeld door de autoriteiten. Eiser heeft met een groep vrienden een boot gebouwd en daarmee zijn zij in september 2016 naar de Verenigde Staten gevaren. Voor de Amerikaanse kust zijn ze onderschept door de kustwacht en naar de Bahama’s gebracht. Aldaar heeft eiser twaalf dagen vastgezeten en is hij gedwongen teruggekeerd naar Cuba. Bij terugkomst is hij naar het kamp [kamp] gestuurd en twee dagen vastgehouden. Eiser is toen bevraagd over zijn redenen om Cuba te verlaten, waarop hij heeft geantwoord dat hij het niet eens is met het systeem door alles wat hem als homoseksueel en als HIV-patiënt is overkomen. Aan eiser is vervolgens medegedeeld dat hij Cuba niet per boot mag verlaten. Doordat eiser Cuba heeft verlaten, wordt hij als dissident beschouwd. Van de verklaringen van eiser en de maatregel dat hij zich niet in open wateren mag vertonen, is een officiële aantekening opgemaakt. Eiser heeft tot slot verklaard dat hij HIV heeft.

3. Verweerder heeft de aanvraag van eiser op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 afgewezen als ongegrond en heeft daaraan het volgende ten grondslag gelegd. Verweerder heeft de volgende elementen in het asielrelaas van eiser als relevant gekwalificeerd:

1) de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser;

2) eiser is homoseksueel;

3) eiser heeft boetes ontvangen en heeft twee keer kort vastgezeten;

4) de grond van de boetes en de twee aanhoudingen houden verband met de geaardheid van eiser;

5) eiser heeft Cuba in 2016 illegaal per boot proberen te verlaten en dit staat officieel geregistreerd;

6) eiser heeft HIV.

Verweerder heeft de verklaringen van eiser over zijn identiteit, nationaliteit en herkomst alsmede over zijn seksuele geaardheid geloofwaardig geacht. Tevens wordt geloofwaardig geacht dat eiser boetes heeft ontvangen en twee keer kort heeft vastgezeten, maar niet wordt geloofd dat dit verband houdt met zijn geaardheid. Dat eiser Cuba in 2016 illegaal per boot heeft proberen te verlaten en dat dit officieel geregistreerd staat, wordt geloofwaardig geacht. Dat dit grootse nadelige gevolgen voor betrokkene heeft gehad, wordt echter niet geloofwaardig geacht. Tot slot acht verweerder het geloofwaardig dat eiser HIV heeft.

De door eiser ondervonden problemen worden echter onvoldoende zwaarwegend geacht. Eiser kan daarom niet worden aangemerkt als vluchteling in de zin van het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 1951 (Trb. 1954, 88), zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 1967 (Trb. 1967, 76) (het Vluchtelingenverdrag) en heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

4. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en heeft daartoe

– samengevat weergegeven – het volgende aangevoerd. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder de asielaanvraag ten onrechte in een open AA-procedure heeft behandeld en in strijd met de Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (de Procedurerichtlijn) niet objectief en onpartijdig heeft beoordeeld. Voorts voert eiser aan dat verweerder ten onrechte niet heeft geoordeeld dat eiser op grond van de geloofwaardig geachte relevante elementen in het licht van de thans bekende feiten en omstandigheden omtrent de positie van LHBT-ers en als dissident aangemerkte personen in Cuba, gecombineerd met zijn fysieke en psychische staat, een reëel risico loopt op een bejegening in strijd met artikel 3 van het EVRM. Hiertoe overlegt eiser een aanvraagformulier voor het opvragen van zijn medisch dossier bij gza healthcare; een afschrift van de medische gegevens van eiser bij het Justitieel Centrum Schiphol; de resultaatbrief van Sanquin; Human Rights Watch, ‘World Report 2017 - Cuba’, van 12 januari 2017; een brief van VluchtelingenWerk van 24 december 2017 over de positie van LHBT-ers in Cuba met bijbehorende bijlagen; (een uittreksel van) US Department of State, Cuba 2016 Human Rights Rapport; een rapport van de Refugee Documentation Centre of Ireland over Cuba van 13 januari 2016 en het ‘Human Rights and Democracy Report – Cuba’, van de United Kingdom Foreign and Commonwealth Office van 12 maart 2015.

5. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

6. Ingevolge artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000 kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 worden verleend aan de vreemdeling:

a. die verdragsvluchteling is; of

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt op ernstige schade, bestaande uit:

1°. doodstraf of executie;

2°. folteringen, onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen; of

3°. ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 afgewezen, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in samenhang met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

7. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat verweerder de aanvraag van eiser ten onrechte in de (open) AA procedure heeft behandeld. De stelling dat verweerder deze procedure enkel en alleen toepast bij Cubanen die in de laatste maanden op Schiphol vanwege hun seksuele geaardheid asiel hebben aangevraagd, is niet nader onderbouwd. Verweerder heeft zich gemotiveerd op het standpunt gesteld dat geen sprake is van overschrijding van de termijnen zoals neergelegd in artikel 3.110 van het Vreemdelingenbesluit 2000. Dat de termijnen in deze procedure kort zijn, eiser gedurende de procedure is overgeplaatst of dat de gemachtigde van eiser werktijd heeft verloren als gevolg van de reisafstand tussen de opvanglocatie waar eiser verbleef en haar kantoor, maakt op zichzelf beschouwd nog niet dat verweerder deze procedure niet kan toepassen. De rechtbank volgt niet dat eiser in zijn belangen is geschaad doordat bewijsmiddelen niet op tijd ter plaatse konden zijn en/of vertaald konden worden, nu eiser deze stelling niet heeft onderbouwd noch heeft gespecificeerd welke bewijsmiddelen het betrof.

8. De rechtbank stelt voorop dat geloofwaardig is geacht dat eiser homoseksueel is, meerdere boetes heeft ontvangen en twee keer heeft vastgezeten, Cuba in 2016 illegaal per boot heeft verlaten en dat dit officieel geregistreerd staat, en dat hij HIV heeft. Het geschil spitst zich toe op de vraag of het asielrelaas van eiser voldoende zwaarwegend is om in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw 2000.

8.1.

De rechtbank overweegt dat homoseksualiteit in Cuba niet bij wet strafbaar is gesteld. Verweerder verwijst naar algemene landeninformatie waaruit blijkt dat de situatie betreffende LHBT-ers in Cuba de laatste jaren aanzienlijk is verbeterd. Onder leiding van de dochter van de huidige president, Mariela Castro, vindt een langzame seksuele revolutie plaats. In Havana heeft een conferentie plaatsgevonden met betrekking tot LHBT-ers waaraan verscheidene Latijns-Amerikaanse landen hebben deelgenomen. Bovendien verbiedt de wet discriminatie op grond van seksuele oriëntatie bij werk, huisvesting, staatloosheid en toegang tot onderwijs en gezondheidszorg. De overheid financiert geslachtsveranderingen en pride-marches. Hoewel uit de door eiser overgelegde stukken blijkt dat de situatie voor LHBT-ers in de praktijk verbetering behoeft en dat discriminatie nog steeds voorkomt, volgt hieruit niet dat LHBT-ers uit Cuba op basis van hun geaardheid als zodanig reeds zijn aan te merken als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag of om die reden bij terugkeer een reëel risico lopen op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het EVRM.

8.2.

De rechtbank is van oordeel dat eiser ook niet aannemelijk heeft gemaakt dat voor hem persoonlijk betreffende feiten en omstandigheden bestaan die zijn vrees voor vervolging in vluchtelingrechtelijke zin rechtvaardigen. Discriminatie door de autoriteiten en/of medeburgers kan leiden tot gegronde vrees voor vervolging indien sprake is van substantiële discriminatie waardoor het leven onhoudbaar is geworden. Volgens het beleid neergelegd in paragraaf C2/3.2 van de Vc 2000, merkt verweerder discriminatie aan als een daad van vervolging, indien de vreemdeling vanwege de discriminatie zo ernstig wordt beperkt in zijn bestaansmogelijkheden dat hij onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied kan functioneren. Niet is gebleken dat hier in het geval van eiser sprake van is. Eiser is niet uitgesloten geweest van onderwijs of huisvesting. Hoewel eiser moeilijkheden op de arbeidsmarkt heeft ervaren, is niet gebleken dat dit als gevolg van zijn homoseksuele geaardheid is geweest. Eiser heeft immers verklaard dat hij vanwege de verklaring die is opgesteld na de medische keuring voor militaire dienst waarin stond dat hij een persoonlijkheidsstoornis heeft, steeds werd afgewezen als hij ergens solliciteerde. Desondanks heeft eiser opleidingen gevolgd en gewerkt als bartender in de private sector. Eiser is openlijk voor zijn homoseksuele geaardheid uitgekomen en heeft twee relaties met mannen gehad. Door zijn familie werd eisers homoseksuele geaardheid geaccepteerd.

8.3.

De rechtbank overweegt dat eiser vermoedt dat de politie hem boetes heeft opgelegd en twee keer kort heeft vastgehouden vanwege zijn seksuele geaardheid. Nu dit vermoeden niet nader is onderbouwd, staat niet vast dat dit inderdaad de reden is geweest waarom eiser is vastgehouden en de boetes zijn opgelegd. Aan eiser is de eerste keer als reden voor zijn aanhouding meegedeeld dat hij illegaal in Havana verbleef en de tweede keer dat hij de openbare orde verstoorde. Wat betreft de reden voor het opleggen van de boetes heeft eiser verklaard dat de politie altijd met een onlogisch verhaal kwam, dat hij zich daar het beste bij neer kon leggen en dat hem eigenlijk nooit echt werd medegedeeld waarom een boete werd opgelegd. Uit de verklaringen noch uit de betalingsbewijzen van de drie boetes die eiser heeft overgelegd, blijkt dat deze boetes zijn opgelegd en de aanhoudingen zijn verricht vanwege de homoseksuele geaardheid van eiser. Eiser heeft geen beklag gedaan van de aanhoudingen en de boetes noch de bescherming van de (hogere) autoriteiten ingeroepen. Dit had wel van eiser verwacht mogen worden, nu niet is gebleken dat de Cubaanse autoriteiten of andere instanties eiser geen bescherming kunnen of willen bieden.

8.4.

Hoewel geloofwaardig is geacht dat eisers eerdere poging Cuba te verlaten om in de Verenigde Staten asiel aan te vragen in de officiële Cubaanse systemen is genoteerd, heeft verweerder niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht dat eiser als gevolg hiervan als dissident is aangemerkt en hier grootse nadelige gevolgen heeft ondervonden. Eiser heeft immers verklaard dat hij door de politie staande is gehouden en is meegenomen vanwege zijn homoseksuele geaardheid. Van belang is dat eiser niet voor een langere periode is vastgehouden en slechts twee keer één of twee nachten in de gevangenis heeft hoeven doorbrengen. Eiser is in december 2017 door de Cubaanse autoriteiten in het bezit gesteld van een paspoort en heeft uiteindelijk zonder problemen legaal het land kunnen verlaten. Dit duidt er niet op dat eiser in de bijzondere negatieve aandacht van de autoriteiten staat omdat hij als dissident is aangemerkt. De overgelegde landeninformatie maakt dit niet anders, nu uit eisers eigen verklaringen blijkt dat hij vermoedt dat hij problemen met de autoriteiten heeft ondervonden vanwege zijn geaardheid en niet vanwege het uiten van een politieke mening. In dit verband is van belang dat eiser heeft verklaard dat hij geen politieke activiteiten heeft ondernomen en het alleen op het terrein van de behandeling van homoseksuelen en mensen die HIV hebben niet eens is met het Cubaanse systeem. Dat eiser als gevolg van de omstandigheid dat hij als dissident is aangemerkt bij terugkeer naar Cuba een reëel risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM volgt de rechtbank dan ook niet.

8.5.

Voor zover eiser betoogt dat hij als gevolg van zijn medische problematiek, te weten dat hij HIV heeft en hiervoor behandeling behoeft, bij terugkeer in een met artikel 3 van het EVRM verboden situatie terecht zal komen, overweegt de rechtbank als volgt. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij sinds en als gevolg van zijn deportatie in 2016 geen medicatie meer heeft kunnen verkrijgen. Zo heeft eiser verklaard dat hij in Cuba toegang heeft gehad tot medische zorg en dat hij medicatie heeft gekregen. Verweerder heeft in het bestreden besluit verwezen naar openbare bronnen waaruit blijkt dat HIV-medicatie alsmede de toegang tot een behandeling vanwege HIV in Cuba kosteloos wordt verstrekt. Eiser heeft niet middels stukken onderbouwd dat hij bij terugkeer geen toegang zal hebben tot medische zorg. De rechtbank ziet dan ook geen grond voor het oordeel dat eiser op basis van zijn medische situatie in het bezit moet worden gesteld van een verblijfsvergunning.

8.6.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder het asielrelaas van eiser op zijn eigen merites en in het licht van de beschikbare en overgelegde landeninformatie heeft beoordeeld en ziet dan ook geen grond voor het oordeel dat verweerder de asielaanvraag van eiser niet objectief en onpartijdig zou hebben beoordeeld.

8.7.

Gelet op het voorgaande komt eiser niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw 2000.

9. Het beroep is ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.L. van der Waals, rechter, in aanwezigheid van

mr. J.C. de Grauw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

28 februari 2018.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.