Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:10145

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-02-2018
Datum publicatie
28-08-2018
Zaaknummer
NL18.1417
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin Duitsland, interstatelijk vertrouwensbeginsel, beroep op artikel 17 Dublinverordening vanwege medische omstandigheden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.1417


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 februari 2018 in de zaak tussen

[eiser], eiser, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. A.A. Scholtmeijer),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. J.W. Kreumer).

Procesverloop

Bij besluit van 22 januari 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) niet in behandeling genomen op de grond dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL18.1418, plaatsgevonden op 14 februari 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens is Z. Hamidi als tolk ter zitting verschenen.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1993 en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Hij heeft op 14 december 2017 de onderhavige aanvraag ingediend.

2. Verweerder heeft de aanvraag op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw 2000 niet in behandeling genomen. In dit artikel is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen, indien op grond van de Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (de Dublinverordening) is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek aanvaard.

3. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en heeft hiertoe – samengevat weergegeven – het volgende aangevoerd. Eiser stelt zich op het standpunt dat de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Duitsland systeemfouten bevatten die resulteren in onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest). Nederland dient het asielverzoek van eiser dan ook in behandeling te nemen. Eiser wijst erop dat hij in Duitsland zeven á acht maanden geen eigen kamer en dus geen enkele privacy heeft gehad, de opvanglocatie beneden alle peil was, hij vier maanden ten onrechte gedetineerd is geweest, hij ernstige psychologische klachten heeft en er onvoldoende psychologische hulp aan hem is geboden en dat hij continu is lastig gevallen door de politie. Omwille van deze bijzondere, individuele omstandigheden getuigt de overdracht van eiser aan Duitsland van onevenredige hardheid.

4. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

5.1.

De rechtbank stelt voorop dat Duitsland is aangesloten bij het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 1951 (Trb. 1954, 88), zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 1967 (Trb. 1967, 76) (het Vluchtelingenverdrag). In beginsel mag verweerder er gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel van uitgaan dat de autoriteiten van Duitsland zich houden aan hun internationale verplichtingen. Het ligt dan ook op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen, zodat niet langer uitgegaan mag worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten opzichte van Duitsland.

5.2.

De rechtbank is van oordeel dat eiser dit niet aannemelijk heeft gemaakt. Zo heeft eiser niet met stukken onderbouwd dat er in Duitsland sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen. In hetgeen eiser heeft aangevoerd, ziet de rechtbank ook geen grond voor het oordeel dat eiser bij overdracht naar Duitsland een risico loopt op schending van artikel 4 van het Handvest. Uit eisers relaas blijkt dat hij in Duitsland een asielaanvraag heeft ingediend, opvang heeft gehad, legaal heeft gewerkt en onder behandeling bij een psycholoog is geweest. Dat eiser naar hij stelt vier maanden ten onrechte gedetineerd is geweest, maakt dit niet anders. Eiser heeft immers niet onderbouwd dat hij in detentie heeft gezeten noch gesteld wat de reden voor de detentie was, zodat niet gebleken is dat eiser onrechtmatig gedetineerd heeft gezeten en dat Duitsland om die reden zijn internationale verplichtingen niet is nagekomen.

5.3.

Voor zover eiser van mening is dat Duitsland zich niet houdt aan Richtlijn 2011/95/EU (Kwalificatierichtlijn), Richtlijn 2013/32/EU (Procedurerichtlijn) of Richtlijn 2013/33/EU (Opvangrichtlijn) in die zin dat de opvanglocatie beneden alle peil was en eiser geen eigen kamer en derhalve geen privacy heeft gehad, heeft verweerder, onder verwijzing naar het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in de zaak K.R.S. tegen het Verenigd Koninkrijk van 2 december 2008 (ECLI:NL:XX:2008:BG9802), terecht overwogen dat eiser zich over eventuele problemen dient te beklagen bij de Duitse autoriteiten dan wel geëigende instanties. Niet is gebleken dat de autoriteiten van Duitsland hem niet zouden kunnen of willen helpen. Ditzelfde geldt voor de verklaring van eiser dat hij continu is lastig gevallen door de politie. Het ligt op eisers weg om hierover te klagen bij de Duitse autoriteiten.

6.1.

De rechtbank overweegt dat verweerder in individuele gevallen gebruik kan maken van de bevoegdheid van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening, indien eiser op basis van bijzondere, individuele omstandigheden aannemelijk heeft gemaakt dat overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat in zijn geval van een onevenredige hardheid getuigt.

Volgens het beleid neergelegd in paragraaf C2/5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) maakt verweerder terughoudend gebruik van de bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming te behandelen op grond van artikel 17, eerste en tweede lid, van de Dublinverordening, als Nederland daartoe op grond van in de verordening neergelegde criteria niet is verplicht. Gelet op de ruime mate van bestuurlijke vrijheid die verweerder heeft om de hardheidsclausule toe te passen, toetst de rechtbank deze beslissing van verweerder terughoudend.

6.2.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder in de door eiser aangevoerde medische omstandigheden geen reden heeft hoeven zien om de asielaanvraag aan zich te trekken. Zo heeft eiser niet met stukken onderbouwd dat hij medische problemen heeft en hiervoor behandeling behoeft. Bovendien heeft als uitgangspunt te gelden dat de medische voorzieningen in de verantwoordelijke lidstaat vergelijkbaar zijn met die in andere lidstaten en ook ter beschikking staan aan zogeheten Dublinclaimanten. Het is aan eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat dit uitgangspunt in zijn geval niet opgaat. Eiser is hierin niet geslaagd, nu hij niet met stukken heeft onderbouwd dat in Duitsland onvoldoende psychologische hulp wordt geboden aan Dublinclaimanten.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.L. van der Waals, rechter, in aanwezigheid van

mr. J.C. de Grauw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

19 februari 2018.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.