Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:10143

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
16-02-2018
Datum publicatie
28-08-2018
Zaaknummer
NL18.1349
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin Italie, Soedanees, interstatelijk vertrouwensbeginsel

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.1349


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 februari 2018 in de zaak tussen

[eiser], eiser, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. M. Rasul),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. J.W. Kreumer).

Procesverloop

Bij besluit van 17 januari 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL18.1350, plaatsgevonden op 14 februari 2018. Eiser en zijn gemachtigde zijn met voorafgaand bericht niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1997 en heeft de Soedanese nationaliteit. Hij heeft op 20 augustus 2017 de onderhavige aanvraag ingediend.

2. Verweerder heeft de aanvraag op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw 2000 niet in behandeling genomen. In dit artikel is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen, indien op grond van de Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (de Dublinverordening) is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Italië een verzoek om overname gedaan. Italië heeft dit verzoek aanvaard.

3. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en heeft hiertoe – samengevat weergegeven – het volgende aangevoerd. Eiser stelt zich op het standpunt dat ten aanzien van Italië niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Er doen zich hier aan het systeem gerelateerde tekortkomingen van de asielprocedure en opvangvoorzieningen voor. Uit het rapport van de Europese Commissie, ‘Communication from the Commission to the European Parliament, the European Council and the Council, seventh report on relocation and resettlement’, van 9 november 2016 volgt dat Italië zelfs niet in staat is om registratie te laten plaatsvinden van alle immigranten die het land binnenkomen. Bij terugkeer naar Italië zal eiser bovendien met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid op straat moeten leven. Voorts bestaat het risico op refoulement voor Soedanese vreemdelingen gelet op de door de Italiaanse en Soedanese autoriteiten in augustus 2016 getekende Memorandum of Understanding. Hiertoe verwijst eiser naar Amnesty International, ‘Amnesty International Report 2016/2017 – The State of the World’s Human Rights – Italy’, van 22 februari 2017; Amnesty International, ‘Italië: Hotspot-benadering EU leidt tot mishandeling en onrechtmatige uitzettingen’, van 3 november 2016; Human Rights Watch, ‘World Report 2017 – European Union’, van 12 januari 2017 en het rapport van de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa van 2 maart 2017.

4. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

5.1.

Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) heeft in verschillende uitspraken, onder meer de uitspraak van 26 november 2015, met zaaknummer 21459/14, [X] en anderen tegen Nederland en de uitspraak van 9 juni 2016, met zaaknummer 5868/13, [X] tegen Nederland, geoordeeld dat de situatie in Italië niet zodanig is dat overdracht aan dat land zonder meer leidt tot een met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) of artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) strijdige situatie. Er zijn weliswaar zorgen over de toegang tot opvang, de opvangfaciliteiten en rechtshulp, maar er is geen sprake van dusdanig ernstige tekortkomingen dat deze aan de overdracht van asielzoekers aan Italië in de weg staan. Het EHRM heeft bovendien overwogen dat de situatie voor asielzoekers in Italië niet kan worden vergeleken met de situatie in Griekenland ten tijde van de uitspraak van het EHRM van 21 januari 2011, met zaaknummer 30696/09, M.S.S. tegen België en Griekenland. Ook de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft, onder meer in de uitspraak van 16 januari 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:73) en de uitspraak van 7 april 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:971), geoordeeld dat ten aanzien van Italië nog altijd kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.

5.2.

De rechtbank stelt vast dat eiser diverse rapporten heeft overgelegd die zien op de periode vóór de genoemde uitspraken van de Afdeling. Deze rapporten geven geen wezenlijk ander beeld van de situatie in Italië dan de situatie die reeds is beoordeeld door de Afdeling. Uit de door eiser overgelegde stukken die het Memorandum of Understanding tussen Italië en Soedan betreffen, volgt ook niet dat overdracht aan Italië in strijd is met artikel 3 van het EVRM. Uit deze stukken blijkt niet dat de overgedragen Soedanese vreemdelingen asiel hebben aangevraagd, of zij voor internationale bescherming in aanmerking kwamen en of aan hen de mogelijkheid is onthouden om een asielaanvraag in te dienen. Daarbij wordt in de stukken niet ingegaan op de situatie van vreemdelingen die, zoals eiser, door een andere lidstaat in het kader van de Dublinverordening worden overgedragen aan Italië. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de in de rapporten vermelde problemen niet aan de overdracht van Dublinterugkeerders aan Italië in de weg staan. Eiser heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat verweerder ten opzichte van Italië niet langer mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Voor zover eiser meent dat de Italiaanse opvangvoorzieningen gebreken kennen in die zin dat hij noodgedwongen op straat zal moeten leven, ligt het op zijn weg om hierover te klagen bij de Italiaanse (hogere) autoriteiten. Niet is gebleken dat de autoriteiten hem niet zouden kunnen of willen helpen.

5.3.

De rechtbank overweegt dat nu niet aannemelijk is dat Italië jegens eiser de verdragsbeginselen van het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 1951 (Trb. 1954, 88), zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 1967 (Trb. 1967, 76), en het EVRM niet zal naleven, er geen grond bestaat om aan te nemen dat Italië eiser zal terugsturen naar Soedan zonder dat toetsing aan deze verdragen heeft plaatsgevonden. Daarom is niet op voorhand sprake van (indirect) refoulement bij overdracht van eiser aan Italië.

5.4.

Eiser heeft voor het overige verzocht de inhoud van alle in de procedure tot stand gekomen stukken als overgenomen en toegevoegd te beschouwen in de gronden van beroep. Nu verweerder op de eerder ingebrachte standpunten van eiser in het bestreden besluit naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd is ingegaan en eiser deze gronden, anders dan besproken in voormelde rechtsoverwegingen, in beroep niet nader heeft onderbouwd, kan de enkele verwijzing niet leiden tot het daarmee door eiser beoogde resultaat.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.L. van der Waals, rechter, in aanwezigheid van

mr. J.C. de Grauw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

16 februari 2018.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.