Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:10141

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
16-02-2018
Datum publicatie
28-08-2018
Zaaknummer
NL18.1332
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin Polen, interstatelijk vertrouwensbeginsel, beroep op artikel 17 Dublinverordening vanwege medische omstandigheden en werkzaamheden in Nederland

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.1332


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 februari 2018 in de zaak tussen

[eiser], eiser, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. A.M. van Eik),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. J.W. Kreumer).

Procesverloop

Bij besluit van 19 januari 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) niet in behandeling genomen op de grond dat Polen verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL18.1333, plaatsgevonden op 14 februari 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens is W.H. Taymour als tolk ter zitting verschenen.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1976 en heeft de Syrische nationaliteit. Hij heeft op 9 december 2017 de onderhavige aanvraag ingediend.

2. Verweerder heeft de aanvraag op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw 2000 niet in behandeling genomen. In dit artikel is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen, indien op grond van de Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (de Dublinverordening) is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Polen een verzoek om overname gedaan. Polen heeft dit verzoek aanvaard.

3. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en heeft hiertoe – samengevat weergegeven – het volgende aangevoerd. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij bij gedwongen terugkeer naar Polen een reëel risico loopt het slachtoffer te worden van een schending van artikel 3 en artikel 13 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest). Ten aanzien van Polen kan niet langer worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, omdat er zich aan het systeem gerelateerde tekortkomingen van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen voordoen. In dit verband verwijst eiser naar het rapport van de Asylum Information Database (AIDA), ‘Country Report: Poland’, van februari 2017; de brief van de Helsinki Foundation for Human Rights, ‘Access to Asylum Denied in Poland’, van 22 juli 2016 en de omstandigheid dat de Europese Commissie reeds is overgegaan tot de tweede fase van een inbreukprocedure tegen Polen vanwege de Poolse wet inzake de organisatie van de gewone rechtbanken. Polen komt de verplichtingen die voortvloeien uit Richtlijn 2008/115/EG (de Terugkeerrichtlijn), Richtlijn 2011/95/EU (Kwalificatierichtlijn), Richtlijn 2013/32/EU (Procedurerichtlijn) en Richtlijn 2013/33/EU (Opvangrichtlijn) niet na. Tot slot voert eiser aan dat overdracht aan Polen in zijn geval van een onevenredige hardheid getuigt. Hiertoe wijst eiser erop dat hij sterke banden met Nederland heeft in de zin dat hij hier een uitgebreid netwerk heeft, vrijwilligerswerk als kok in een restaurant van een bejaardentehuis in [plaats] en bij het COA op het asielzoekerscentrum verricht en op korte termijn een betaalde baan kan krijgen. Daarnaast heeft hij veel last van zijn kunstoog en heeft hij psychische klachten. In dit verband overlegt eiser een kopie van zijn patiëntdossier; de bevestiging van een afspraak op 3 april 2018 bij een oogarts; de bevestiging van een inschrijving als vrijwilliger bij [organisatie 1], bij [organisatie 2] en bij [zorgboerderij] met bijbehorende routebeschrijvingen; een certificaat voor het verrichten van vrijwilligerswerk vanuit Aan de Slag bij [organisatie 1] en een vrijwilligersovereenkomst met Stichting VanHarte.

4. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

5.1.

Uit EU-Vis is gebleken dat eiser door de Poolse autoriteiten in het bezit is gesteld van een (Schengen)visum, die geldig is van 10 november 2017 tot 8 december 2017. De Poolse autoriteiten zijn op 19 december 2017 verzocht om eiser over te nemen en hebben met dit verzoek op 5 januari 2018 ingestemd.

5.2.

De rechtbank stelt voorop dat Polen is aangesloten bij het EVRM en het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 1951 (Trb. 1954, 88), zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 1967 (Trb. 1967, 76) (het Vluchtelingenverdrag). In beginsel mag verweerder er gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel van uitgaan dat de autoriteiten van Polen zich houden aan hun internationale verplichtingen. Het ligt dan ook op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen, zodat niet langer uitgegaan mag worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten opzichte van Polen.

5.3.

De rechtbank is van oordeel dat eiser het bestaan van zodanige tekortkomingen niet aannemelijk heeft gemaakt. De brief van de Helsinki Foundation for Human Rights betreft de situatie van asielzoekers die via de oostgrens van Polen het land binnenkomen en belemmeringen ondervinden bij de toegang tot de asielprocedure. Eiser wordt echter overgedragen in het kader van de Dublinverordening en middels het claimakkoord hebben de Poolse autoriteiten gegarandeerd eisers asielverzoek in behandeling te nemen, zodat de situatie van eiser niet vergelijkbaar is met de situatie die in deze brief wordt geschetst. Hoewel uit het AIDA rapport blijkt dat de terugkeerprocedure en de asielprocedure in Polen vanaf mei 2014 zijn losgekoppeld, blijkt hieruit ook dat een vreemdeling de rechtbank kan verzoeken de terugkeerprocedure te schorsen totdat een oordeel is gegeven in de asielprocedure. Dat deze verzoeken niet altijd worden toegewezen, maakt nog niet dat er geen effectief rechtsmiddel voorhanden is zoals bedoeld in artikel 13 van het EVRM of dat eiser een reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het EVRM loopt. Ook de omstandigheid dat de Europese Commissie is overgegaan tot de tweede fase van een inbreukprocedure tegen Polen en dat er zorgen zijn omtrent de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht in Polen vanwege de wet inzake de organisatie van de gewone rechtbanken, maakt op zichzelf beschouwd en zonder nadere motivering nog niet dat sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen. Eiser heeft niet concreet aangegeven welke gevolgen deze wet als zodanig heeft voor de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Polen. Van dusdanig ernstige tekortkomingen dat deze aan de overdracht van Dublinterugkeerders aan Polen in de weg staan, is de rechtbank dan ook niet gebleken.

5.4.

Voor zover eiser van mening is dat Polen zich niet houdt aan de Terugkeerrichtlijn, de Kwalificatierichtlijn, de Procedurerichtlijn of de Opvangrichtlijn heeft verweerder, onder verwijzing naar het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in de zaak K.R.S. tegen het Verenigd Koninkrijk van 2 december 2008 (ECLI:NL:XX:2008:BG9802), terecht overwogen dat eiser zich over eventuele problemen dient te beklagen bij de Poolse autoriteiten dan wel geëigende instanties. Niet is gebleken dat de autoriteiten van Polen hem niet zouden kunnen of willen helpen.

6.1.

De rechtbank overweegt dat verweerder in individuele gevallen gebruik kan maken van de bevoegdheid van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening, indien eiser op basis van bijzondere, individuele omstandigheden aannemelijk heeft gemaakt dat overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat in zijn geval van een onevenredige hardheid getuigt.

Volgens het beleid neergelegd in paragraaf C2/5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) maakt verweerder terughoudend gebruik van de bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming te behandelen op grond van artikel 17, eerste en tweede lid, van de Dublinverordening, als Nederland daartoe op grond van in de verordening neergelegde criteria niet is verplicht. Gelet op de ruime mate van bestuurlijke vrijheid die verweerder heeft om de hardheidsclausule toe te passen, toetst de rechtbank deze beslissing van verweerder terughoudend.

6.2.

Wat betreft de door eiser aangevoerde medische omstandigheden, overweegt de rechtbank als volgt. Als uitgangspunt heeft te gelden dat in de verantwoordelijke lidstaat de medische voorzieningen vergelijkbaar zijn met die in andere lidstaten en ook ter beschikking staan aan zogeheten Dublinclaimanten. Het is aan eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat dit uitgangspunt in zijn geval niet opgaat. Hij is hierin niet geslaagd. De overgelegde stukken bieden geen concrete aanwijzing dat de medische behandeling van eiser niet adequaat in Polen kan plaatsvinden. Verder is gesteld noch gebleken dat Nederland het meest aangewezen land zou zijn om eiser te behandelen. Deze beroepsgrond slaagt dan ook niet.

6.3.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder in hetgeen eiser verder naar voren heeft gebracht, te weten dat hij hier een uitgebreid netwerk heeft, vrijwilligerswerk als kok in het restaurant van een bejaardentehuis in [plaats] en op het asielzoekerscentrum verricht en op korte termijn een betaalde baan kan krijgen, geen bijzondere omstandigheden heeft hoeven zien om de hardheidsclausule toe te passen.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.L. van der Waals, rechter, in aanwezigheid van

mr. J.C. de Grauw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

16 februari 2018.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.