Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:10088

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23-08-2018
Datum publicatie
23-08-2018
Zaaknummer
09/817690-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Deze zaak gaat om een verdachte die het Joodse monument op het Rabbijn Maarssenplein in Den Haag heeft beklad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/817690-18

Datum uitspraak: 23 augustus 2018

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de door de politierechter naar de meervoudige strafkamer verwezen zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1994 te [geboorteplaats] ,

adres: [adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzittingen van 23 april 2018 (politierechter), 17 mei 2018 (meervoudige kamer pro forma) en 9 augustus 2018 (inhoudelijke behandeling).

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. S. Sleeswijk Visser en van hetgeen door de raadsvrouw van de verdachte mr. H. Yilmaz naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 20 april 2018 te 's-Gravenhage opzettelijk en wederrechtelijk het Joodse monument (op het Rabbijn Maarssenplein), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan gemeente Den Haag, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt door toen en daar opzettelijk en wederrechtelijk met een stift het monument te bekladden.

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding
De door de rechtbank te beantwoorden vraag is of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan vernieling, danwel beschadiging of het onbruikbaar maken van een Joods monument.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie mr. S. Sleeswijk Visser heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit. De officier van justitie heeft naar voren gebracht dat door het handelen van de verdachte de aard en het karakter van het monument ernstig zijn aangetast.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting aangevoerd dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. De verdachte heeft weliswaar met een stift het betreffende Joodse monument beklad, maar de bekladding is zeer beperkt gebleven en de verdachte heeft de bekladding er ook af willen vegen. Het is onbekend gebleven of de inkt van de stift makkelijk te verwijderen was, zodat niet kan worden vastgesteld of het monument blijvend is beschadigd. Ook heeft de verdachte geen opzet gehad op beschadiging van het monument. Derhalve kan het feit niet wettig en overtuigend worden bewezen. Bovendien heeft de verdachte niet bewust een Joods monument uitgekozen om te bekladden. Het was een impulsieve actie van de verdachte waarbij hij niet met opzet een groep heeft willen beledigen.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging1

De volgende feiten kunnen op grond van de gebruikte bewijsmiddelen als vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten hebben ter terechtzitting niet ter discussie gestaan en kunnen zonder nadere motivering als vertrekpunt voor de beoordeling van de bewijsvragen dienen.

De verdachte is op 20 april 2018 op het Rabbijn Maarsenplein in Den Haag op het aldaar aanwezige Joodse monument geklommen. Hij had een stift in zijn handen en heeft daarmee op het monument getekend.2 De stift waarmee de verdachte het monument heeft beklad is achter het muurtje van het monument, in de tuin van de kerk, aangetroffen.3

De verdachte heeft over de bekladding verklaard dat hij een standbeeld zag en vond dat hij een statement moest maken.4

Ter terechtzitting van 17 mei 2018 heeft de verdachte verklaard dat hij zich heel extravert heeft geuit en dat het ook een schoolgebouw of iets anders zou kunnen zijn geweest. Hij heeft niet de intentie gehad om iemand of een groepering te beledigen.5

De rechtbank leidt uit de voornoemde verklaringen van de verdachte af dat hij met opzet met een stift het Joodse monument in Den Haag heeft beklad. Dat de verdachte op het bewuste moment een Joods monument heeft getroffen en niet een ander in het openbaar gelegen bouwwerk, maakt niet dat het opzet van de verdachte niet was gericht op beschadiging van het object dat hij heeft beklad. Voor bewezenverklaring van het delict is niet vereist dat de beschadiging blijvend is. De rechtbank verwerpt de verweren van de raadsvrouw en komt -gelet op het vorenstaande in onderlinge samenhang bezien- tot het oordeel dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat:

hij op 20 april 2018 te 's-Gravenhage opzettelijk en wederrechtelijk het Joodse monument op het Rabbijn Maarssenplein, toebehorende aan een ander dan aan verdachte, heeft beschadigd door toen en daar opzettelijk en wederrechtelijk met een stift het monument te bekladden.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 32 dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft primair vrijspraak bepleit en subsidiair verzocht de officier van justitie niet te volgen in de strafeis. Zij meende dat een geldboete of een taakstraf passend zou zijn.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan beschadiging van een Joods monument. Dit heeft de verdachte gedaan door met een stift op het monument te tekenen. De verklaring van de verdachte dat hij zich heel extravert heeft geuit zonder de intentie om iemand of een groepering te beledigen, maakt het handelen van de verdachte niet minder laakbaar.

De rechtbank heeft rekening gehouden met een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie, d.d. 21 april 2018. Daaruit volgt dat de verdachte voorafgaand aan het begaan van het bewezen verklaarde eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van strafbare feiten, waaronder eenmaal eerder ter zake van een soortgelijk feit. De rechtbank weegt deze omstandigheid ten nadele van de verdachte mee bij de straftoemeting. Blijkens mededeling van de officier van justitie ter terechtzitting van 9 augustus 2018 is de verdachte voorts op 28 mei 2018 onherroepelijk veroordeeld ter zake van winkeldiefstal.

De rechtbank heeft voorts kennisgenomen van omtrent de verdachte opgemaakte rapporten. Uit het Pro Justitia psychologisch onderzoeksrapport d.d. 22 december 2017 blijkt dat de zorgen omtrent de verdachte groot zijn. Er zijn aanwijzingen voor psychiatrische en persoonlijkheidsproblematiek bij de verdachte. De verdachte heeft echter geweigerd mee te werken aan onderzoek.

Uit het Pro Justitia psychiatrisch onderzoeksrapport d.d. 28 januari 2018 blijkt dat de verdachte ook aan dat onderzoek heeft geweigerd mee te werken. Ook de psychiater ziet aanwijzingen dat bij de verdachte sprake is van persoonlijkheidsproblematiek, een psychotische (stemmings)stoornis en autismespectrum problematiek.

Uit het rapport van Reclassering Nederland d.d. 24 april 2018 blijkt dat de verdachte zich niet laat begeleiden.

Tot slot heeft de verdachte geweigerd om mee te werken aan de totstandkoming van een nieuw psychologisch rapport, zoals blijkt uit het Pro Justitia rapport d.d. 1 juni 2018. Geconcludeerd is dat er zorgsignalen zijn en gelijktijdig veel onduidelijkheden rondom verdachtes psychisch functioneren en de invloed daarvan op zijn gedrag en op de maatschappij. Diagnostisch Pro Justitia onderzoek in een ambulant kader blijkt niet mogelijk.

De rechtbank is -alles afwegende- van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur, een passende en geboden reactie vormt.

7 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 63 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een taakstraf voor de duur van 20 (twintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de straf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit vonnis is gewezen door

mr. E.J. van As, voorzitter,

mr. P.M.E. Bernini, rechter,

mr. W.N.L. Donker, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. S. Imami-Kalloemisier, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 23 augustus 2018.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2018103217, van de politie eenheid Den Haag, district Den Haag-Centrum, basisteam Jan Hendrikstraat, met bijlagen (doorgenummerd blz. 1 t/m 23).

2 Proces-verbaal van verhoor getuige [naam] , blz. 15; proces-verbaal van verhoor getuige [naam] , blz. 19; proces-verbaal van verhoor verdachte, blz. 21 t/m 22.

3 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 11.

4 proces-verbaal van verhoor verdachte, blz. 21 t/m 22.

5 Proces-verbaal van de terechtzitting van 17 mei 2018.