Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:10086

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-08-2018
Datum publicatie
28-08-2018
Zaaknummer
NL18.12764
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Asielrecht, Dublinverordening, Spanje, medische omstandigheden, het arrest C.K. e.a. tegen Slovenië, artikel 3 EVRM, beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats 's-Gravenhage

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.12764


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], eiseres

(gemachtigde: mr. F. Khodajoo-Aziz Maleki),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. P.P. Zweedijk).

Procesverloop

Bij besluit van 6 juni 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Spanje verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL18.12765, plaatsgevonden op 24 juli 2018. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres stelt geboren te zijn op [geboortedatum] 1974 en de Iraanse nationaliteit te hebben. Op 7 maart 2018 heeft eiseres onderhavige asielaanvraag ingediend.

2. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van Verordening (EU) 604/2013 (hierna: de Dublinverordening) is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland op 9 mei 2018 Spanje verzocht om eiseres over te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, onder a, van de Dublinverordening. Spanje heeft op 21 mei 2018 aan Nederland medegedeeld dat Spanje eiseres terug neemt op grond van artikel 18, eerste lid, onder b, van de Dublinverordening.

3. Eiseres kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en voert daartoe het volgende aan. Eiseres stelt zich op het standpunt dat verweerder haar asielaanvraag aan zich moet trekken op grond van artikel 17 van de Dublinverordening omdat overdacht aan Spanje getuigt van een onevenredige hardheid gezien haar medische problemen. Eiseres is op dit moment onder behandeling van een oogarts. Ook heeft eiseres psychische problemen. Eiseres stelt daarom dat ze zowel lichamelijk als geestelijk niet in staat is om Nederland te verlaten. Eiseres voert verder aan dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld omdat verweerder medisch advies had moeten inwinnen bij het Bureau Medische Advisering (hierna: BMA) alvorens een overdrachtsbesluit te nemen. Ook stelt eiseres dat zij bij overdracht aan Spanje een reële kans loopt op een aanzienlijke, onomkeerbare achteruitgang van haar gezondheid. Daartoe verwijst eiseres naar het arrest C.K. e.a. tegen Slovenië van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 16 februari 2017. Daarnaast heeft eiseres ter onderbouwing van haar actuele medische problematiek in beroep haar patiëntdossier over de periode van 11 maart 2018 tot 20 juli 2018 overgelegd.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

4.1

Eiseres geeft aan dat bij haar de ziekte van [ziekte] is vastgesteld, waardoor zij een oogaandoening heeft en problemen aan haar nieren, hart, longen en gewrichten. Op dit moment is zij in behandeling bij het Erasmus medisch centrum te Rotterdam. De rechtbank overweegt dat eiseres weliswaar in beroep haar patiëntdossier heeft overgelegd, maar dat zij niet met stukken heeft onderbouwd dat de behandeling in dit geval niet adequaat in Spanje kan plaatsvinden. Dit geldt te meer nu eiseres verklaard heeft dat zij eerder in Spanje is behandeld aan haar ogen. Ook overigens zijn er geen aanwijzingen waaruit blijkt dat Nederland het meest aangewezen land is om eiseres te behandelen. Ten aanzien van het beroep op het arrest C.K. e.a. tegen Slovenië, overweegt de rechtbank dat eiseres niet heeft onderbouwd dat bij overdracht aan Spanje een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van haar gezondheidssituatie te verwachten is. Het beroep op voornoemd arrest slaagt derhalve niet. Ook is de rechtbank niet gebleken dat eiseres lichamelijk of geestelijk niet in staat is om Nederland te verlaten. Gelet op het voorgaande heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien om medisch advies in te winnen bij het BMA. Evenmin heeft verweerder aanleiding hoeven zien om gelet op de medische problematiek van eiseres toepassing te geven aan artikel 17 van de Dublinverordening. De rechtbank overweegt verder dat het betoog ter zitting dat het in strijd zou zijn met artikel 3 van het Verdrag betreffende de bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) om eiseres aan Spanje over te dragen nu Spanje haar terug zal sturen naar haar land van herkomst waar ze geen medische behandeling kan krijgen niet slaagt. Spanje heeft immers het overnameverzoek van Nederland geaccepteerd en heeft zich hiermee bereid getoond om het asielverzoek van eiseres te behandelen. De rechtbank overweegt verder dat, anders dan eiseres stelt, uit het claimakkoord niet volgt dat eiseres haar asielaanvraag is afgewezen. Spanje heeft namelijk het claimakkoord gebaseerd op artikel 18, eerste lid, onder b, van de Dublinverordening, waarin staat dat de verantwoordelijke lidstaat verplicht is om een vreemdeling wiens verzoek in behandeling is en die een verzoek in een andere lidstaat heeft ingediend of die zich zonder verblijfstitel ophoudt in een andere lidstaat, volgens de in de artikelen 23, 24, 25 en 29 bepaalde voorwaarden terug te nemen. Uit voornoemd artikel blijkt niet dat Spanje reeds beslist heeft op het asielverzoek van eiseres. Van strijd met artikel 3 van het EVRM is dan ook reeds daarom geen sprake.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.S.G. Jongeneel, rechter, in aanwezigheid van mr. E.F. Binnendijk, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan, digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.