Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:1008

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
25-01-2018
Datum publicatie
01-03-2018
Zaaknummer
NL17.7926
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Asiel, Iran, bekering tot het bahá'í-geloof, geloofwaardigheid, beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats 's-Gravenhage

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.7926


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 januari 2018 in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. M. Gavami),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, thans de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. J. Nieuwenhuys).


Procesverloop
Bij besluit van 10 augustus 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 december 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen S. Ostadhasanbanna. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is van Iraanse nationaliteit. Hij is geboren op [geboortedatum] 1983. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij via zijn zus kennis heeft gemaakt met het bahá'í-geloof en dat hij zich vervolgens in Iran tot dit geloof heeft bekeerd. De autoriteiten hebben in het ouderlijk huis van eiser een inval gedaan. Bij deze inval zijn documenten over het bahá'í-geloof en de computer van eiser, waarop documenten met betrekking tot dit geloof stonden, in beslag genomen. De Iraanse autoriteiten waren daarom op de hoogte van eisers bekering tot het bahá'í-geloof, wat reden was voor eiser om Iran te verlaten. In Europa is eiser officieel lid geworden van de bahá'í-gemeenschap.

2. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:

  • -

    identiteit, nationaliteit en herkomst;

  • -

    bekering naar het bahá'í-geloof en de daaruit voortvloeiende problemen.

3. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) afgewezen als ongegrond. Verweerder acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. De verklaringen van eiser over zijn bekering tot het bahá'í-geloof en de daaruit voortvloeiende problemen acht verweerder echter niet geloofwaardig. Hiertoe voert verweerder aan dat eiser er niet in is geslaagd om inzichtelijk te maken dat er bij hem sprake is geweest van een innerlijk proces waarbij hij de islam afgezworen heeft. Ook heeft eiser zijn proces van bekering naar het bahá'í-geloof en de door hem ondervonden ervaringen en gevoelens in dit proces niet aannemelijk gemaakt. Verder heeft eiser vage verklaringen afgelegd over de inhoud van het bahá'í-geloof. Zo heeft eiser onvoldoende kunnen verklaren over de inhoud van het boek Aqdas. Over de inval in het ouderlijk huis merkt verweerder op dat het opmerkelijk is dat eiser de documenten met betrekking tot het bahá'í-geloof in het huis zou laten liggen nu hij zich bewust was van een naderende inval door de Iraanse autoriteiten. Tot slot geeft verweerder aan dat eiser op een legale wijze het land heeft verlaten na controle van de Iraanse autoriteiten op de luchthaven, hetgeen afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van de gestelde feiten en omstandigheden.

4. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en voert daartoe – samengevat weergeven – het volgende aan. Eiser meent dat verweerder deze zaak te veel heeft beoordeeld vanuit de kijk op de bekering van moslims tot het christendom en niet onderkend heeft dat de bekering tot het bahá'í-geloof niet vergelijkbaar is met de bekering tot het christendom. Eiser stelt zich verder op het standpunt dat verweerder zijn bekering tot het bahá'í-geloof en de daaruit voortvloeiende problemen ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Eiser betoogt dat hij gedetailleerd, begrijpelijk en aannemelijk heeft verklaard over zijn geloof en de problemen die hij daardoor heeft ondervonden. Zijn relaas bevat geen enkele tegenstrijdigheid, vaagheid of ongerijmdheid. In dit verband verwijst eiser naar twee uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (zie de uitspraak van 15 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3010, en de uitspraak van 8 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1539). Ten aanzien van het proces van bekering haalt eiser meerdere passages uit het nader gehoor aan, waaruit duidelijk blijkt dat hij door middel van diep nadenken en onderzoeken tot het bahá'í-geloof is gekomen en op grond van zeer rationele overwegingen het geloof heeft omarmd. Verder voert eiser aan dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt stelt dat hij meer had kunnen verklaren over de inhoud van het boek Aqdas dan hij heeft gedaan. Eiser geeft daarnaast aan dat hij een pasje en een schriftelijke verklaring van de bahá'í-organisatie in Nederland heeft overlegd die zijn lidmaatschap bevestigen. Eiser benadrukt dat het niet gemakkelijk is om lid te worden van de bahá'í-gemeenschap nu hier een diepgaand onderzoek aan vooraf gaat. In beroep heeft eiser documenten overlegd waaruit blijkt dat zijn zussen in Duitsland en Frankrijk asiel hebben gekregen. Eiser stelt zich op het standpunt dat nu zijn zussen op basis van vrijwel hetzelfde relaas asiel hebben gekregen, eiser reeds hierom eveneens in het bezit moet worden gesteld van een verblijfsvergunning asiel. Ten aanzien van de inval in zijn ouderlijk huis voert eiser aan dat ten onrechte wordt aangenomen dat hij op de hoogte was van deze inval. Over de legale uitreis merkt eiser op dat hij niet individueel werd gecontroleerd bij de paspoortcontrole, nu hij met een groep sporters uitreisde. Eiser stelt zich tot slot op het standpunt dat verweerder het verzoek van eiser om een aanvullend nader gehoor ten onrechte heeft afgewezen.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

5.1

Uit vaste rechtspraak van de Afdeling (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 24 mei 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA0955) volgt dat verweerder een vaste gedragslijn toepast bij het onderzoek naar de door de vreemdeling aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegde geloofsovertuiging. Deze vaste gedragslijn houdt in dat verweerder een vreemdeling vragen stelt die grofweg kunnen worden onderverdeeld in vragen over de motieven voor en het proces van bekering en over de persoonlijke betekenis van een bekering of de geloofsovertuiging voor een vreemdeling. Voorts betreft het vragen die betrekking hebben op algemene, basale kennis van de geloofsleer en de geloofspraktijk. Ten slotte verwacht verweerder dat een vreemdeling die stelt dat kerkgang onderdeel is van zijn geloofsovertuiging, daarover vragen weet te beantwoorden. Soortgelijke vragen stelt verweerder ook over andere door een vreemdeling genoemde uitingen van zijn gestelde geloofsovertuiging, zoals evangeliseringsactiviteiten. Deze gedragslijn kan de rechterlijke toets doorstaan. Verder volgt uit de voornoemde uitspraak van de Afdeling dat verweerder ervan uitgaat dat aan een bekering steeds een welbewuste en weloverwogen keuze van de vreemdeling vooraf gaat en dat hij om die reden bijzondere waarde hecht aan de beantwoording door een vreemdeling van vragen over de motieven voor en het proces van bekering. Dit geldt temeer als een vreemdeling afkomstig is uit een land waar men overwegend een andere geloofsovertuiging heeft, dan wel waar de eerdere geloofsovertuiging van een vreemdeling de enige maatschappelijk aanvaarde godsdienst of de staatsgodsdienst is en het zich bekeren tot een andere geloofsovertuiging maatschappelijk onacceptabel of strafbaar is.

5.2

De rechtbank overweegt dat verweerder niet ten onrechte de vaste gedragslijn zoals omschreven onder 5.1 in de onderhavige zaak heeft toegepast. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder aangegeven dat weliswaar het grootste gedeelte van de zaken ziet op bekering tot het christendom, maar dat de vaste gedragslijn opgesteld is voor zowel de beoordeling van bekeringszaken over het christendom als ook andere geloven. De rechtbank overweegt daarnaast dat eiser aangeeft dat het bahaïsme een andere positie heeft in Iran dan het christendom en het praktiseren van dit geloof geheel anders is dan het christendom, maar dat dit onvoldoende grond is voor het oordeel dat verweerder bij het toepassen van de vaste gedragslijn onvoldoende oog heeft gehad voor het bahá'í-geloof en de specifieke kenmerken daarvan. Daarbij acht de rechtbank mede van belang dat zowel bekering tot het christendom als bekering tot het bahá'í-geloof risico’s met zich meebrengt en strafbaar is in Iran en dat zowel christenen als bahai’s worden aangemerkt als risicogroepen in het landgebonden beleid van Iran in de Vreemdelingencirculaire 2000. Van eiser mag daarom des te meer verwacht worden dat hij duidelijk inzicht geeft in de motieven voor en het proces van bekering, ongeacht het geloof waarop de bekering ziet. De rechtbank overweegt verder dat de enkele stelling ter zitting dat de gehoormedewerker onvoldoende kennis had om door te vragen over het bahá'í-geloof, aan het voorgaande niet afdoet. Uitvoerige en specifieke kennis over een bepaald geloof is immers geen vereiste, hetgeen ook blijkt uit de omstandigheid dat er één vaste gedragslijn is vastgesteld voor alle bekeringszaken. Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat verweerder de vaste gedragslijn in bekeringszaken heeft mogen toepassen op onderhavige zaak en dat niet gebleken is dat verweerder de onderhavige zaak te veel heeft beoordeeld vanuit de kijk op de bekering van moslims tot het christendom.

5.3

Met inachtneming van voornoemde beoordelingsmethode is de rechtbank van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit en het daarin ingelaste voornemen niet ten onrechte en deugdelijk gemotiveerd tot de conclusie is gekomen dat de verklaringen van eiser over zijn bekering tot het bahá'í-geloof ongeloofwaardig zijn. De rechtbank volgt het standpunt van verweerder dat eiser summiere, vage en oppervlakkige verklaringen heeft afgelegd over zijn proces van bekering. De verklaringen over de twee belangrijke aspecten die eiser zoekt in een religie – gelijkheid tussen mensen en volledige vrijheid binnen het geloof – heeft verweerder oppervlakkig mogen achten. Zo geeft eiser bijvoorbeeld aan dat hij zich in de islam voornamelijk belemmerd voelde door de vele verplichtingen in het gebed, terwijl in het bahá'í-geloof je zelf mag kiezen wanneer je een gebed uitvoert. Dergelijke verklaringen zijn algemeen en zien onvoldoende op eisers eigen ervaringen. Ook blijkt uit deze verklaringen niet dat eiser een innerlijke worsteling ten aanzien van het geloof heeft doorgemaakt. Verweerder heeft verder eisers verklaringen over zijn kennismaking met het bahá'í-geloof vaag en summier mogen achten. Voorts heeft eiser met zijn verklaringen niet duidelijk gemaakt hoe hij op het bahá'í-geloof is gekomen en wat de redenen voor hem waren om zich verder in het geloof te verdiepen. Verweerder heeft daarbij van belang mogen achten dat wanneer eiser tijdens de gehoren een op zijn persoon gerichte vraag kreeg, hij ontwijkende antwoorden gaf en alleen inging op de inhoud van het bahá'í-geloof. Verder heeft verweerder niet ten onrechte tegengeworpen dat eiser er niet in is geslaagd om uiteen te zetten waarom het bahá'í-geloof belangrijk voor hem zou zijn geworden. Eiser heeft nagelaten hier concreet antwoord op te geven en verweerder heeft dan ook mogen opmerken dat dit niet getuigt van een bewuste en doordachte keuze voor dit geloof. Dit klemt te meer nu eiser heeft verklaard vanaf zijn dertiende levensjaar niet meer actief de islam te praktiseren en hij in de jaren die daarop volgden steeds meer twijfels omtrent de islam zou hebben gekregen. Van eiser had daarom des te meer verwacht mogen worden dat hij duidelijk zou kunnen aangeven waarom het geloof opeens weer een belangrijke rol in zijn leven is gaan spelen, hetgeen eiser heeft nagelaten. De enkele stelling van eiser dat hij op rationele wijze door middel van diep nadenken en onderzoeken tot het bahá'í-geloof is gekomen, is daartoe onvoldoende. Ook de verklaringen over wat het bahá'í-geloof voor eiser persoonlijk inhoudt en welke veranderingen hij toeschrijft aan zijn bekering, heeft verweerder vaag en summier mogen achten. Eiser heeft verklaard dat hij kracht, macht en dapperheid voelde en dat hij eindelijk zelf mocht meedenken. Verweerder heeft daarover niet ten onrechte opgemerkt dat eiser niet heeft geconcretiseerd waarom hij dit aan het bahá'í-geloof toeschrijft en waarom dit voor hem persoonlijk belangrijk is. Ook de verklaringen in dit kader zien voornamelijk op de inhoud van het bahá'í-geloof. De rechtbank wijst er in dit kader ook op dat eiser een hoogopgeleide en intelligente man is en verweerder heeft dan ook in redelijkheid van eiser mogen verwachten dat hij duidelijke en aannemelijke verklaringen kan afleggen ten aanzien van zijn proces van bekering tot het bahá'í-geloof. Daarbij kan tevens worden betrokken de omstandigheid dat eiser afkomstig is uit een samenleving die vijandig staat tegenover andere religies dan de islam.

5.4

De schriftelijke verklaring van de Nederlandse bahá'í-organisatie en het pasje dat zijn lidmaatschap bevestigt, is ontoereikend om tot een ander oordeel te komen. Verweerder wijst terecht naar de uitspraak van de Afdeling van 14 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2068, waaruit volgt dat dergelijke verklaringen kunnen dienen ter staving van een gestelde bekering van een vreemdeling, maar onverlet laten dat de vreemdeling (ook) tegenover de staatssecretaris overtuigende verklaringen af moet kunnen leggen over zijn bekering en het proces dat daartoe heeft geleid. Nu eiser daar in onderhavige zaak niet in is geslaagd, kan de ongeloofwaardigheid van de bekering niet worden weggenomen door dergelijke stukken. De enkele stelling dat het niet gemakkelijk is om toe te treden tot de bahá'í-gemeenschap, doet hier niet aan af.

5.5

Reeds gelet op het voorgaande heeft verweerder de bekering van eiser tot het bahá'í-geloof niet ten onrechte en op goede gronden ongeloofwaardig geacht en dit oordeel deugdelijk gemotiveerd. Het beroep op de twee Afdelingsuitspraken (de uitspraken van 15 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3010, en de 8 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1539) slaagt daarom niet. Hetgeen overigens is aangevoerd ten aanzien van eisers bekering, behoeft geen bespreking.

5.6

Nu de gestelde bekering tot het bahá'í-geloof niet geloofwaardig wordt geacht, doet dit afbreuk aan de gestelde problemen die eiser zou hebben ondervonden naar aanleiding van de gestelde bekering. Daarbij is van belang dat verweerder de verklaringen over de inval in eisers ouderlijk huis ongerijmd heeft mogen achten. Uit eisers verklaringen volgt immers dat hij wel degelijk op de hoogte was van een naderende inval nu eiser heeft verklaard dat de echtgenoot van zijn oudste zus toestemming van de rechtbank had gekregen om een huiszoeking te laten plaatsvinden in eisers ouderlijk huis, waarop zijn zus eerst naar een oom is gegaan en vervolgens het land heeft verlaten. Los van het feit of eiser precies wist wanneer de inval zou plaatsvinden, heeft verweerder het opmerkelijk mogen achten dat eiser de documenten en boeken over het bahá'í-geloof zomaar in de woning waar hij met zijn ouders en zus woonde aldaar zou bewaren gelet op de risico’s die daarmee gepaard gaan. Dat de inval gericht zou zijn op het vinden van zijn oudste zus, die op dat moment reeds het land had verlaten, doet aan het voorgaande niet af nu niet wordt ingezien waarom eiser dergelijke risico’s zou nemen in een land waarin de enige maatschappelijk aanvaarde godsdienst de islam is. Gelet op het voorgaande heeft verweerder de verklaringen over de inval in eisers ouderlijk huis niet ten onrechte niet gevolgd.

5.7

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de legale uitreis van eiser afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van zijn asielrelaas. Dat de aandacht van eiser persoonlijk werd afgeleid nu hij met een groep sporters reisde, doet hier niet aan af. Eiser heeft namelijk verklaard dat zijn paspoort is gecontroleerd. Ongeacht de omstandigheid of dit al dan niet versneld is gebeurd, blijkt hieruit niet dat eiser in de negatieve belangstelling zou staan van de Iraanse autoriteiten. Evenmin blijkt hier uit dat eiser na de huiszoeking actief gezocht werd door de Iraanse autoriteiten.

5.8

De rechtbank overweegt verder dat het betoog dat eiser een verblijfsvergunning asiel had behoren te krijgen nu zijn zussen op basis van vrijwel hetzelfde relaas asiel hebben gekregen, niet slaagt. Verweerder heeft terecht opgemerkt dat iedere zaak op zijn eigen merites moet worden beoordeeld en dat de omstandigheid dat eisers zussen in een ander Europees land asiel hebben gekregen, nog daargelaten op welke grond(en) dat is geschied, het relaas van eiser nog niet geloofwaardig maakt. Het is aan eiser om zelf duidelijk naar voren te brengen wat volgens hem de redenen zijn waarom hij internationale bescherming nodig heeft. In het vorenstaande is uiteen gezet waarom eiser hierin niet is geslaagd.

5.9

De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder het verzoek van eiser om aanvullend te worden gehoord heeft mogen afwijzen. Verweerder heeft volgens de rechtbank niet ten onrechte geoordeeld dat eiser voldoende gelegenheid is geboden om te verklaren over zijn bekering en de daaruit voortvloeiende problemen. Ook heeft eiser pas op het moment dat een negatief voornemen werd uitgebracht, het verzoek om een aanvullend nader gehoor gedaan. Het aanvullend horen is niet bedoeld om een vreemdeling in de gelegenheid te stellen om gebreken in zijn verklaringen die door het uitbrengen van het voornemen aan het licht komen te herstellen middels een aanvullend nader gehoor. Reeds hierom treft het betoog van eiser geen doel.

6. De rechtbank concludeert dat verweerder de verklaringen van eiser over zijn bekering en de daaruit voortvloeiende problemen niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Eiser komt daarom niet in aanmerking voor toelating op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw 2000.

7. De aanvraag is terecht afgewezen als ongegrond. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meijers, rechter, in aanwezigheid van mr. E.F. Binnendijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 januari 2018.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.