Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:10079

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-08-2018
Datum publicatie
28-08-2018
Zaaknummer
NL18.12680
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Asiel, Dublinverordening, Italië, beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats 's-Gravenhage

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.12680


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres

(gemachtigde: mr. A.W.J. van der Meer),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. P.P. Zweedijk).

Procesverloop

Bij besluit van 5 juli 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL18.12681, plaatsgevonden op 24 juli 2018. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen de heer Hossein. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres stelt geboren te zijn op [geboortedatum] 2001 en de Eritrese nationaliteit te hebben. Op 10 maart 2018 heeft eiseres onderhavige asielaanvraag ingediend.

2. Verweerder heeft de aanvraag niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Verordening (EU) 604/2013 (hierna: de Dublinverordening) is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Uit Eurodac is gebleken dat eiseres de buitengrens van de lidstaten die gebonden zijn aan Verordening (EU) nr. 603/2013 (de Eurodacverordening) op illegale wijze heeft overschreden via Italië. Verder is gebleken dat eiseres op 8 november 2017 in Italië en op 25 februari 2018 in Zwitserland een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Daarnaast is uit onderzoek op grond van artikel 34 van de Dublinverordening gebleken dat eiseres in Italië geregistreerd staat met als geboortedatum [geboortedatum] 1997. Ook is uit dit onderzoek gebleken dat de Italiaanse autoriteiten een verblijfsvergunning aan eiseres hebben verstrekt voor het indienen van een asielaanvraag en dat deze vergunning op 25 mei 2018 is verlopen. Verweerder heeft gelet op voornoemde informatie de geboortedatum van eiseres door de vreemdelingenpolitie laten wijzigen van [geboortedatum] 2001 naar [geboortedatum] 1997. Vervolgens heeft verweerder op 3 mei 2018 Italië verzocht om eiseres over te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening. De Italiaanse autoriteiten hebben hiermee op 7 mei 2018 ingestemd.

3. Eiseres kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en voert daartoe het volgende aan. Eiseres stelt dat het bestreden besluit tot stand is gekomen in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel, het motiveringsbeginsel en de beginselen van een goede procesorde. Ook meent eiseres dat verweerder nader onderzoek dient te verrichten. Voorts stelt eiseres dat verweerder onvoldoende is ingegaan op hetgeen in de zienswijze naar voren is gebracht. Daarnaast voert eiseres, onder verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 juni 2018 (ECLI:EU:C:2018:465, hierna: het arrest Gnandi), aan dat het de vraag is of sprake is van een effectief rechtsmiddel nu verweerder schorsende werking aan het beroep heeft onthouden. Wat betreft haar leeftijd, wijst eiseres erop dat zij zowel in Italië als in Zwitserland haar echte leeftijd heeft opgegeven, dat toen zij aankwam in Italië moe en ziek was en dat haar geboortedatum van [geboortedatum] 2001 overeenkomt met hetgeen zij over school heeft verklaard. Ook rust op verweerder de plicht om zich op dit punt te vergewissen. Ten aanzien van de gezins- en familieleden in Nederland, stelt eiseres dat het gebruikelijk is dat gezins- en familieleden in Nederland in ieder geval worden vermeld. Verweerder is hieraan voorbij gegaan. Eiseres voert verder aan dat het de vraag is of nog van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan jegens de Italiaanse autoriteiten, dan wel of eiseres daadwerkelijk opnieuw zal worden toegelaten tot de Italiaanse asielprocedure. Ook wijst eiseres erop dat zij een alleenstaande, kwetsbare vrouw is die ernstige mishandelingen heeft moeten meemaken. Verweerder heeft dan ook ten onrechte nagelaten te bezien of er reden is om het asielverzoek van eiseres onverplicht over te nemen.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

4.1

De rechtbank is van oordeel dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat ten aanzien van Italië niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Eiseres heeft gesteld dat er in Italië sprake is van capaciteitsproblemen wat betreft opvang. Ook heeft zij gesteld dat de Italiaanse autoriteiten jegens haar niet aan de minimumwaarborgen van de Procedurerichtlijn en de Opvangrichtlijn kunnen voldoen. Eiseres heeft deze stellingen echter niet onderbouwd. De verwijzing naar de nieuwe regering van Italië die tegen illegale immigratie is en een reddingsschip met vluchtelingen niet heeft toegelaten, is daarvoor te algemeen van aard. Verweerder mag ervan uitgaan dat de Italiaanse autoriteiten een vreemdeling die wordt overgedragen in het kader van de Dublinverordening in overeenstemming met hun internationale verplichtingen zullen behandelen en mitsdien dat eiseres zal worden toegelaten tot de Italiaanse asielprocedure. Daarbij wijst de rechtbank erop dat Italië met het claimakkoord heeft gegarandeerd dat het verzoek van eiseres om internationale bescherming in behandeling zal worden genomen. Met betrekking tot het standpunt van eiseres dat in Italië niets aan haar werd uitgelegd en dat zij foutieve informatie heeft gekregen over het wijzigen van haar leeftijd overweegt de rechtbank dat zij zich bij voorkomende problemen in Italië dient te wenden tot de daartoe aangewezen autoriteiten. Niet gebleken is dat eiseres dat heeft gedaan.

4.2

De rechtbank overweegt verder dat niet in geschil is dat eiseres in Italië als meerderjarige is geregistreerd. Gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel, wordt er vanuit gegaan dat deze registratie zorgvuldig heeft plaatsgevonden. Het is daarom aan eiseres om aannemelijk te maken dat de geregistreerde geboortedatum onjuist is. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat eiseres hier niet in is geslaagd. Daarbij is van belang dat eiseres geen identificerende documenten heeft overgelegd om te onderbouwen dat de geboortedatum die in Italië geregistreerd is onjuist is. Verweerder mocht dan ook uitgaan van de meerderjarigheid van eiseres.

4.3

Wat betreft het betoog dat verweerder voorbij lijkt te gaan aan de gezins- en familieleden in Nederland en dat eiseres een alleenstaande, kwetsbare vrouw is die ernstige mishandelingen heeft moeten meemaken, overweegt de rechtbank dat verweerder in hetgeen door eiseres voorafgaand aan het bestreden besluit is aangevoerd onvoldoende grond heeft hoeven zien om te onderzoeken of verweerder haar asielverzoek in behandeling dient te nemen. De stelling dat verweerder nader onderzoek dient te verrichten slaagt derhalve niet. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder geen aanleiding heeft hoeven zien om toepassing te geven aan artikel 17 van de Dublinverordening.

4.5

De rechtbank overweegt verder dat het beroep op het arrest Gnandi en het betoog dat het de vraag is of er sprake is van een effectief rechtsmiddel geen doel treffen. Het arrest Gnandi ziet immers op de rechtsgevolgen van een genomen terugkeerbesluit. Ingeval van eiseres is hiervan geen sprake.

4.6

De rechtbank overweegt voorts dat eiseres de stelling dat verweerder onvoldoende is ingegaan op de zienswijze niet heeft geconcretiseerd. Gelet op het vorenstaande, is de rechtbank evenmin gebleken dat het bestreden besluit tot stand is gekomen in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel, het motiveringsbeginsel of de beginselen van goede procesorde.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.S.G. Jongeneel, rechter, in aanwezigheid van

mr. E.F. Binnendijk, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan, digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.