Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:10064

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
21-08-2018
Datum publicatie
07-09-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 3840
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wob-verzoek. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de gevraagde informatie in zijn geheel had moeten worden geweigerd, omdat het publiek reeds voldoende wordt geïnformeerd door een jaarlijkse rapportage die openbaar wordt gemaakt op de site van de Centrale Commissie Dierproeven. Tot openbaarmaking van meer gegevens is verweerder dan ook niet gehouden. Het betoog van verweerder faalt. Uit de door verweerder aangehaalde bepalingen kan worden afgeleid dat het hier een voorgeschreven minimum aan informatievoorziening betreft en geen uitputtende regeling tot openbaarmaking die derogeert aan de Wob. Evenmin kan uit de uitspraak van de Afdeling van 7 juni 2017 worden afgeleid dat verweerder in het onderhavige geval de gevraagde informatie in zijn geheel had kunnen weigeren. De rechtbank volgt verweerder verder niet in zijn standpunt dat hij kan volstaan met het verstrekken van de adviezen (de niet-technische samenvatting), nu niet is gebleken dat verweerder hiermee de informatie heeft verstrekt waar eiser om heeft verzocht. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 17/3840

uitspraak van de meervoudige kamer van 21 augustus 2018 in de zaak tussen

[eiser], te [plaats], eiser

(gemachtigde: mr. H. van Drunen),

en

de raad van bestuur van het Erasmus Medisch Centrum Rotterdam, verweerder

(gemachtigden: mr. M.A. Voskamp en dr. J.M. Fentener van Vlissingen).

Procesverloop

Bij besluit van 27 juni 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de verzoeken van eiser om informatie op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) gedeeltelijk afgewezen.

Bij besluit van 20 juli 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Verweerder heeft onder verwijzing naar artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) medegedeeld dat ten aanzien van enkele op de zaak betrekking hebbende stukken alleen de rechtbank van deze stukken kennis mag nemen. Bij beslissing van 27 december 2017 heeft deze rechtbank (in een andere samenstelling) bepaald dat de verzochte beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is. Eiser heeft de rechtbank toestemming gegeven om mede op basis van die stukken uitspraak te doen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 april 2018. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met voorafgaand bericht aan de rechtbank, niet verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1.
Eiser heeft op 13 april 2015 en 10 mei 2016 verweerder op grond van artikel 3 van de Wob verzocht om toezending van documenten en digitale beelden van experimenten met apen van 2010 tot 13 april 2015 en om toezending van documenten die gaan over of betrekking hebben op onderzoeksvoorstellen, protocollen en verslagen van experimenten gedaan met apen over de periode van 1 januari 2011 tot 10 mei 2016.

2. Verweerder heeft bij het primaire besluit op beide Wob-verzoeken beslist en de door eiser gevraagde informatie verstrekt door toezending van de - deels geanonimiseerde - adviezen van de dierexperimentencommissie in de betreffende 25 onderzoeksdossiers (hierna: de adviezen). Deze adviezen die concreet, maar bondig ingaan op het belang en het doel van het betreffende onderzoek, de wijze van uitvoering, de gevolgen voor de betrokken dieren en de ethische afwegingen zijn te beschouwen als een samenvatting van de door eiser gevraagde informatie. Onder verwijzing naar artikel 7, eerste lid, van de Wob stelt verweerder zich op het standpunt dat door het verstrekken van deze adviezen aan eisers verzoek is voldaan. Voorts heeft verweerder (in beperkte mate) gegevens uit de adviezen geweigerd openbaar te maken op grond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c en d, van de Wob en artikel 10, tweede lid, aanhef en onder b, e, f en g, van de Wob.

2.1.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd, met aanvulling van de motivering. De weggelakte gegevens betreffen vooral de namen van de betrokken medewerkers. Het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en het voorkomen van onevenredige benadeling van die personen weegt niet op tegen het belang van openbaarmaking van die informatie (artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e en g van de Wob). Voorts zijn in de adviezen bedrijfsgegevens en verwijzingen naar zakelijke relaties met derden weggelakt, voor zover openbaarmaking van die gegevens de concurrentiepositie en/of de financiële belangen van verweerder als onderzoeksinstelling kunnen aantasten. Dit betreft bedrijfsgegevens zoals bedoeld in artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob, dan wel betreft het informatie ten aanzien waarvan het belang van openbaarmaking niet opweegt tegen de belangen genoemd in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder b en g van de Wob. Voor zover openbaarmaking van informatie in de adviezen is geweigerd met een beroep op artikel 10, tweede lid, aanhef en onder f van de Wob, betreft het technisch-wetenschappelijke informatie zoals bijvoorbeeld stofnamen. In afwachting van de publicatie van de uitkomsten van een onderzoek dient te worden voorkomen dat belangrijke en onderscheidende informatie ten aanzien van het betreffende onderzoek, kenbaar wordt voor andere partijen/onderzoekers. De termijn waarop uiteindelijk kan worden gepubliceerd beloopt vaak wel twee jaar of meer. Tot die tijd dient deze specifieke informatie niet via een Wob-procedure voor anderen opvraagbaar te zijn. Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij heeft kunnen volstaan met een algemene toelichting bij de weigeringsgronden, omdat de weggelakte gegevens voor zich spreken.

Verweerder heeft voorts toegelicht dat het een weloverwogen keuze is geweest om de door eiser gevraagde informatie te verstrekken door toezending van de adviezen, nu dit een grote hoeveelheid documenten betreft. Onder verwijzing naar vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling, zie uitspraak van 2 november 2016, ECLI:NLRVS:2016:2867) stelt verweerder zich op het standpunt dat het verstrekken van de gevraagde informatie in een andere dan door de verzoeker gewenste vorm aanvaardbaar kan zijn, mits dezelfde informatie wordt verstrekt als het geval zou zijn bij verstrekking in de door verzoeker gewenste vorm. Verweerder stelt zich op het standpunt dat met de toezending van de adviezen dezelfde informatie is verstrekt als het geval zou zijn bij verstrekking van de informatie in de door eiser gewenste vorm. De Wob-verzoeken van eiser zijn daarmee zo goed als mogelijk beantwoord. Voor zover de onderzoeksplannen meer (wezenlijke) informatie bevatten dan de informatie in de adviezen betreft dit informatie die gelet op de weigeringsgronden van de Wob niet kan worden verstrekt. Met de schoning van de betreffende documenten zou (nog) meer tijd zijn gemoeid dan thans al het geval is geweest, zonder dat dit zou bijdragen aan de informatieverstrekking aan eiser. Verweerder meent, onder verwijzing naar het bepaalde in artikel 7, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wob dat het vertrekken van de informatie in die vorm redelijkerwijs niet kan worden gevergd. Onder verwijzing naar recente jurisprudentie van de Afdeling stelt verweerder zich op het standpunt dat dat de dreiging van het dierenrechtenactivisme nog steeds reëel is en dat het belang van de vergunninghouder, diens huidige en voormalige werknemers en andere betrokkenen, om beschermd te blijven tegen een toename van het risico van tegen hen gerichte buitensporige acties als gevolg van openbaarmaking van de gegevens zwaarder dient te wegen dan het publieke belang bij openbaarmaking van die gegevens.

3. Eiser is het niet eens met dit besluit en voert aan dat de informatie ten onrechte is verstrekt in de vorm van adviezen. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom de informatie niet in de door eiser verzochte vorm is verstrekt. Voorts heeft verweerder nagelaten per passage aan te geven welke weigeringsgrond van de Wob van toepassing is. Eiser meent dat gegevens van verweerder niet vallen onder de reikwijdte van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob. Verweerder heeft niet aannemelijk gemaakt dat openbaarmaking van deze bedrijfsgegevens een zodanige aantasting van de financiële belangen van verweerder tot gevolg heeft dat openbaarmaking achterwege dient te blijven. Voorts wordt ten onrechte informatie geweigerd op de grond dat sprake is van vertrouwelijke bedrijfs- en fabricagegegevens. Verweerder heeft niet aannemelijk of inzichtelijk gemaakt dat bij openbaarmaking sprake zal zijn van onevenredige benadeling.

Voorts zijn ten onrechte alle persoonsgegevens geweigerd op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef, en onder e, van de Wob. Verweerder heeft ten onrechte nagelaten een belangenafweging te maken. Tenslotte kan de verwijzing naar dierenrechtenactivisme geen stand houden.

4. Verweerder heeft zich in het verweerschrift primair op het volgende standpunt gesteld. Uitgaande van de recente jurisprudentie van Afdeling (o.a. 7 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1498) had verweerder de door eiser gevraagde informatie in het geheel moeten weigeren. In deze uitspraken is overwogen dat de vrees voor dierenrechtenactivisme gerechtvaardigd is en op grond daarvan openbaarmaking van informatie kan worden geweigerd op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob. Nu bij het primaire besluit anders is beslist, stelt verweerder zich subsidiair op het standpunt dat met de verstrekking van de adviezen aan de door eiser gevraagde informatie tegemoet is gekomen.

5. Verweerder heeft bij brief van 30 maart 2018 de adviezen opnieuw ingezonden waarbij alsnog, per document en per passage, kenbaar is gemaakt welke gronden zich tegen openbaarmaking verzetten.

5.1

De rechtbank overweegt dat het betoog van eiser dat verweerder per document of per onderdeel had moeten motiveren op welke grond openbaarmaking daarvan achterwege wordt gelaten, slaagt. Verweerder heeft aanvankelijk slechts in algemene bewoordingen ten aanzien van de adviezen toegelicht waarom de ingeroepen weigeringsgronden zich voordoen. Dit is in strijd met de vaste jurisprudentie van de Afdeling. Dit gebrek kan niet worden gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van de Awb zodat het bestreden besluit moet worden vernietigd.

De rechtbank dient vervolgens te beoordelen of er aanleiding bestaat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten.

Wettelijk kader

6. Op grond van artikel 3, eerste lid, van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob), kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

6.1.

Op grond van artikel 7, eerste lid, van de Wob verstrekt het bestuursorgaan de informatie met betrekking tot de documenten die de verlangde informatie bevatten door

  1. kopie ervan te geven of de letterlijke inhoud ervan in andere vorm te verstrekken;

  2. kennisneming van de inhoud toe te staan;

  3. een uittreksel of een samenvatting van de inhoud te geven, of

  4. inlichtingen daaruit te verschaffen.

6.2.

Op grond van artikel 7, tweede lid, van de Wob verstrekt het bestuursorgaan de informatie in de door verzoeker verzochte vorm, tenzij:

  1. het verstrekken van de informatie in die vorm redelijkerwijs niet gevergd kan worden;

  2. de informatie reeds in een andere, voor de verzoeker gemakkelijk toegankelijke vorm voor het publiek beschikbaar is.

6.3.

Op grond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob blijft het verstrekken van informatie achterwege voor zover dit bedrijfs- en fabricagegegevens betreft.

Ingevolge artikel 10, tweede lid, aanhef en onder b, e, f en g, van de Wob, blijft het verstrekken van informatie eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de economische of financiële belangen, het eerbiedigen van de persoonlijke levenssfeer, het belang dat de geadresseerde erbij heeft als eerste kennis te kunnen nemen van de informatie en/of het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen.

7. Verweerder heeft zich in beroep op het standpunt gesteld dat de gevraagde informatie in zijn geheel had moeten worden geweigerd, omdat het publiek reeds voldoende wordt geïnformeerd door een jaarlijkse rapportage die openbaar wordt gemaakt op de site van de Centrale Commissie Dierproeven. Tot openbaarmaking van meer gegevens is verweerder dan ook niet gehouden. Verweerder heeft daarbij verwezen naar artikel 4 van de Dierproevenregeling 2014 waarin is bepaald dat bij een aanvraag voor een projectvergunning een niet-technische samenvatting, als bedoeld in de Wet op de Dierproeven, moet worden ingediend. Deze verplichting vloeit voort uit artikel 43 van de Europese Richtlijn 2010/63/EU, die is geïmplementeerd in de Wet op de dierproeven, geldend vanaf 18 december 2014. De niet-technische samenvatting van een project betreft een beschrijving van een projectvoorstel die bij een aanvraag voor een projectvergunning moet worden overgelegd en die bij verlening van de vergunning openbaar wordt gemaakt om het publiek over het project te informeren. Deze niet-technische samenvatting is anoniem en bevat geen namen en adressen van de vergunninghouder en zijn medewerkers. Daarnaast moet een vergunninghouder op grond van artikel 9, eerste lid, van de Dierproevenregeling jaarlijks aantekening houden van de in dat artikel genoemde gegevens.

7.1.

Dat op verweerder de verplichting rust jaarlijks een rapportage op te stellen en openbaar te maken waarin een niet-technische samenvatting is opgenomen, sluit niet uit dat op verweerder de verplichting rust nog niet geopenbaarde stukken op grond van de Wob openbaar te maken. Dat verweerder op grond van de Wet op de Dierproeven en de Richtlijn 2010/63/EU reeds bepaalde informatie openbaar moet maken, laat onverlet dat verweerder gehouden is, indien hierom wordt verzocht, overige informatie op grond van de Wob openbaar te maken. Uit de hiervoor aangehaalde bepalingen kan worden afgeleid dat het hier een voorgeschreven minimum aan informatievoorziening betreft en geen uitputtende regeling tot openbaarmaking die derogeert aan de Wob. Het betoog van verweerder faalt.

8. De rechtbank dient vervolgens te beoordelen of uit de uitspraken van de Afdeling, waaronder in het bijzonder de uitspraak van 7 juni 2017, kan worden afgeleid dat verweerder de door eiser gevraagde informatie in zijn geheel had moeten weigeren openbaar te maken. Verweerder heeft zich bij het verweerschrift op het standpunt gesteld dat uit de aangehaalde uitspraken van de Afdeling kan worden afgeleid dat de door eiser verzochte informatie specifiek betrekking heeft op een instelling, in het onderhavige geval het Erasmus MC, en dat openbaarmaking van informatie over individuele instellingen kan worden geweigerd nu openbaarmaking kan leiden tot een onevenredige benadeling.

8.1.

De Afdeling heeft in de uitspraak van 7 juni 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1498) onder rechtsoverweging 3.2 het volgende overwogen.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat de staatssecretaris aannemelijk heeft gemaakt dat openbaarmaking van de namen en adresgegevens van proefdierlocaties kan leiden tot onevenredige benadeling van deze instellingen en hun medewerkers. Daarmee wordt immers bekend op welke instellingen de al openbaar gemaakte inspectieverslagen betrekking hebben en waar de proefdierlocaties zijn gevestigd. Deze instellingen hebben naar aanleiding van deze inspecties een waarschuwing gekregen. Uit hetgeen hiervoor onder 2.2. is overwogen volgt dat de rechtbank de staatssecretaris terecht in zijn standpunt is gevolgd dat het risico van dierenrechtenactivisme nog altijd reëel is. Er is dan ook voldoende vrees voor een toename van het risico van tegen de instellingen en hun medewerkers gerichte buitensporige acties bij openbaarmaking van de namen en adresgegevens van de proefdierlocaties. De staatssecretaris heeft openbaarmaking van deze gegevens in redelijkheid krachtens artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob kunnen weigeren, zoals de rechtbank terecht heeft geoordeeld.

8.2.

De rechtbank is van oordeel dat uit het voorgaande niet kan worden afgeleid dat verweerder in het onderhavige geval de gevraagde informatie in zijn geheel had kunnen weigeren. In de uitspraak van de Afdeling zou reeds openbaar gemaakte informatie te herleiden zijn tot specifieke proefdierlocaties en namen van medewerkers. In dat geval heeft de Afdeling geoordeeld dat openbaarmaking tot onevenredige benadeling kan leiden. Dat verweerder als proefdierinstelling op grond van het voorgaande niet gehouden zou zijn enige informatie openbaar te maken over de uitgevoerde experimenten, strekt te ver. Dat verweerder als instelling proefdierexperimenten verricht is reeds bekend. Dit laat echter onverlet dat in bepaalde gevallen verweerder eventueel bepaalde informatie in deze documenten kan weigeren voor zover dit ziet op (adresgegevens van) specifieke proefdierlocaties.

9. Het standpunt van verweerder dat de gevraagde informatie in zijn geheel geweigerd had moeten worden, wordt dan ook niet gevolgd. De rechtbank dient vervolgens te beoordelen of verweerder de weigeringsgronden op juiste wijze heeft toegepast.

10. Eiser heeft gesteld dat verweerder niet had mogen volstaan met het verstrekken van slechts de DEC-adviezen.

10.1.

Op grond van artikel 7, eerste lid, onder c, van de Wob, mag verweerder de verlangde informatie verstrekken door een uittreksel of samenvatting van de inhoud te geven. Bij verstrekking in de vorm van een overzicht geldt dat geen relevante informatie mag ontbreken wanneer daaraan geen weigeringsgrond of beperking als bedoeld in artikel 10 of 11 van de Wob ten grondslag kan worden gelegd. Gezien de bewoordingen van de Wob-verzoeken van eiser heeft hij met zijn verzoek (onder meer) beoogd ook de onderliggende stukken van de adviezen, de onderzoeksplannen, te verkrijgen.

10.2.

De rechtbank volgt verweerder niet in zijn standpunt dat hij kan volstaan met het verstrekken van de adviezen (de niet-technische samenvatting), nu niet is gebleken dat verweerder hiermee de informatie heeft verstrekt waar eiser om heeft verzocht. De rechtbank heeft na inzage van de onderliggende geheime stukken ook vastgesteld dat de inhoud van de samenvatting niet geheel overeenkomt met de onderliggende stukken. Voorts begrijpt de rechtbank het standpunt van verweerder aldus dat alles wat niet is opgenomen in de niet-technische samenvatting integraal mag worden geweigerd, echter verweerder heeft hierbij niet expliciet weigeringsgronden vermeld. Dat kan worden volstaan met de samenvatting vanwege de omvang van de onderliggende stukken, wordt niet gevolgd.

10.3.

Nu het standpunt van verweerder wegens een motiveringsgebrek geen stand kan houden, komt de rechtbank niet toe aan de beoordeling van de overige beroepsgronden.

11. Dit betekent dat het beroep gegrond is en dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12 van de Awb. Verweerder dient met inachtneming van deze uitspraak opnieuw op het bezwaar te beslissen.

12. De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op
€ 501,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met in inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 333,- vergoedt aan eiser;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van € 501,- te betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, voorzitter, en mr. M. Soffers en
mr. M.J.L. van der Waals, leden, in aanwezigheid van mr. J.R. van Veen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 augustus 2018.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.