Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:10042

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
25-07-2018
Datum publicatie
29-08-2018
Zaaknummer
C-09-533834-HA ZA 17-601
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Overheidsaansprakelijkheidsrecht. Staat niet aansprakelijk voor schade wegens onrechtmatig besluit tot doorhaling van varkensrechten; causaal verband ontbreekt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

Vonnis van 25 juli 2018

in de zaak met zaak-/rolnummer C/09/533834 / HA ZA 17-601 van:

1 [eisende partij sub 1] te [plaats 1] ,

2. [eisende partij sub 2] te [plaats 2] , gemeente [Gemeente] ,

3. [eisende partij sub 3] te [plaats 3] , gemeente [Gemeente] ,

eisers,

advocaat: mr. R. Haouli te ’s-Hertogenbosch,

tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN (MINISTERIE VAN ECONOMISCHE ZAKEN) te Den Haag,

gedaagde,

advocaat: mr. H.J.S.M. Langbroek te Den Haag.

Eisers 1 en 2 zullen samen ‘ [de broers A] ’ worden genoemd. Eiseres 3 zal als ‘de huidige maatschap’ worden aangeduid. Gedaagde zal ‘de Staat’ genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 18 mei 2017 met 28 producties;

  • -

    de conclusie van antwoord van 23 augustus 2017 met 3 producties;

  • -

    het vonnis van 13 september 2017, waarbij een comparitie van partijen is bevolen, bij ambtshalve beschikking van 3 november 2017 bepaald op 24 april 2018;

  • -

    het proces-verbaal van de comparitie van partijen gehouden op 24 april 2018 met de daarin vermelde stukken.

1.2.

Het proces-verbaal van comparitie is buiten aanwezigheid van partijen opgemaakt. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld opmerkingen te maken over het proces-verbaal voor zover het feitelijke onjuistheden betreft. Eisers hebben daarvan gebruik gemaakt. Het proces-verbaal wordt met inachtneming van hun opmerkingen gelezen.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

Eisers en hun onderneming

2.1.

[de broers A] , eisers sub 1 en 2, zijn varkensboeren die op verschillende locaties een varkensbedrijf exploiteren. [de broers A] vormen samen de huidige maatschap. Bovendien zijn [de broers A] ieder vennoot in de vennootschap onder firma [de vof] (hierna de vof). Van de vof is tevens [de BV] (hierna de BV) vennoot. [de broers A] houden elk 50% van de aandelen in de BV.

2.2.

Eerder, op 1 juni 1996, zijn [de broers A] toegetreden als maat tot de maatschap van hun ouders, [X] en [Y] , en waarin hun ouders al een agrarisch bedrijf exploiteerden. De maatschap van [de broers A] met hun ouders zal hierna ook de maatschap uit 1996 worden genoemd. De ouders van [de broers A] zijn eind 2008/begin 2009 uit die maatschap getreden.

De varkensrechten te [plaats 4]

2.3.

De beheersing van de mestproductie van varkens en pluimvee is onderdeel van het mestbeleid van de rijksoverheid. Een bedrijf mag gemiddeld genomen in een kalenderjaar niet meer varkens houden dan het aantal dierproductierechten waarover het beschikt.

2.4.

Bij notariële akte van 20 juli 2006 zijn aan [de broers A] (samen in de akte ook [A] genoemd) geleverd de bedrijfsgebouwen met onder en bijbehorende grond te [plaats 4] alsmede 2.785 varkenseenheden (zogenaamde dierproductierechten). Bij diezelfde akte hebben [de broers A] de economische eigendom van het geleverde verkocht aan de maatschap uit 1996, ieder voor een/vierde onverdeeld aandeel. De notariële akte houdt verder in:

Bedingen

Aflevering, economische overdracht.

Artikel 1.

Het verkochte wordt op heden in economische zin geleverd en afgeleverd aan de Maatschap, met het gevolg dat alle baten en lasten, voor over uit deze akte niet het tegendeel blijkt, voor rekening en risico van de Maatschap zijn met ingang van heden.

De Maatschap is verplicht zich te verzekeren voor de aansprakelijkheid van de juridische eigenaar voor het gekochte, voortvloeiende uit de wet.

Economische eigendom.

Artikel 2.

De Maatschap is van heden af bevoegd tot het verrichten van alle feitelijke handelingen en rechtshandelingen met betrekking tot het verkochte als ware hij eigenaar. Daaronder is begrepen het vervreemden, het splitsen in appartementsrechten en het verhypothekeren van het geheel of het een gedeelte van het verkochte, alles onder de door hem te bepalen voorwaarden en bedingen. De opsomming van deze laatste handelingen houdt niet in dat een andere handeling is uitgesloten.

Van deze handelingen moet [A] zich onthouden tenzij op vordering van de Maatschap.

In het laatste geval is [A] gehouden de handeling op zijn naam doch voor rekening van de Maatschap te verrichten binnen een door laatstgenoemde te bepalen redelijke termijn. (…)”

2.5.

De maatschap uit 1996 heeft het recht van gebruik en genot van de varkensrechten ingebracht in de vof. De maatschap krijgt hiervoor een gebruiksvergoeding van de vof.

Besluit tot doorhaling van de varkensrechten [plaats 4]

2.6.

Op 1 augustus 2008 heeft de minister van Landbouw, natuur en voedselkwaliteit, hierna de minister, het besluit tot registratie van de overgang van de genoemde 2.785 varkensrechten doorgehaald (hierna ook: het besluit tot doorhaling of: het doorhalingsbesluit) op de grond dat de toenmalige wederpartij van [de broers A] niet over de varkensrechten beschikte en deze dus ook niet kon overdragen. Het hiertegen gerichte bezwaar van de maatschap is op 12 december 2008 ongegrond verklaard.

2.7.

De minister heeft op 16 september 2008 aan het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) meegedeeld dat de maatschap uit 1996 de voor die maatschap geregistreerd staande varkensrechten, ondanks de doorhaling, nog tot 1 januari 2009 mocht blijven gebruiken. De exploitatie van de bedrijfslocatie in [plaats 4] is dan ook gewoon voortgezet.

2.8.

Het CBb heeft op 29 september 2009 - kort gezegd - het door de maatschap uit 1996 ingestelde beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het besluit van 1 augustus 2008 herroepen en heeft bepaald dat zijn beslissing in de plaats treedt van het oorspronkelijke besluit.

Verplaatsing bedrijfslocaties in [Gemeente]

2.9.

In de periode 2003-2010 hebben tussen [de broers A] en de gemeente [Gemeente] , hierna de gemeente, gesprekken plaatsgevonden over de verplaatsing van het fokvarkensbedrijf aan de [locatie 1] (hierna de [locatie 1] ) en het vleesvarkensbedrijf aan de [locatie 2] (hierna de [locatie 2] ), beide gelegen in de gemeente, naar een andere locatie in de gemeente aan de [locatie 3] (hierna de [locatie 3] ), in verband met door de gemeente gewenste nieuwbouw.

2.10.

Op 17 april 2005 heeft het College van burgemeester en wethouders van de gemeente (hierna b&w) aan gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant (hierna gedeputeerde staten) bericht dat de familie [A] een verzoek heeft ingediend voor deelname aan de VIV 2005 (de Beleidsregeling Verplaatsing Intensieve Veehouderijen 2005, rb). Deelnemers aan de VIV 2005 krijgen een overeenkomst tot aankoop en sloop van het bestaande bedrijf aangeboden, opdat het bedrijf vervolgens wordt verplaatst naar een door de provincie aan te wijzen ‘duurzame vervangende locatie’.

2.11.

Op 5 februari 2007 is, in het kader van de VIV 2005, tussen [X] (de vader van [de broers A] ) en de provincie een overeenkomst inzake de [locatie 1] en de [locatie 2] gesloten. De koopsom bedroeg € 2.015.168,-- en de verplaatsing moest zijn afgerond voor 31 december 2009.

2.12.

De [locatie 1] en de [locatie 2] zijn gesloopt.

Geplande bedrijfslocatie in [Gemeente]

2.13.

Op 11 februari 2008 heeft [eisende partij sub 1] de [locatie 3] gekocht voor een bedrag van € 800.000. Op 22 januari 2009 heeft de levering van (het bedrijfsmatig aan te wenden gedeelte van) de [locatie 3] aan [de broers A] plaatsgevonden. Het voornemen was om op de [locatie 3] een varkensstal te realiseren voor 850 zeugen.

2.14.

Op 1 oktober 2009, vlak na voormelde uitspraak van het CBb van 29 september 2009, heeft de huidige vof bij de gemeente een aanvraag voor een bestemmingsplanwijziging ingediend in verband met de bouwblokvergroting die de vof wilde doorvoeren op de [locatie 3] .

2.15.

Namens b&w is op 27 oktober 2009 aan [de broers A] meegedeeld dat de welstandscommissie van de gemeente akkoord is met het schetsplan van [de broers A] voor het bouwen van stallen aan de [locatie 3] .

2.16.

Op 18 januari 2010 heeft de vof bij de gemeente een milieuvergunning aangevraagd ten behoeve van een varkens- en rundveehouderij op de [locatie 3] .

2.17.

Op 2 maart 2010 heeft b&w aan de vof medegedeeld voornemens te zijn de verzochte milieuvergunning te verlenen.

2.18.

Op 25 januari 2010 is het ontwerp Bestemmingsplan [Gemeente] Buitengebied 2010 ter inzage gelegd. Hoofdstuk 5 had betrekking op de [locatie 3] en houdt onder meer in, op pagina 37:

“De voorliggende partiële herziening van het bestemmingsplan “ [Gemeente] Buitengebied 2006” van de gemeente [Gemeente] voor het bedrijf aan de [adres 1] te [plaats 2] . Aanleiding voor deze partiële herziening is dat het vigerende bestemmingsplan niet voorziet in de planopzet van [de vof] . op de locatie gelegen aan de [adres 1] te [plaats 2] . Aan de [adres 2] in [plaats 3] is het varkensbedrijf gevestigd van [de vof] . Door de jaren heen is dit bedrijf uitgegroeid, maar doordat dit bedrijf ligt in het “Extensiveringsgebied wonen” is hier geen mogelijkheid meer voor verdere groei. De locatie aan de [adres 1] te [plaats 2] is aangekocht door [de vof] . Door op deze locatie een varkens- en rundveebedrijf op te richten zodat het bedrijf hier verder kan groeien. (…)

en op pagina 53:

Conclusie

In dit onderzoek is de locatie [adres 1] te [plaats 2] onderzocht op duurzaamheid. (…) Voorts kan er dus geconcludeerd worden dat de locatie [adres 1] te [plaats 2] een duurzame locatie is.”

2.19.

Na de gemeenteraadsverkiezingen in 2010 kwam er op 22 maart 2010 een nieuwe coalitie in de gemeenteraad van de gemeente (de gemeenteraad).

2.20.

Op 27 mei 2010 heeft de gemeenteraad, in de nieuwe samenstelling, het aangepaste bestemmingsplan [Gemeente] buitengebied 2010 vastgesteld, maar zonder het hoofdstuk over de [locatie 3] .

2.21.

Op 3 juni 2010 heeft een, door de gemeente georganiseerde, informatieavond plaatsgevonden over de [locatie 3] . In de daarvoor gemaakte PowerPoint presentatie is vermeld:

Bestemmingsplan

□ Van 25 januari tot en met 8 maart 2010 heeft het ontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegen.

□ Er zijn 52 zienswijzen op het plan ontvangen (strijd met reconstructie, duurzaamheidstoets, volksgezondheid, omgeving)

□ 11 mei 2010 heeft het college besloten het plan nog niet ter vaststelling aan te bieden aan de raad.

□ 15 juni 2010 zal het college opnieuw besluiten of het plan rijp is voor vaststelling.

Milieuvergunning

□ Ontwerpbeschikking heeft ter inzage gelegen.

□ Er zijn 4 zienswijzen op de milieuvergunning

□ Over: geur, aanmeldnotitie, ammoniak, geluid, fijnstof, bestemming, gezondheid (…)”

□ De milieuaanvraag is getoetst op wetgeving

□ Gezondheid is niet geregeld middels wetgeving

□ Milieutechnisch is er geen reden om de vergunning te weigeren

□ Er is besloten om de vergunning pas af te geven zodra het ruimtelijke aspect (bestemmingsplan) is geregeld.

2.22.

Op 23 juni 2010 heeft de gemeenteraad besloten om:

“1. Niet mee te werken met de vestiging van de intensieve veehouderij met een bestemmingsvlak ter grootte van 2,2 ha aan de [adres 1] in [plaats 2] .

2. Het bestemmingsplan “ [adres 1] , [plaats 2] ” niet vast te stellen.

3. Het college op te dragen de inspanningsverplichting van de gemeente om mee te werken aan de verplaatsing van het varkensbedrijf naar een andere locatie in Nederland, zoals eerder overeengekomen, voort te zetten.”

2.23.

Op 23 november 2011 heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) het beroep van de vof tegen het besluit om het bestemmingsplan inzake de [locatie 3] niet vast te stellen ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de (ABRvS) mocht de gemeente beslissen om het bestemmingsplan niet te wijzigen.

2.24.

Voor de bouw van de nieuwe stallen aan de [locatie 3] is geen bouwvergunning aangevraagd.

Aansprakelijkstelling Staat en latere gebeurtenissen

2.25.

Op 24 juni 2013 hebben [de broers A] de Staat aansprakelijk gesteld voor schade geleden door de onrechtmatige doorhaling van de varkensrechten, bestaande uit gederfde winst.

2.26.

[de broers A] hebben op 13 december 2013 onder meer een overeenkomst van cessie gesloten met ABAB Groep B.V. (ABAB) ter zake van de vordering van [de broers A] op de Staat wegens het ongegrond doorhalen van de registratie van 2.785 varkensrechten en [de broers A] hebben van die cessie mededeling gedaan aan de Staat.

2.27.

[de broers A] hebben vervolgens op 6 april 2018 een overeenkomst van lastgeving gesloten met ABAB dat [de broers A] de volledige schadevergoedingsvordering jegens de Staat zullen innen, dus ook het aan ABAB gecedeerde deel van de vordering, en dat zij de eerste € 75.000,-- van deze vordering aan ABAB zullen afdragen.

2.28.

In een brief van 8 juni 2015 heeft de heer [C] , directeur bedrijven Rabobank Peel Noord (hierna: [C] ) de navolgende toelichting gegeven:

“(…) In de zomer van 2014 was de Rabobank positief gestemd over een verplaatsing van uw varkensbedrijf naar de [adres 1] en de bouw van een varkensstal op die locatie. Indien u destijds een financieringsaanvraag zou hebben ingediend, zou deze naar alle waarschijnlijkheid zijn goedgekeurd door de Rabobank.

Echter, alvorens u een formele financieringsaanvraag kon indienen, heeft het Ministerie van Economische zaken op 1 augustus 2008, 2785 varkensrechten ingetrokken. Dit was destijds voor de Rabobank aanleiding om aan te geven dat het indienen van een formele financieringsaanvraag geen zin heeft, aangezien voor de Rabobank op voorhand duidelijk was dat zij onder die omstandigheden geen financiering zou verstrekken. Het wegvallen van de varkensrechten betekende letterlijk dat u nieuwe varkensrechten zou moeten aankopen, hetgeen tot gevolg had dat uw financieringsbehoefte drastisch was gewijzigd. Kortom, de Rabobank was mede als gevolg van het wegvallen van de varkensrechten niet langer bereid de verplaatsing van de Handelssteeg 25 en de bouw van de nieuwe stal op die locatie te financieren.

Deze bereidheid was er weer wel toen ondernemers eind 2009 weer de beschikking kregen over de varkensrechten, die eerder waren ingetrokken. (…)”

2.29.

In een verklaring van 28 maart 2015 heeft [D] , voormalig wethouder van de gemeente (hierna [D] ) de volgende toelichting gegeven:

“In de laatstgenoemde periode (maart 2006 tot maart 2010, rb.) was er grote eensgezindheid in de raad betreffende plannen in het kader van de reconstructie van het platteland. [Gemeente] was toen een voorbeeld-gemeente in Brabant. De plannen met [A] pasten in het beleid van verplaatsen van intensieve veehouderijen uit de kernrand zones van wonen en die van natuur. (…) Het voorstel om de Gebroeders [A] aan te kopen en te verplaatsen werd door de raad dan ook unaniem aangenomen. (…)

Op uw vraag wanneer de bestemmingsplanherziening aan de raad zou zijn voorgelegd: als de Gebroeders [A] hun plan om te verplaatsen naar de [adres 1] in augustus 2008 hadden ingediend, dan naar alle waarschijnlijkheid in februari/maart 2009, want de proceduretijd bedroeg toen ongeveer een half jaar, zeker voor plannen die in het beleid pasten.

Op uw vraag of de toen zittende raad dit bestemmingsplan zou hebben goedgekeurd, durf ik volmondig met “ja” te beantwoorden, vermoedelijk zelfs unaniem, maar zeker de coalitie en de VVD.

De verkiezingen van maart 2010 stonden in het teken van de “Megastallen Nee discussie” welke in onze regio ook nog werd aangewakkerd door de heersende Q-koorts. De activisten in deze discussie vonden gehoor bij 2 oppositiepartijen: (…) Lokale Realisten en (…) Coalitiepartij Dorspartij (…) gingen een nieuwe coalitie aan met een programma dat gericht was op gezondheid, gevoed door de heersende Q-koorts. (…)

Het roer werd radiaal omgegooid, inclusief de verplichtingen welke eerder door voorgaande raden waren aangegaan. Ook aan de afspraken en toezeggingen aan [A] werd volledig voorbijgegaan. (…)”

2.30.

De Staat heeft bij brief van 6 april 2017 ontkend aansprakelijk te zijn.

3 Het geschil

3.1.

Eisers vorderen dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. de Staat veroordeelt tot de betaling van schadevergoeding aan [de broers A] ieder afzonderlijk van een bedrag van € 1.008.443,--, te vermeerderen met de wettelijke rente over de geleden en nog te lijden winstderving;

2. voorwaardelijk, in het geval de vorderingen van [de broers A] worden afgewezen:

de Staat veroordeelt tot de betaling van schadevergoeding aan de maatschap tot een bedrag van € 1.446.734,67, te vermeerderen met de wettelijke rente over de geleden en nog te lijden winstderving;

3-4. met veroordeling van de Staat in de proceskosten en in de nakosten.

3.2.

Eisers leggen onrechtmatig handelen van de Staat jegens hen aan hun vordering ten grondslag. Tevens beroepen zij zich op schending van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna artikel 1 EP).

3.3.

Zij betrekken daartoe - kort gezegd – de volgende stellingen. Het besluit tot doorhaling is onrechtmatig. De Staat is op die grond aansprakelijk tegenover [de broers A] en, voor zover dat niet het geval is, in ieder geval tegenover de huidige maatschap voor de als gevolg van het doorhalingsbesluit geleden schade. Het varkensbedrijf kan voorts als een ‘possesion’ in de zin van artikel 1 EP worden aangemerkt. Nu niet bij wet in de doorhaling is voorzien, is de schending van artikel 1 EP een gegeven. Als gevolg van het onrechtmatige besluit heeft de bouw van de varkensstal op de locatie [locatie 3] geen doorgang kunnen vinden. Daardoor hebben eisers schade geleden, bestaande uit gemist bedrijfsresultaat, verlies op de locatie [locatie 3] c.q. uitgebleven waardestijging van deze locatie en algemene kosten. Eisers vorderen de gederfde winst over een periode van zestien jaar doordat zij, ten gevolge van het onrechtmatige besluit, de [locatie 3] niet hebben kunnen exploiteren.

3.4.

De Staat voert verweer.

3.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Niet in geschil is dat, met de vernietiging van het besluit tot doorhaling de onrechtmatigheid van dat besluit, wat betreft inhoud en wijze van totstandkoming, vaststaat. Evenmin is in geschil dat daarmee vaststaat dat de Staat met het nemen van dit gebrekkige besluit onrechtmatig heeft gehandeld en dat dit handelen aan hem kan worden toegerekend.

4.2.

Vaststaat, nu het doorhalingsbesluit dateert van 1 augustus 2008 en daarmee van vóór het uittreden van de ouders uit de maatschap uit 1996, dat het doorhalingsbesluit is geadresseerd aan de maatschap uit 1996. Tevens staat vast, blijkens het verhandelde ter zitting, dat eisers als gevolg van het doorhalingsbesluit op zichzelf geen schade op de bedrijfslocatie te [plaats 4] hebben geleden, omdat zij de exploitatie op die locatie, ondanks de doorhaling, hebben voortgezet. Het is eisers erom te doen dat zij - naar zij stellen en de Staat betwist - als gevolg van het besluit tot doorhaling de locatie te [locatie 3] niet hebben kunnen realiseren. De bedrijfslocaties aan de [locatie 1] en de [locatie 2] zijn gesloopt en eisers hebben voor die sloop een vergoeding ontvangen.

4.3.

Onderwerpen van debat zijn in de eerste plaats welke partij op grond van het vernietigde besluit gerechtigd is een vordering wegens onrechtmatig handelen van de Staat in te stellen en of sprake is van causaal verband tussen het doorhalingsbesluit en de door eisers gestelde schade. De rechtbank overweegt ter zake als volgt.

Welke partij is vorderingsgerechtigd?

De vorderingen van [de broers A]

4.4.

stellen hun vorderingen in dit geding uitdrukkelijk in voor zichzelf in privé. Zij stellen hun vorderingen niet in in hun hoedanigheid van maat in de huidige maatschap of ten behoeve van die maatschap en ook niet in hun hoedanigheid van vennoten van de vof dan wel ten behoeve van de vof bij wijze van last ter incasso.

4.5.

De maatschap heeft haar vordering voorwaardelijk ingesteld, louter voor het geval aan [de broers A] in privé geen vordering toekomt. Daarom zal de rechtbank eerst nagaan in hoeverre [de broers A] in privé een vorderingsrecht toekomt op grond van het doorhalingsbesluit.

4.6.

[de broers A] zijn gezamenlijk de juridische eigenaren van de 2.785 varkensrechten, zo volgt uit de notariële akte van 20 juli 2006. Bij dezelfde notariële akte hebben [de broers A] de economische eigendom met betrekking tot deze 2.785 varkensrechten ingebracht in de maatschap uit 1996 die toen, naar tussen partijen vaststaat, bestond uit [de broers A] en hun ouders. Die maatschap heeft daarmee de economische eigendom van de 2.785 varkensrechten verkregen. Het onrechtmatige besluit is, zoals vaststaat, gericht aan de maatschap uit 1996.

4.7.

Een maatschap is een personenassociatie, dat wil zeggen een verzameling van natuurlijke personen met ieder hun eigen rechten. Een maatschap heeft zelf geen rechtspersoonlijkheid, heeft geen afgescheiden vermogen maar is wel rechtssubject. Doordat [de broers A] , als juridische eigenaars, de economische eigendom van de varkensrechten in de maatschap uit 1996 hebben ingebracht is een gemeenschap ontstaan. [de broers A] en hun ouders zijn ieder voor een vierde onverdeeld aandeel in de economische eigendom van de varkensrechten gerechtigd geworden. Dat betekent dat [de broers A] , voor zover het betreft de onrechtmatige doorhaling van de varkensrechten en de daardoor eventueel ontstane schade, niet langer in persoon een vorderingsrecht op de Staat hebben maar dat dit vorderingsrecht aan de maatschap uit 1996 toekomt. Uit de notariële akte van 20 juli 2006 volgt dat [de broers A] deze consequentie ook zelf hebben beoogd. Artikel 2 van die akte houdt immers in:

“De Maatschap is van heden af bevoegd tot het verrichten van alle feitelijke handelingen en rechtshandelingen met betrekking tot het verkochte als ware hij eigenaar.”

4.8.

Dit brengt mee dat de vordering tot veroordeling van de Staat tot betaling van schadevergoeding aan [de broers A] moet worden afgewezen. De rechtbank zal aldus beslissen.

De vordering van de huidige maatschap

4.9.

Wat betreft de door de huidige maatschap, voorwaardelijk ingestelde, vordering, heeft de Staat betoogd dat alleen de maatschap uit 1996 (de toenmalige maatschap) vorderingsgerechtigd is en betwist dat die maatschap is voortgezet door [de broers A] . Daarmee staat, aldus de Staat, niet vast dat de huidige maatschap dezelfde juridische entiteit is als die waartegen het doorhalingsbesluit is gericht.

4.10.

De rechtbank volgt de Staat niet in zijn betoog. Uit de wet (artikel 7A:1683 e.v. BW) vloeit niet voort dat een maatschap eindigt als een deel van de maten uittreedt. Ook de akte van maatschap bevat niet een dergelijke regeling. Uit de considerans van de akte van maatschap uit 1996 volgt genoegzaam dat [de broers A] hebben beoogd om, samen met hun ouders, het bedrijf uit te oefenen onder de voorwaarde om het bedrijf, ook na het terugtreden van hun ouders, onder aanvaardbare financiële condities te verwerven alsmede dat de rechtsverhouding tussen de vennoten in belangrijke mate wordt beheerst door het streven naar bedrijfscontinuïteit. Verder is in artikel 12 lid 2 van de akte bepaald dat de overeenkomst van maatschap niet eindigt indien de maatschap uit 1996 uit meer dan twee vennoten bestaat en zich één van de in 12 lid 1 vermelde omstandigheden, waaronder het bereiken van de 60-jarige leeftijd van de vader van [A] , voordoet. Niet in geschil is dat [de broers A] de onderneming hebben voortgezet in maatschapsverband. Alleen indien de in 12 lid 1 vermelde omstandigheden zich gelijktijdig ten aanzien van alle vennoten op één na zich voordoen, dan eindigt de maatschap. Niet gebleken is dat een dergelijke situatie zich voordoet. De regeling van artikel 14 waarnaar de Staat verwijst is naar het oordeel van de rechtbank niet van toepassing nu deze regeling ziet op de situatie dat er sprake is van een beëindiging van de maatschap, en daarvan is nu juist geen sprake. Bij deze stand van zaken concludeert de rechtbank dat [de broers A] de maatschap uit 1996 hebben voortgezet, zodat de huidige maatschap in beginsel vorderingsgerechtigd is.

Inhoudelijk

Causaal verband tussen doorhalingsbesluit en gestelde schade?

4.11.

Voor aansprakelijkheid van de Staat tegenover de huidige maatschap is vereist dat vast komt te staan dat sprake is van causaal verband tussen het onrechtmatig handelen van de Staat en de gestelde schade. De rechtbank stelt in dit verband voorop dat het aan eisers is, overeenkomstig de hoofdregel van artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, om voldoende feiten te stellen waaruit kan volgen dat de gestelde schade niet zou zijn geleden zonder het besluit tot doorhaling en, bij voldoende gemotiveerde betwisting door de Staat, die feiten te bewijzen. Vast moet komen te staan, met andere woorden, dat het doorhalingsbesluit een noodzakelijke voorwaarde (de zogenoemde conditio sine qua non) is geweest voor de gestelde schade, oftewel dat zonder het doorhalingsbesluit de locatie [locatie 3] zou zijn gerealiseerd en de huidige maatschap geen schade (met name gederfde winst) zou hebben geleden in [Gemeente] (Noord-Brabant).

4.12.

De rechtbank laat in het midden of de aansprakelijkheid van de Staat tegenover de huidige maatschap afstuit op de omstandigheid dat het recht van gebruik en genot van de varkensrechten is ingebracht in de vof en geen schade is geleden in het vermogen van de huidige maatschap, zoals de Staat heeft aangevoerd.

4.13.

Eisers hebben, zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd ter onderbouwing van hun stelling dat de gestelde schade het gevolg is van de onrechtmatige doorhaling van de varkensrechten:

1. voor de verplaatsing van de bedrijfsactiviteiten die werden uitgevoerd op de [locatie 1] en de [locatie 2] naar de [locatie 3] was een bedrag van 1,8 miljoen euro nodig en de Rabobank was na de intrekking van de varkensrechten niet langer bereid die verplaatsing te financieren; de reden hiervan was dat [de broers A] , zo lang het onrechtmatige besluit in stand bleef, minder solvabel waren. Door de doorhaling hadden [de broers A] een gat in hun begroting van € 600.000, zijnde de waarde van de varkensrechten;

2. het sluiten van een exploitatie-overeenkomst met gemeente en het opstarten van de benodigde, dure, planologische procedures was niet mogelijk, althans dit was voor [de broers A] geen reële optie, zolang niet duidelijk was of de Rabobank de nieuwbouw zou financieren. Deze activiteiten zouden immers nodeloos zijn als het onrechtmatige besluit in stand zou blijven en de Rabobank om die reden geen financiering wilde verstrekken;

3. toen het onrechtmatige besluit was vernietigd, de varkensrechten weer beschikbaar waren en Rabobank wederom tot financiering bereid was, waren het politieke klimaat en de samenstelling van de gemeenteraad en het college van b&w na de gemeenteraadsverkiezingen gewijzigd, waardoor niet is ingestemd met de vereiste bestemmingsplanwijziging;

4. zonder het onrechtmatige besluit zou de Rabobank bereid zijn geweest tot financiering van de verplaatsing van de bedrijven aan de [locatie 1] en de [locatie 2] naar de [locatie 3] . Alsdan zou er geen vertraging zijn opgetreden in het indienen van de aanvragen voor de bestemmingsplanwijziging, de milieuvergunning en de bouwvergunning. In dat geval zouden eisers de aanvragen begin januari 2009 hebben ingediend. Deze aanvragen zouden niet langer dan zes maanden in behandeling zijn geweest, zodat daarop begin juli 2009 (naar de rechtbank begrijpt: in positieve zin) zou zijn beslist;

5. in de gemeenteraad in de oude samenstelling hadden de fracties van de PvdA en het CDA de meerderheid. Deze fracties hebben later, toen de gemeenteraad een nieuwe samenstelling had, voor het ontwerpbestemmingsplan gestemd. Eisers stellen dat kan worden aangenomen dat deze fracties in 2009 ook voor het ontwerp zouden hebben gestemd toen de gemeenteraad nog in de oude samenstelling was.

4.14.

Eisers hebben, aan de hand van voornoemde omstandigheden, een scenario geschetst over het verloop van de bestemmingsplanwijziging in het geval de varkensrechten op 1 augustus 2008 niet onrechtmatig zouden zijn ingetrokken. Eisers hebben aangevoerd dat in dit scenario op 1 juli 2009 alle vereiste vergunningen voor de nieuwbouw aan de [locatie 3] onherroepelijk verleend zouden zijn.

4.15.

De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen en de stukken die [de broers A] in het geding hebben gebracht voldoende aannemelijk maken dat bij de Rabobank bereidheid bestond om financiering te verlenen voor de verplaatsing en de nieuwbouw maar dat deze financiering onzeker geworden was na de intrekking van de varkensrechten. Tegen de achtergrond van deze onzekerheid acht de rechtbank het niet onredelijk dat [de broers A] het verzoek om een bestemmingsplanwijziging en de aanvraag van de vereiste vergunningen hebben opgeschort totdat er onherroepelijk beslist is over de intrekking van de varkensrechten. Verder hebben eisers met de in het geding gebracht verklaringen en stukken voldoende aannemelijk gemaakt dat in de gemeenteraad in de oude samenstelling een meerderheid bestond voor een bestemmingsplanwijziging. De rechtbank neemt de bereidheid van de Rabobank tot financiering en het meerderheidsstandpunt in de gemeenteraad in de oude samenstelling derhalve als vaststaand tot uitgangspunt.

4.16.

Een en ander betekent evenwel niet dat eisers voldoende feitelijk hebben toegelicht hun stelling dat daarmee óók als vaststaand kan worden aangenomen dat de bestemmingsplanwijziging, de bouwvergunning en de milieuvergunning onherroepelijk zouden zijn vastgesteld respectievelijk verleend opdat [de broers A] de nieuwbouw aan de [locatie 3] hebben kunnen realiseren. De rechtbank is van oordeel dat er onvoldoende feitelijke aanknopingspunten zijn gesteld of gebleken waaruit, met een redelijke mate van waarschijnlijkheid, de conclusie kan volgen dat de gestelde schade zonder het doorhalingsbesluit niet zou zijn geleden. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

4.17.

Op 1 oktober 2009 hebben [de broers A] een verzoek wijziging bestemmingsplan ingediend. Tegen het ontwerp bestemmingsplanwijziging zijn 52 zienswijzen ingebracht. [de broers A] hebben ter zitting bevestigd dat hieronder zeker 2 á 3 serieuze bezwaren waren. Voorts kan er gevoeglijk van worden uitgegaan dat de opvattingen in de gemeenteraad in zijn nieuwe samenstelling (sinds maart 2010) een weergave is van meningen die al eerder, in 2009, onder de bevolking van de gemeente leefden. Daarmee is alleszins waarschijnlijk dat ook in 2009 door één of meer belanghebbenden een bestuursrechtelijk procedure tegen de bestemmingsplanwijziging zou hebben gevoerd. Indien de bestemmingsplanwijziging in januari 2009 zou zijn ingediend, zoals eisers hebben aangevoerd, zou dat traject niet al binnen zes maanden / begin juli 2009, maar naar verwachting na het doorlopen van de volledige bestuursrechtelijke procedure zijn afgerond. De rechtbank acht het aannemelijk dat de hele procedure een jaar en vijf maanden in beslag genomen zou hebben. De rechtbank heeft bij het bepalen van deze termijn acht geslagen op de duur van de procedure die daadwerkelijk is gevoerd, nadat de gemeenteraad in de nieuwe samenstelling had besloten om het ontwerp bestemmingsplan [Gemeente] Buitengebied 2010 ten aanzien van de [locatie 3] niet vast te stellen. Tussen het moment van de weigering tot vaststelling (op 23 juni 2010) en het moment waarop de ABRvS op het beroep heeft beslist (op 23 november 2011) zijn een jaar en vijf maanden verstreken. Dit zou betekenen dat bestemmingsplanwijzingsprocedure niet eerder dan juni 2010 zou zijn doorlopen.

4.18.

Bovendien heeft de Staat er onbestreden op gewezen dat in de bewuste periode de ‘Mega stallen-nee-discussie’ en de Q-koorts tot een andere opstelling in de gemeenteraad leidden. Dat volgt ook uit de door eisers in het geding gebrachte verklaring van [D] . Met de Staat acht de rechtbank daarom waarschijnlijk dat de gemeenteraad in de nieuwe samenstelling niet erg zijn best zou hebben gedaan om het bestemmingsplan van de oude raad te verdedigen. Daarbij moet zelfs rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat de nieuwe raad dit bestemmingsplan zou hebben ingetrokken.

4.19.

Verder hebben eisers ervoor gekozen geen aanvraag ten behoeve van de bouwvergunning in te dienen, omdat zij wilden afwachten tot het bestemmingplan zou zijn gewijzigd. Omdat voor de aanvraag van een dergelijke vergunning termijnen gelden, en voor belanghebbenden een bestuursrechtelijke rechtsgang openstaat tegen een verleende vergunning, kan er in redelijkheid niet van worden uitgegaan dat [de broers A] op 1 juli 2009 de beschikking zouden hebben gehad over een onherroepelijke bouwvergunning.

4.20.

Uit de door eisers overgelegde, door de gemeente gemaakte, Power Point presentatie blijkt tot slot dat de gemeente had besloten pas een milieuvergunning pas af te geven zodra het ruimtelijke aspect (het bestemmingsplan) was geregeld. Ook de milieuvergunning zou dus niet in juli 2009 onherroepelijk zijn geworden.

4.21.

Uit voorgaande overwegingen volgt - samengevat - dat ook in het door eisers geschetste scenario de bestemmingsplanwijzingsprocedure naar verwachting niet eerder dan medio 2010 zou zijn afgerond en dat de gemeenteraad in de nieuwe samenstelling lopende deze procedure de bestemmingsplanwijziging mogelijk zou hebben ingetrokken. Verder is het geenszins aannemelijk geworden dat de bezwaren van belanghebbenden niet tot een vernietiging van de bestemmingsplanwijziging zouden hebben geleid. Dit betekent dat, ook in het geval de Staat de varkensrechten niet had doorgehaald en [de broers A] in januari 2009 om een bestemmingsplanwijziging hadden verzocht, het zeer onzeker is dat de noodzakelijke bestemmingsplanwijziging ongewijzigd zou zijn doorgevoerd en [de broers A] de vereiste vergunningen voor de bouw van de stallen aan de [locatie 3] hadden verkregen. Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat ook in het geval er geen doorhaling van de varkensrechten zou hebben plaatsgevonden en [de broers A] hun verzoek om een wijziging van het bestemmingsplan in januari 2009 zouden hebben ingediend het nog steeds zeer onzeker zou zijn geweest dat een voor hen gunstige bestemmingsplanwijziging zou zijn doorgevoerd en dat de benodigde vergunningen zouden zijn verleend. Daarmee ontbreekt het vereiste conditio sine qua non-verband voor aansprakelijkheid van de Staat tegenover de huidige maatschap en moet haar vordering op die grond worden afgewezen.


Overige geschilpunten

4.22.

De overige geschilpunten ten aanzien van de verloren kans, de voorzienbaarheid, de eigen schuld en de vraag of er sprake is van een schending van artikel 1 EP kunnen vanwege het ontbreken van een causaal verband tussen de schade en het onrechtmatig handelen van de Staat kunnen gelet op het vorenstaande verder onbesproken blijven.

Proceskosten

4.23.

Eisers zullen als de in het ongelijk gestelde partij desgevorderd hoofdelijk worden veroordeeld in de proceskosten. De kosten aan de zijde van de Staat worden tot op heden begroot op € 11.606,-- (€ 3.894,-- aan griffierecht en € 7.712,-- aan salaris advocaat (2 punten x tarief VIII à € 3.856,--)) en begroot op € 131,-- aan nog te maken nakosten, te vermeerderen met € 68,-- in geval van betekening De kostenveroordeling zal, op vordering van de Staat, worden vermeerderd met de wettelijke rente op de wijze zoals hierna vermeld.

5 De beslissing

De rechtbank:

5.1.

wijst de vorderingen van eisers af;

5.2.

veroordeelt eisers hoofdelijk in de proceskosten, aan de zijde van de Staat tot op heden begroot op € 11.606,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na de betekening van dit vonnis, en begroot op € 131,-- aan nog te maken nakosten, te vermeerderen met € 68,-- in geval van betekening;

5.3.

verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mrs. M.C. Ritsema van Eck-van Drempt, M.J. Alt-van Endt en R.C. Hartendorp, en in het openbaar uitgesproken op 25 juli 2018.1

1 type: 1308