Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:10009

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
13-04-2018
Datum publicatie
21-08-2018
Zaaknummer
NL18.5385
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Thaise asielzoeker wiens politieke overtuiging (mede) kritiek op het Thaise koningshuis inhoudt; vrijheid om politieke overtuiging te uiten brengt het risico mee dat hij zal worden beschuldigd van majesteitsschennis. Verweerder heeft bij de beoordeling van de zwaarwegendheid van de geloofwaardig geachte politieke overtuiging ten onrechte geen landeninformatie betrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2018/132
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam

Team Bestuursrecht 2

zaaknummer: NL18.5385

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 april 2018 in de zaak tussen

[eiseres]

gemachtigde: mr. N.C. Blomjous,

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

gemachtigde: mr. Ch.R. Vink.

Procesverloop

Bij besluit van 15 maart 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag) afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vreemdelingenwet 2000 en tegen haar een inreisverbod voor de duur van twee jaren uitgevaardigd.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 april 2018. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. [tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres is geboren op [datum] en heeft de Thaise nationaliteit. Op 18 februari 2016 heeft zij de asielaanvraag ingediend. Daaraan heeft zij ten grondslag gelegd dat zij door haar politieke activiteiten in Nederland in de negatieve belangstelling van de Thaise autoriteiten is komen te staan. In Thailand was zij lid van de Thai Rak Thai Party, die nu de Pheu Thai Party wordt genoemd. Toen het in Thailand verkiezingstijd was, heeft eiseres landgenoten opgeroepen om te gaan stemmen. Verder heeft zij verklaard dat zij in Nederland een krant heeft uitgegeven, online en op papier, [naam krant] genaamd, met het doel de Thaise gemeenschap in Nederland te informeren over de situatie in Nederland en Thailand. Zij stelt in Nederland leider van de zogenaamde Roodhemden te zijn en het voortouw te nemen in het uiten van kritiek op het Thaise koningshuis en het Thaise regime. Eiseres schrijft artikelen, gedichten, neemt deel aan demonstraties en beheert een Facebookpagina. De Thaise autoriteiten zouden al sinds 19 september 2006 naar haar op zoek zijn. Haar ouders zouden door militairen onder druk worden gezet.

2. Verweerder heeft in het asielrelaas van eiseres de volgende relevante elementen onderscheiden:

a.identiteit, nationaliteit en herkomst;

b.politieke activiteiten, door eiseres als privépersoon verricht;

c.de rol en invloed van eiseres als politiek activist;

d.problemen naar aanleiding van de politieke activiteiten van eiseres.

Het onder a bedoelde element acht verweerder geloofwaardig. Het onder b bedoelde element acht verweerder ook geloofwaardig. Onder de politieke activiteiten die eiseres als privépersoon heeft verricht en die door verweerder geloofwaardig zijn geacht, begrijpt verweerder het volgende: (i) het aanzetten van landgenoten om te gaan stemmen, mondeling dan wel door middel van briefjes op haar (rode) fiets; (ii) het beheren van een Facebookpagina [facebook] ), waarop eiseres nieuwsberichten en foto’s deelt van de Nederlandse en Thaise politiek en het koningshuis en (iii) het deelnemen aan diverse demonstraties.

De overige elementen acht verweerder niet geloofwaardig.

3. Eiseres betoogt onder meer dat verweerder onvolledig en onzorgvuldig heeft onderzocht hoe zwaarwegend de door hem geloofwaardig geachte politieke activiteiten zijn die zij als privépersoon verricht, door daarbij ten onrechte geen landeninformatie te betrekken en eiseres vervolgens ten onrechte tegen te werpen dat van haar terughoudendheid mag worden verlangd in het uiten van haar politieke overtuiging.

3.1.

Niet in geschil is dat eiseres er een overtuiging op nahoudt die kritisch is over de Thaise overheid. Eiseres vindt dat Thailand niet democratisch wordt bestuurd en dat het Thaise koningshuis niet goed is voor het volk. Ter zitting heeft zij als voorbeeld genoemd dat de koning van Thailand meerdere paleizen heeft, terwijl een deel van de Thaise bevolking in armoede leeft. Daarmee is zij het niet eens. Vanwege de strenge wetgeving in Thailand is het haar echter niet toegestaan opvattingen als deze te ventileren, omdat zij daardoor het risico loopt dat zij van majesteitsschennis wordt beschuldigd en strafrechtelijk zal worden vervolgd. Eiseres heeft het door haar gestelde risico met stukken onderbouwd, waaronder het rapport ‘Country Report on Human Rights Practices 2016 – Thailand’ van 3 maart 2017 van het US Department of State.

3.2.

Verweerder heeft ter zitting het standpunt ingenomen dat eiseres weliswaar vrij is in het uiten van haar politieke overtuiging en dat daarin van haar geen terughoudendheid mag worden verlangd, maar dat wel van haar mag worden verwacht dat zij zich onthoudt van majesteitsschennis, dat immers ook in Nederland strafbaar is gesteld.

3.3.

De rechtbank stelt vast dat verweerder eiseres niet (langer) tegenwerpt dat van haar terughoudendheid mag worden verwacht bij het uiten van haar politieke overtuiging. Eiseres wijst er terecht op dat verweerder bij de beoordeling van het risico dat eiseres stelt te lopen wanneer zij als privépersoon aan haar politieke overtuiging uiting geeft (zonder dat zij daarin terughoudend is) niet op kenbare wijze landeninformatie heeft betrokken. Eiseres vindt dat dit wel had moeten gebeuren. De rechtbank volgt eiseres hierin: verweerder is hiertoe gehouden op grond van artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en Werkinstructie 2014/10 (WI 2014/10). Daaruit volgt immers dat beoordeling plaatsvindt op grond van informatie uit andere objectieve bronnen als geen algemeen ambtsbericht beschikbaar is (zoals voor Thailand geldt). Hierbij moet volgens deze werkinstructie met name worden gedacht aan ambtsberichten van andere landen en rapporten van internationale organisaties en NGO’s (paragraaf 3.2.1.2 van WI 2014/10).

Het rapport van het US Department of State is een ambtsbericht van het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken en is als zodanig een ‘andere objectieve bron’ als bedoeld in WI 2014/10. Volgens deze bron gebruiken de Thaise autoriteiten de strafbaarstelling van majesteitsschennis (dat in Thailand met een gevangenisstraf van maximaal 15 jaar wordt bedreigd) in toenemende mate als aanleiding om iedereen te vervolgen die zich, op wat voor manier ook, kritisch uitlaat over het Thaise koningshuis of leden van de koninklijke familie (“The government increasingly used this law to prosecute anyone critical of the monarchy or members of the royal family in any way,” pagina 18). Het rapport geeft hiervan concrete voorbeelden, zoals dat van een Thaise student die op Facebook een link had gedeeld van een BBC-profiel van de Thaise koning en naar aanleiding daarvan werd vervolgd. De informatie die eiseres tijdens de bestuurlijke fase en in beroep heeft aangevoerd, waaronder een bericht van Amnesty International, stemt met deze landeninformatie overeen. De rechtbank stelt vast dat dit rapport openbaar is en tijdens de bestuurlijke fase beschikbaar was, gelet op de datum van het rapport.

Verweerder acht geloofwaardig dat eiseres een Facebookpagina beheert waarop zij nieuwsberichten en beeldmateriaal deelt van, onder meer, het Thaise koningshuis. Verweerder acht ook geloofwaardig dat eiseres als privépersoon een politieke overtuiging uitdraagt waarvan kritiek op het Thaise koningshuis onderdeel is. Omdat eiseres haar gestelde vrees dat zij in Thailand zal worden vervolgd wanneer zij voor haar politieke overtuiging uitkomt heeft onderbouwd en verweerder die onderbouwde stelling in strijd met WI 2014/10 niet op grond van landeninformatie heeft beoordeeld, heeft verweerder het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid en is hij daarin niet deugdelijk gemotiveerd ingegaan op de gestelde vrees van eiseres door enkel te stellen dat majesteitsschennis zowel in Nederland als in Thailand strafbaar is, dat daarom van haar mag worden verwacht dat zij zich daarvan onthoudt en dat haar rol en invloed als politiek activist niet geloofwaardig zijn. Verweerder gaat hiermee immers voorbij aan de wijze waarop de Thaise autoriteiten volgens de hiervoor vermelde landeninformatie de strafbaarstelling van majesteitsschennis in de praktijk toepassen.

3.4.

Door de vrijheid van eiseres om haar politieke overtuiging te uiten op te vatten als de vrijheid om zich schuldig te maken aan majesteitsschennis en vervolgens in het bestreden besluit te overwegen “dat in het voornemen van 26 november 2017 op goede gronden is gemotiveerd dat van betrokkene wel degelijk terughoudendheid mag worden verlangd aangaande haar wens om alles maar te kunnen zeggen wat zij wil over de koning van Thailand en het Thaise koningshuis,” gaat verweerder eraan voorbij dat ‘politieke overtuiging’ een vervolgingsgrond is in de zin van het Vluchtelingenverdrag en daarom niet op één lijn kan worden gesteld met majesteitsschennis. Eiseres heeft niet de wens geuit om de koning van Thailand te beledigen, maar wil wel haar politieke overtuiging over het Thaise koningshuis kunnen uitdragen. Verweerder heeft overigens ook niet onderbouwd dat de opvatting die eiseres uitdraagt in Nederland wordt opgevat als majesteitsschennis en niet als een politieke overtuiging in de zin van het Vluchtelingenverdrag.

Bij de beoordeling van de gronden van vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag dient verweerder rekening te houden met het begrip politieke overtuiging, dat volgens artikel 3.37, eerste lid, aanhef en onder e, van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (VV) met name inhoudt “(…) dat de vreemdeling een opvatting, gedachte of mening heeft over een aangelegenheid die verband houdt met de in artikel 3.37a genoemde potentiële actoren en hun beleid of methoden, ongeacht of de vreemdeling zich in zijn handelen door deze opvatting, gedachte of mening heeft laten leiden.” In artikel 3.37a, aanhef en onder a, van het VV wordt de staat als actor genoemd. Eiseres heeft ter zitting gewezen op de artikelen uit de Definitierichtlijn die aan deze bepalingen ten grondslag liggen.

3.5.

De beroepsgrond slaagt.

4. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. De rechtbank ziet geen mogelijkheid het geschil tussen partijen definitief te beslechten. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. Dit betekent dat verweerder de zwaarwegendheid van de geloofwaardig geachte elementen uit het asielrelaas van eiseres nader moet onderzoeken. Aan de hand daarvan dient verweerder hetzij de aanvraag alsnog in te willigen, hetzij de afwijzing daarvan deugdelijk te motiveren. Als verweerder dit laatste mogelijk en wenselijk acht, ligt het voorts in de rede dat hij ingaat op de beroepsgronden tegen de ongeloofwaardig geachte elementen uit het asielrelaas. Deze beroepsgronden behoeven thans geen bespreking.

5. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Het bedrag van deze kosten stelt de rechtbank vast op € 1.002,- voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 501,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

-

verklaart het beroep gegrond;

-

vernietigt het bestreden besluit;

-

draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

-

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.002,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Velzen, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Gerde, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 april 2018.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.