Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:9970

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-08-2017
Datum publicatie
01-09-2017
Zaaknummer
09/817874-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Winkeldiefstal, ISD-maatregel voor vreemdeling zonder ongewenstverklaring, tussentijdse toetsing van de ISD-maatregel, art. 38m, 38n, 38s en 310 Sr.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/817874-17

Datum uitspraak: 17 augustus 2017

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

thans gedetineerd in het [adres]

.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 3 augustus 2017.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. F. Bahadin en van hetgeen door de raadsvrouw van verdachte mr. B. Kuppens, advocaat te Den Haag, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 03 mei 2017 te 's-Gravenhage met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen twee dozen parfum, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Douglas, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte.

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding

De verdachte wordt verweten dat hij zich op 3 mei 2017 schuldig heeft gemaakt aan een winkeldiefstal. Daarbij zou verdachte in een winkel van Douglas twee dozen met parfum hebben gestolen.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich voor wat betreft de vraag of het tenlastegelegde bewezen kan worden verklaard gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging1

Op 3 mei 2017 heeft bij Parfumerie Douglas, gevestigd op het adres Frederik Hendriklaan 176 te ’s-Gravenhage, een winkeldiefstal plaatsgevonden. Blijkens de aangifte zijn daarbij twee dozen met parfum van het merk Versace Eros pour Femme weggenomen.2

Kort na de winkeldiefstal is verdachte aangehouden ter zake van deze winkeldiefstal. Onder een door de verdachte kort voor zijn aanhouding op de grond gegooide trui werd een groene rugzak aangetroffen met daarin twee dozen parfum van het merk Versace type Eros pour Femme.3

Verdachte heeft erkend de dozen parfum te hebben gestolen.4

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat verdachte de aan hem tenlastegelegde winkeldiefstal heeft gepleegd.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten aanzien van verdachte bewezen dat:

hij op 3 mei 2017 te 's-Gravenhage met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen twee dozen parfum toebehorende aan Douglas.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

diefstal.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De oplegging van de maatregel

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte zal worden opgelegd de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) voor de duur van twee jaren, gelet op het strafblad van verdachte, de negatieve houding van verdachte ten opzichte van hulpverlening en het belang van de samenleving.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit om geen ISD-maatregel aan verdachte op te leggen, maar een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van het voorarrest. Voor het geval de rechtbank toch zou besluiten tot oplegging van de ISD-maatregel, verzoekt de raadsvrouw aftrek van voorarrest te gelasten en de duur van de maatregel te beperken tot één jaar.

Daartoe heeft de raadsvrouw aangevoerd dat, anders dan de reclassering stelt, er wel degelijk mogelijkheden voor behandeling en interventies zijn, zodat de ISD-maatregel thans nog niet geëigend is. Voorts heeft zij erop gewezen dat er door de reclassering geen risicotaxatie is uitgevoerd en er op dit moment geen concreet zicht is op de problematiek die ten grondslag ligt aan het delictpatroon van verdachte, als gevolg waarvan het onduidelijk is hoe de maatregel zal worden ingevuld. De kans op een ‘kale ISD’ is reëel, temeer verdachte meerdere malen duidelijk heeft gemaakt dat hij geen hulpverlening wil en hij geen Nederlands spreekt. Ten slotte heeft de raadsvrouw betoogd dat het opleggen van de ISD-maatregel in deze zaak disproportioneel zou zijn gelet op de relatief geringe ernst van het tenlastegelegde feit.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden maatregel is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een winkeldiefstal. Dat is een vervelend feit en levert voor winkeliers overlast op. Door het plegen van een dergelijk feit heeft verdachte er blijk van gegeven geen respect te hebben voor het eigendomsrecht van een ander. De samenleving ondervindt schade van winkeldiefstallen onder meer doordat de kosten die gemoeid zijn met het nemen van veiligheidsmaatregelen tegen diefstallen uiteindelijk door consumenten betaald worden.

Uit het de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 4 mei 2017 blijkt dat verdachte vanaf begin 2015 in een periode van ruim twee jaar 15 keer wegens diefstallen is veroordeeld tot onvoorwaardelijke gevangenisstraffen. Ook in Polen is verdachte eerder wegens onder meer diefstal dan wel poging daartoe meermalen veroordeeld tot werkstraffen dan wel (voorwaardelijke) gevangenisstraf(fen). Deze straffen hebben verdachte er niet van weerhouden opnieuw een strafbaar feit te plegen.

De rechtbank stelt op grond van het strafblad van verdachte vast dat hij in de vijf jaren voorafgaand aan het nu door hem begane misdrijf ten minste drie keer wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf. Deze veroordelingen betreffen onder meer de volgende:

- een veroordeling van de politierechter te Den Haag van 10 mei 2016 wegens diefstal tot zes weken gevangenisstraf;

- een veroordeling van de politierechter te Arnhem van 30 maart 2016 wegens diefstal tot vier weken gevangenisstraf; en

- een veroordeling van de politierechter te Den Haag van 13 januari 2016 wegens meerdere diefstallen tot (eveneens) zes weken gevangenisstraf.

Deze straffen zijn ten uitvoer gelegd voorafgaand aan het plegen van het in deze zaak ten laste gelegde strafbare feit.

De rechtbank heeft verder acht geslagen op het met redenen omklede reclasseringsadvies van 15 juni 2017 opgemaakt en ondertekend door M.C. Telleman, reclasseringswerker bij Jeugdbescherming & Reclassering Leger des Heils, waarin de reclassering zich onthoudt van een advies omtrent de oplegging van de ISD-maatregel aan verdachte. Ter terechtzitting heeft M.C. Telleman, gehoord als deskundige, het reclasseringsadvies nader toegelicht. Uit die nadere toelichting leidt de rechtbank af dat de reclassering zich van advies onthoudt omdat de reclassering van mening is dat de ISD-maatregel alleen dan zinvol is indien deze ofwel wordt opgelegd aan een stelselmatige dader die perspectief heeft op een toekomst in Nederland en in dat kader kan worden geresocialiseerd, ofwel wordt opgelegd aan een vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland en gelet daarop binnen de ISD-maatregel kan worden toegeleid naar een vertrek uit Nederland. Verdachte valt naar het oordeel van de reclassering in geen van beide categorieën.

Uit genoemd reclasseringsadvies blijkt dat de reclassering de kans op recidive hoog inschat gelet op het strafblad van verdachte en gelet op de omstandigheid dat verdachte op allerlei leefgebieden problemen heeft. Verdachte is dakloos, werkloos, heeft geen inkomen en komt gelet op zijn status als EU-vreemdeling in Nederland niet in aanmerking voor sociale voorzieningen, zoals een uitkering of een sociale huurwoning. Voorts is er mogelijk sprake van verslavingsproblematiek. De ontvankelijkheid van verdachte voor begeleiding of behandeling is laag.

De rechtbank stelt vast dat verdachte voldoet aan de definitie van stelselmatige dader, zoals bedoeld in de Richtlijn voor strafvordering bij meerderjarige veelplegers, en dat aan alle voorwaarden is voldaan die artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht aan het opleggen van een ISD-maatregel stelt. Immers, verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, terwijl verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan de door hem begane misdrijven ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel is veroordeeld en de feiten zijn begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen. Verder dient er ernstig rekening mee te worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan. De veiligheid van goederen eist het opleggen van de maatregel.

De rechtbank is tot slot niet gebleken van redenen om deze maatregel niet op te leggen. De vele tot nu toe aan verdachte opgelegde straffen hebben er niet toe geleid dat verdachte zijn gedrag heeft veranderd. Gelet op de door verdachte steeds weer veroorzaakte overlast en schade en omdat er geen andere reële mogelijkheden zijn om te komen tot gedragsverandering bij verdachte, dient naar het oordeel van de rechtbank het belang van de samenleving thans voorop te staan en eist de veiligheid van goederen de oplegging van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders. De rechtbank acht de oplegging van de maatregel – anders dan de verdediging – niet disproportioneel. De plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders betreft immers een maatregel die in het teken staat van beveiliging en (indien mogelijk) behandeling en niet - zoals bij de oplegging van een straf - in het teken van leedtoevoeging. Dat verdachte de Poolse nationaliteit heeft, hier geen vaste woon- of verblijfplaats heeft, de Nederlandse taal niet beheerst en daarnaast thans geen hulpverlening wil, doet aan het vorenstaande niet af.

Om de beëindiging van de recidive van verdachte en het leveren van een bijdrage aan de behandeling van zijn problematiek alle kansen te geven en voorts ter optimale bescherming van de maatschappij, is het van groot belang dat voldoende tijd wordt genomen om de ISD-maatregel ten uitvoer te leggen. Daarom zal de rechtbank de maatregel voor de maximale termijn van 2 jaren opleggen en de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht niet in mindering brengen op de duur van de maatregel.

De rechtbank is voorts van oordeel dat de noodzaak van voortzetting van de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel (ongeveer) twaalf maanden na aanvang van de tenuitvoerlegging van de maatregel dient te worden beoordeeld, gelet op onder meer het ontbreken van een concreet plan van aanpak in het reclasseringsadvies.

7 De inbeslaggenomen goederen

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat het op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen (beslaglijst, die als bijlage A aan dit vonnis is gehecht) onder 1 genummerde voorwerp (1 fles parfum) zal worden teruggegeven aan de Douglas, het onder 2 genummerde voorwerp (1 pot Nivea crème) zal worden teruggegeven aan verdachte en dat het onder 3 genummerde voorwerp (een schooltas) zal worden verbeurdverklaard.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht de parfum, de crème en de rugtas, conform de wens van de verdachte, aan hem terug te geven.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Nu het belang van strafvordering zich daartegen niet meer verzet, zal de rechtbank ten aanzien van het op de beslaglijst onder 1 genummerde voorwerp (de parfum) de teruggave gelasten aan Parfumerie Douglas, gevestigd op het adres Frederik Hendriklaan 176 te ’s-Gravenhage, als degene die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.

Nu het belang van strafvordering zich daartegen niet verzet, zal de rechtbank ten aanzien van het op de beslaglijst onder 2 genummerde voorwerp (de crème) de teruggave gelasten aan verdachte, als degene die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.

De rechtbank zal het op de beslaglijst onder 3 genummerde voorwerp (de groene schooltas), verbeurdverklaren. Dit voorwerp is voor verbeurdverklaring vatbaar, aangezien dit voorwerp aan de verdachte toebehoort en dit voorwerp is bestemd tot het begaan van het bewezenverklaarde misdrijf.

Bij de vaststelling van deze bijkomende straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

8 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen (bijkomende) straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:

24, 33, 33a, 38m, 38n, 38s en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het bij dagvaarding tenlastegelegde feit heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

diefstal;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

legt aan verdachte op:

de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 (twee jaren);

gelast dat de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel (ongeveer) twaalf maanden na aanvang van de tenuitvoerlegging van de maatregel dient te worden beoordeeld;

bepaalt dat het openbaar ministerie de rechtbank uiterlijk veertien (14) dagen vóór de tussentijdse beoordeling daarover zal berichten, als bedoeld in artikel 38s, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht;

de inbeslaggenomen goederen;

gelast de teruggave aan Douglas van het op de beslaglijst onder 1 genummerde voorwerp, te weten: 1.0 STK Cosmetica VERSACE EROS (1);

gelast de teruggave aan verdachte van het op de beslaglijst onder 2 genummerde voorwerp, te weten: 1.0 STK Cosmetica NIVEA MEN (2);

verklaart verbeurd het op de beslaglijst onder 3 genummerde voorwerp, te weten:

1.00

STK Tas Kl: groen SCHOOLTAS (3).

Dit vonnis is gewezen door

mr. B.P. de Boer, voorzitter,

mr. E.C.M. Bouman, rechter,

mr. E.M.M. Smilde-Schölvinck, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. J.M.Th. Boeter, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 17 augustus 2017.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2017120709, van de politie eenheid Den Haag (district Den Haag-West, basisteam Scheveningen), met bijlagen (doorgenummerd blz. 1 t/m 82).

2 Proces-verbaal van aangifte, p. 37.

3 Proces-verbaal van aanhouding, p. 27.

4 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 81.