Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:9940

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23-08-2017
Datum publicatie
05-10-2017
Zaaknummer
AWB - 17 _ 3597
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Mondelinge uitspraak
Proces-verbaal
Inhoudsindicatie

mondeling uitspraak, zelf voorzien, verlaging boete, geen schending inlichtingenverplichting, normale verwijtbaarheid, geen matiging

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 17/3597

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 augustus 2017 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. J.S. Vlieger),

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder

(gemachtigde: mr. W. Punter)

Procesverloop

Bij besluit van 6 december 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser een boete opgelegd.

Bij besluit van 10 april 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 augustus 2017.

Eiser is, zonder bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij over de hoogte van de boete is beslist;

  • -

    herroept het primaire besluit en legt een boete op van € 935,48 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit voor zover dat is vernietigd;

  • -

    bepaalt dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht van € 46,- vergoedt;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.485,-.

Overwegingen

1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.

2. Bij besluit van 22 januari 2016 heeft verweerder, naar aanleiding van informatie van de Belastingdienst, de bijstandsuitkering van eiser herzien en het te veel betaalde teruggevorderd. Volgens verweerder heeft eiser zijn inlichtingenverplichting geschonden omdat hij geen dan wel onvoldoende inlichtingen heeft verstrekt over zijn werkzaamheden bij [bedrijf A], [B.V. X] en [B.V. Y] Bij het primaire besluit heeft verweerder aan eiser, uitgaande van normale verwijtbaarheid, een boete opgelegd van € 1408,- op basis van 50% van het benadelingsbedrag. Bij het bestreden besluit heeft verweerder dit primaire besluit gehandhaafd.

3. Eiser heeft – samengevat - primair aangevoerd dat verweerder ten onrechte aan hem een boete heeft opgelegd en subsidiair dat verweerder de boete op een te hoog bedrag heeft vastgesteld. Volgens eiser is er namelijk sprake van een verminderde verwijtbaarheid en is er geen rekening gehouden met zijn draagkracht.

4.1

In zijn verweerschrift heeft verweerder aangegeven dat, bij nader inzien, eiser zijn inlichtingenverplichting over zijn werkzaamheden bij [B.V. Y] niet heeft geschonden. Uit verweerders documentatie blijkt namelijk dat eiser deze werkzaamheden wel heeft gemeld. De boete dient daarom te worden verlaagd naar € 1.029,81.

4.2

Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat, eveneens bij nader inzien, eiser ook zijn inlichtingenverplichting over zijn werkzaamheden bij [B.V. X] niet heeft geschonden. Uit verweerders documentatie blijkt dat eiser deze werkzaamheden heeft gemeld in een terugbelverzoek, waar ten onrechte niets mee is gebeurd.. De boete dient daarom verder verlaagd te worden naar € 935,48.

4.3

Voor zover verweerder hiermee betoogt dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven omdat dit besluit op de onder 4.1 en 4.2 genoemde punten in strijd is met de zorgvuldigheid, volgt de rechtbank verweerder.

5. De rechtbank stelt vast dat de inhoudelijke beoordeling zich daarmee beperkt tot de vraag of een boete mocht worden opgelegd aan eiser voor schending van zijn inlichtingenverplichting ten aanzien van zijn werkzaamheden bij [bedrijf A] en zo ja, wat de hoogte van deze boete moet zijn, gelet op de verwijtbaarheid van zijn gedragingen en zijn draagkracht.

6. Niet is gebleken dat eiser verweerder heeft ingelicht over zijn werkzaamheden bij [bedrijf A]. Dit betekent dat eiser zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden. Verweerder was dan ook, gelet ophet bepaalde in artikel 18a van de Participatiewet (Pw), verplicht om een bestuurlijke boete op te leggen.

7.1

De rechtbank overweegt dat een boete kan worden gematigd, indien er sprake is van verminderde verwijtbaarheid. In artikel 2a van het Boetebesluit socialezekerheids-wetten, zoals dat thans luidt, worden enkele criteria opgesomd die in ieder geval tot verminderde verwijtbaarheid kunnen leiden. Van geen van deze criteria is in het geval van eiser gebleken. Zo is niet gebleken dat eiser onvoldoende inlichtingen heeft verstrekt maar uit eigen beweging alsnog de juiste inlichtingen heeft verstrekt of dat de overtreding van de inlichtingenverplichting mede te wijten is aan het bestuursorgaan. Van andere omstandigheden die tot verminderde verwijtbaarheid kunnen leiden is evenmin gebleken. Nu er geen sprake is van verminderde verwijtbaarheid, is er geen aanleiding om de boete op die grond te matigen.

7.2

Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank redelijkerwijs op het standpunt kunnen stellen dat sprake is van een normale verwijtbaarheid en dat de boete daarom moet worden vastgesteld op 50% van het benadelingsbedrag.

8. Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat bij het bepalen van de hoogte van de boete rekening is gehouden met de draagkracht van eiser door te kijken naar zijn financiële situatie op het moment dat hij begon met afbetalen. Met eiser is een afbetalingsregeling overeengekomen. Hij heeft aan deze regeling voldaan, zodat de initiële boete van € 1.408,- inmiddels is betaald. Daaruit mag volgens verweerder worden afgeleid dat eiser voldoende draagkrachtig was om een boete van € 935,48 te kunnen betalen. De rechtbank ziet geen reden om te twijfelen aan dit standpunt van verweerder.

9. Gelet op overweging 4.3 vernietigt de rechtbank het bestreden besluit. De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:72a van de Algemene wet bestuursrecht zelf in de zaak voorzien. Zij stelt het bedrag van de boete vast op € 935,48, herroept het primaire besluit en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt zij dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

10. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt zij op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.485,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1).

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.M. Vingerling, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Bach, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 augustus 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.