Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:9934

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
27-07-2017
Datum publicatie
04-09-2017
Zaaknummer
C/09/532575 / KG ZA 17/619
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Vordering strekkende tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de opgelegde geldboete afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/532575 / KG ZA 17/619

Vonnis in kort geding van 27 juli 2017

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. M.J.N. Vermeij te Eindhoven,

tegen:

de publiekrechtelijke rechtspersoon

de Staat der Nederlanden, (Ministerie van Veiligheid en Justitie, Centraal Justitieel Incassobureau),

zetelend te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. A.Th.M. ten Broeke te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiser] ’ en ‘de Staat’.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 23 mei 2017;

- de door [eiser] overgelegde producties 1 tot en met 21;

- de door de Staat overgelegde producties 1 tot en met 8;

- de op 13 juli 2017 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door beide partijen pleitnotities zijn overgelegd.

1.2.

Ter zitting is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

Bij arrest van 18 februari 2014 is [eiser] door het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch (hierna ‘het Hof’) wegens valsheid in geschrift en niet-ambtelijke omkoping veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, tot betaling van een geldboete van € 250.000,--, bij gebreke van betaling te vervangen door 365 dagen hechtenis, en tot een taakstraf voor de duur van 200 uur.

2.2.

[eiser] heeft tegen het arrest van het Hof beroep in cassatie ingesteld. [eiser] heeft op 8 augustus 2014 een cassatieschriftuur ingediend en op 31 maart 2015 heeft de Advocaat-Generaal het standpunt ingenomen dat [eiser] op de voet van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie (RO) niet-ontvankelijk is in zijn cassatieberoep. Op 14 april 2015 heeft [eiser] op grond van artikel 439 lid 5 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) zijn schriftelijke commentaar hierop gegeven. Daarin heeft hij een verzoek gedaan tot ambsthalve beslissing omtrent de verjaring van feit 3 (niet-ambtelijke omkoping). Bij arrest van 12 mei 2015 heeft de Hoge Raad [eiser] niet-ontvankelijk verklaard in zijn cassatieberoep.

2.3.

Op 5 juni 2015 is aan [eiser] een kennisgeving van de voorwaardelijke veroordeling gedaan en op 12 juni 2015 is hij door het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) aangeschreven voor de voldoening van de geldboete, uiterlijk op 12 juli 2015.

2.4.

In augustus 2015 heeft [eiser] een gratieverzoek ingediend met betrekking tot de door het Hof opgelegde geldboete. Dit verzoek is op 1 december 2015 afgewezen.

2.5.

Op 7 april 2017 heeft [eiser] een verzoek tot herziening gedaan, waarin hij (samengevat) stelt dat ten aanzien van feit 3, de niet-ambtelijke omkoping, sprake is van verjaring.

2.6.

[eiser] heeft de aan hem opgelegde taakstraf inmiddels verricht.

2.7.

[eiser] is bij de belastingrechter opgekomen tegen aan hem opgelegde (navorderings)aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen met betrekking tot de jaren 2000 tot en met 2002. Het Hof heeft de bedoelde aanslagen over die jaren bij arresten van 25 april 2013 vernietigd, dan wel verminderd. De daartegen door de inspecteur van de Belastingdienst, hierna ‘de Inspecteur’, ingestelde cassatieberoepen zijn bij arresten van 12 september 2014 ongegrond verklaard.

2.8.

In verband met de uitkomst in de in 2.7. bedoelde fiscale procedure heeft [eiser] bij brieven van 20 september 2014 en 20 januari 2015 bij de Belastingdienst een verzoek om schadevergoeding ingediend. Dit verzoek is op 9 maart 2015 door de Belastingdienst afgewezen. Het daartegen ingediende bezwaar van [eiser] is op 28 april 2015 door de staatssecretaris van Financiën (kennelijk) niet-ontvankelijk verklaard.

2.9.

[eiser] heeft voorts bezwaar gemaakt tegen de aan hem opgelegde belastingaanslagen over de jaren 2003 en volgende. Bij brief van 4 april 2016 heeft de Inspecteur aan [eiser] een voorstel tot afwikkeling gedaan met betrekking tot de jaren 2003 tot en met 2015, in die zin dat [eiser] een bedrag van € 531.120,-- zou moeten betalen.

2.10.

In het kader van de tenuitvoerlegging van de aan [eiser] opgelegde geldboete heeft [eiser] bij brief van 9 juni 2016 om uitstel van betaling gevraagd, zodat hij onderhandelingen kon voeren met de Belastingdienst. Dit uitstel is verleend tot 1 oktober 2016.

2.11.

Op 10 oktober 2016 heeft het CJIB [eiser] een aanmaning gestuurd in verband met de openstaande geldboete, die inmiddels na verhogingen € 298.338,-- bedraagt. Deze boete diende uiterlijk 9 november 2016 te zijn voldaan.

2.12.

Een door [eiser] bij e-mailbericht van 21 oktober 2016 gedaan verzoek om schorsing van de tenuitvoerlegging van de geldboete is op 4 november 2016 door de Advocaat-Generaal afgewezen, omdat (samengevat) al eerder uitstel was verleend en onvoldoende duidelijk was dat [eiser] op een later tijdstip wel aan zijn betalingsverplichting zal kunnen voldoen.

2.13.

Bij brief van 31 januari 2017 heeft de Inspecteur aan [eiser] meegedeeld dat het op 4 april 2016 gedane voorstel voor fiscale afwikkeling met betrekking tot de jaren 2003 en volgende komt te vervallen en dat zal worden overgegaan tot afwikkeling van alle openstaande fiscale zaken.

2.14.

Bij brief aan het CJIB van 11 maart 2017 heeft [eiser] meegedeeld dat hij de openstaande geldboete in natura betaalt met zijn schadeclaim op de Staat. In een e-mailbericht van dezelfde datum heeft [eiser] verzocht om het tegen hem gerichte aanhoudingsbevel tijdelijk in te trekken. Dit verzoek wordt in een e-mailbericht van 23 maart 2017 door de Advocaat-Generaal afgewezen, omdat de door [eiser] in het verzoek naar voren gebrachte omstandigheden dermate weinig concreet zijn, dat zij geen aanleiding geven de executie nogmaals op te schorten.

2.15.

In een e-mailbericht van 11 mei 2017 heeft de advocaat van de Staat aan de advocaat van [eiser] meegedeeld dat de Advocaat-Generaal bereid is uitstel aan [eiser] ter verlenen als er een concreet en in de tijd te voorspellen zicht is op betaling van de boete door [eiser] en dat zonder dat perspectief, het belang van de strafvordering en een voortvarende executie zich tegen verder uitstel verzetten.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert – zakelijk weergegeven – primair de Staat te bevelen om de executie van de aan [eiser] opgelegde geldboete op te schorten en gedurende de schorsingsperiode de internationale signalering van [eiser] ongedaan te maken totdat (a) in rechte onherroepelijk vast staat hoog de schade van [eiser] , en daarmee de door hem gedane betaling, is en/of (b) [eiser] de gelegenheid heeft gekregen om tot overeenstemming te komen met de Belastingdienst over de fiscale afhandeling over de jaren 2003 tot en met 2015 en/of (c) beslist zal zijn op zijn herzieningsverzoek en/of (d) [eiser] een nieuw gratieverzoek heeft opgesteld binnen een termijn van drie maanden en subsidiair de Staat te bevelen om nader overleg te voeren met [eiser] en de Belastingdienst over de afhandeling van onderlinge vorderingen en schulden en gedurende die periode de executie van de aan [eiser] opgelegde geldboete op te schorten, dan wel primair en subsidiair een in goede justitie te bepalen voorziening te treffen, een en ander met veroordeling van de Staat in de proceskosten.

3.2.

Daartoe stelt [eiser] – samengevat – het volgende. Omdat [eiser] de openstaande geldboete niet heeft betaald, kan hij ieder moment worden aangehouden in verband met de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis. De Staat handelt echter onrechtmatig jegens [eiser] door de vervangende hechtenis ten uitvoer te leggen en hem geen aanvullend uitstel van betaling meer te verlenen. [eiser] heeft bij dat uitstel allereerst belang om de uitspraak van de Hoge Raad op het herzieningsverzoek af te wachten. De Hoge Raad zal het verzoek van [eiser] immers met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid toewijzen, aangezien het beroep op verjaring van het hem als feit 3 ten laste gelegde zeer kansrijk is. Voorts heeft [eiser] belang bij uitstel om een nieuw gratieverzoek in te dienen, om het overleg met de Belastingdienst met betrekking tot de afhandeling van de (navorderings)aanslagen over de jaren 2003 tot en met 2015 voort te zetten en om onderzoek te kunnen verrichten naar de hoogte van zijn schadeclaim op de Staat en daarmee naar het bedrag dat hij reeds op de geldboete heeft afgelost door het overdragen van deze schadeclaim aan het CJIB.

Daar komt nog bij dat de Staat zich in het kader van de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis alleen richt op de strafzaak van [eiser] en niet ook op de fiscale claim op [eiser] en op de schadeclaim van [eiser] op de Staat. Deze verkokerde opstelling is in strijd met het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

3.3.

De Staat voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

[eiser] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat de Staat onrechtmatig jegens hem handelt. Daarmee is in zoverre de bevoegdheid van de burgerlijke rechter – in dit geval de voorzieningenrechter in kort geding – tot kennisneming van de vorderingen gegeven. [eiser] is in zijn vorderingen ook ontvankelijk, nu hem voor hetgeen hij wil bereiken geen andere middelen ten dienste staan.

4.2.

[eiser] vordert primair de Staat te bevelen om de executie van de aan hem opgelegde geldboete op te schorten. Daartoe stelt [eiser] allereerst dat hij er belang bij heeft om de uitspraak van de Hoge Raad op het door [eiser] ingediende herzieningsverzoek af te wachten. De voorzieningenrechter stelt voorop dat het wettelijk systeem met betrekking tot herzieningsverzoeken geen mogelijkheid omvat tot het opschorten of schorsen van de tenuitvoerlegging van de straf, voordat op het herzieningsverzoek is beslist. Dit betekent dat de verplichting van het Openbaar Ministerie om veroordelende beslissingen van de strafrechter zo spoedig mogelijk ten uitvoer te leggen alleen kan worden geschorst of opgeschort in hoogst uitzonderlijke gevallen waarin aangenomen kan worden dat het herzieningsverzoek met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid zal worden toegewezen.

4.3.

[eiser] is van mening dat zijn herzieningsverzoek met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid zal worden toegewezen, omdat zijn beroep op verjaring met betrekking tot het hem als feit 3 ten laste gelegde zal slagen. Als feit 3 is [eiser] ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan passieve niet-ambtelijke omkoping, strafbaar gesteld in artikel 328ter lid 1 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Volgens [eiser] is het recht op strafvordering op 1 maart 2015 verjaard, immers op grond van artikel 70 lid 1 Sr in samenhang met artikel 72 lid 2 Sr twaalf jaar na aanvang van de verjaringstermijn. Nu het arrest van de Hoge Raad dateert van na deze datum, is het arrest van het Hof volgens [eiser] onherroepelijk geworden na de verjaringstermijn. Weliswaar is de verjaringstermijn nadien verlengd tot vierentwintig jaar als gevolg van de verhoging van het strafmaximum van artikel 328ter Sr op 1 januari 2015, maar nu aan dit wetsartikel het bestanddeel ‘in strijd met zijn plicht’ is toegevoegd en kennelijk sprake is van een gewijzigd inzicht van de wetgever in de strafwaardigheid van niet-ambtelijke omkoping, hebben de wetswijziging en de daaruit voortvloeiende verlenging van de absolute verjaringstermijn geen terugwerkende kracht, aldus [eiser] . Nu met de verjaring ten tijde van de berechting van [eiser] nog geen rekening kon worden gehouden en het Hof de schuld van [eiser] hoe dan ook niet heeft vastgesteld op basis van de nieuwe wetsbepaling, bestaat volgens [eiser] grond voor herziening.

4.4.

De Staat heeft evenwel onbetwist aangevoerd dat volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad in geval van verandering van wetgeving met betrekking tot verjaring naar hedendaagse rechtsopvatting in strafzaken als uitgangspunt geldt dat een dergelijke verandering direct van toepassing is, met dien verstande dat een reeds voltooide verjaring wordt gerespecteerd, dat dit ook geldt voor verlenging van lopende verjaringstermijnen en dat dit niet anders is indien de verlenging van de verjaringstermijn voortvloeit uit de invoering van een strafverzwarende omstandigheid. Het voorgaande betekent dat een verlenging van de verjaringstermijn mogelijk is, zolang de verjaring op het moment van verandering van wetgeving nog niet is voltooid. Voorts heeft de Staat onweersproken naar voren gebracht dat artikel 1 lid 2 Sr, waarin is bepaald dat bij verandering van wetgeving na het tijdstip waarop het feit is begaan de voor de verdachte gunstigste bepaling wordt toegepast, niet van toepassing is in gevallen van verandering van wetgeving met betrekking tot verjaring van het recht op strafvordering. Nu het recht op strafvordering met betrekking tot het aan [eiser] ten laste gelegde feit 3 op het moment van inwerkingtreding van de wetswijziging op 1 januari 2015 nog niet was verjaard, is de verlenging van de verjaringstermijn vanaf die datum direct op de situatie van [eiser] van toepassing en bedraagt de verjaringstermijn vierentwintig jaar. Anders dan [eiser] kennelijk meent maakt de toevoeging ‘in strijd met zijn plicht’ aan het gewijzigde artikel 328ter Sr het voorgaande niet anders. De Staat heeft in dit verband onder verwijzing naar de Memorie van Toelichting bij de nieuwe versie van artikel 328ter Sr genoegzaam aannemelijk gemaakt dat hetgeen het Hof in het arrest van 18 februari 2014 met betrekking tot feit 3 bewezen heeft verklaard, ook strafbaar is op grond van de nieuwe wetsbepaling. Tegen de achtergrond van het voorgaande heeft [eiser] naar voorlopig oordeel onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zijn herzieningsverzoek met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid zal worden toegewezen en daarmee evenmin dat op dit punt sprake is van een grond voor opschorting van de tenuitvoerlegging van de aan hem opgelegde geldboete.

4.5.

Voorts heeft [eiser] betoogd dat hij belang heeft bij uitstel van betaling totdat in rechte onherroepelijk vast staat hoog de schade van [eiser] als gevolg van de vernietigde belastingaanslagen met betrekking tot de jaren 2000 tot en met 2002 is, en daarmee de door hem gedane betaling aan het CJIB. [eiser] heeft zijn vordering op de Belastingdienst immers op 11 maart 2017 overgedragen aan het CJIB. Daarnaast stelt [eiser] tijd nodig te hebben om met de Belastingdienst tot overeenstemming te komen over de fiscale afhandeling over de jaren 2003 tot en met 2015. Dit een en ander levert echter naar voorlopig oordeel geen grond op voor verder uitstel in het kader van de executie van de opgelegde geldboete. De schadeclaim van [eiser] is immers reeds op 9 maart 2015 door de Belastingdienst afgewezen, terwijl het daartegen ingediende bezwaar op 28 april 2015 door de staatssecretaris van Financiën (kennelijk) niet-ontvankelijk is verklaard. [eiser] heeft geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht die de conclusie rechtvaardigen dat er op korte termijn zicht is op overeenstemming tussen hem en de Belastingdienst over de schadeclaim of over de openstaande belastingschulden en hij heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat hij anderszins binnen afzienbare tijd aan zijn betalingsverplichting zal kunnen voldoen. Het overdragen van een schadeclaim op de Belastingdienst, waarvan het bestaan en de omvang nog geenszins vast staan, is in dat verband in ieder geval onvoldoende. De voorzieningenrechter is van oordeel dat onder die omstandigheden geen aanleiding bestaat voor het opschorten van de tenuitvoerlegging van de aan [eiser] opgelegde geldboete, in afwachting van de resultaten van de afwikkeling van de fiscale kwesties van [eiser] .

4.6.

Tegenover de gemotiveerde betwisting van de juistheid ervan door de Staat heeft [eiser] zijn stelling dat de Staat zich in het kader van de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis ten onrechte alleen richt op de strafzaak van [eiser] en niet ook op de fiscale claim op [eiser] en op de schadeclaim van [eiser] op de Staat, en dat de Staat daarmee in strijd met de bepalingen uit het EVRM handelt, onvoldoende onderbouwd. De stelling van [eiser] dat het Openbaar Ministerie in de procedure naar aanleiding van het eerste gratieverzoek het standpunt heeft ingenomen dat de schadeclaim van [eiser] zicht biedt op verbetering van zijn financiële positie en dat de Staat daarom ten onrechte weigert deze claim mede te betrekken bij de beoordeling of [eiser] in staat is de opgelegde geldboete te betalen, rechtvaardigt dit standpunt in ieder geval niet. De Staat heeft hiertegenover immers genoegzaam aannemelijk gemaakt dat het Openbaar Ministerie erop heeft gewezen dat [eiser] in een schadeprocedure met de Belastingdienst is verwikkeld en dat hij daarom zijn stelling dat er geen zicht is op financiële verbetering niet kan volhouden. De voorzieningenrechter volgt de Staat in zijn betoog dat niet gebleken is dat het Openbaar Ministerie hiermee heeft willen zeggen dat er een reëel uitzicht bestaat op een zodanige verbetering van de financiële positie van [eiser] dat er aanleiding bestaat om in te grijpen in de executie van de geldboete. [eiser] heeft ook anderszins niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van de door hem gestelde inconsistentie, dan wel verkokerde opstelling aan de zijde van de Staat.

4.7.

[eiser] heeft ten slotte gesteld dat de Staat de tenuitvoerlegging van de opgelegde geldboete dient op te schorten om [eiser] in de gelegenheid te stellen opnieuw een gratieverzoek in te dienen. [eiser] is voornemens een dergelijk verzoek in te dienen op het moment dat zijn herzieningsverzoek wordt afgewezen. Op dit moment is er nog geen zicht op een uitspraak op het herzieningsverzoek en de voorzieningenrechter is van oordeel dat thans met een (eventueel) toekomstig gratieverzoek, waarvan de inhoud nog onbekend is, geen rekening kan worden gehouden. Daar komt nog bij dat op grond van het bepaalde in artikel 558a Sv aan een eventueel gratieverzoek van [eiser] geen schorsende c.q. opschortende werking van rechtswege toekomt, terwijl [eiser] voorshands niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn gratieverzoek hoogstwaarschijnlijk zal worden toegewezen. Derhalve is aan de voorwaarde voor toepassing van artikel 559a lid 2 Sv, op grond waarvan de Minister van Veiligheid en Justitie bevoegd is de tenuitvoerlegging te schorsen totdat op het gratieverzoek is beslist, niet is voldaan. Ook deze stelling van [eiser] rechtvaardigt naar voorlopig oordeel dan ook niet dat de executie van de geldboete wordt opgeschort.

4.8.

Het voorgaande betekent dat de primaire vorderingen worden afgewezen. Hetzelfde geldt voor de subsidiaire vordering, nu de tenuitvoerlegging van beslissingen van de strafrechter door het Openbaar Ministerie zo spoedig mogelijk moet plaatsvinden en [eiser] niet aannemelijk heeft gemaakt dat er op korte termijn zicht is op overeenstemming tussen hem en de Belastingdienst. Onder die omstandigheden valt niet in te zien op grond waarvan de Staat gehouden zou zijn tot nader overleg met [eiser] en de Belastingdienst. Nu [eiser] naar voorlopig oordeel geen feiten of omstandigheden naar voren heeft gebracht die nopen tot een andere in goede justitie te bepalen voorziening, wordt ook de meer subsidiaire vordering afgewezen.

4.9.

[eiser] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

wijst de vorderingen af;

5.2.

veroordeelt [eiser] in de kosten van dit geding, tot dusver aan de zijde van de Staat begroot op € 1.434,--, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat en € 618,-- aan griffierecht;

5.3.

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.H.I.J. Hage en in het openbaar uitgesproken op 27 juli 2017.

mvt