Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:9854

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
29-08-2017
Datum publicatie
05-10-2017
Zaaknummer
17_505 IBPVV
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres heeft in 2014 getracht een kledingwinkel op te zetten. Daartoe heeft zij een winkelruimte gehuurd, deze ruimte ingericht en kleding ingekocht. Door omstandigheden bij de leverancier is de ingekochte kleding niet geleverd. Voorts beschikte eiseres, nadat haar huwelijksrelatie was verbroken, niet langer over financiële middelen om in haar zaak te investeren. Nadat een kredietaanvraag bij afwezigheid van een borgsteller was afgewezen, heeft eiseres haar activiteiten gestaakt. Onder deze omstandigheden is er naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding om te veronderstellen dat geen sprake is geweest van een objectieve voordeelsverwachting. De rechtbank acht een bron van inkomen aanwezig. Gelet op de aard van de activiteiten vormt deze bron normaal gesproken winst uit onderneming. De rechtbank ziet geen aanleiding daar in het onderhavige geval van af te wijken. Eiseres maakt echter niet aannemelijk te hebben voldaan aan het urencriterium. De rechtbank vernietigt de opgelegde verzuimboete omdat de rechtbank aannemelijk acht dat de aanmaning niet door eiseres is ontvangen. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2017/58.7 met annotatie van Redactie
V-N Vandaag 2017/2294
Viditax (FutD), 05-10-2017
FutD 2017-2479
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 17/505

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 augustus 2017 in de zaak tussen

[eiseres] , wonende te [woonplaats] , eiseres

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Particulieren, dienstverlening en bezwaar, kantoor [plaats], verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2014 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 12.212 (na verrekening verlies voorgaande jaren van € 2.788) en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 33. Daarnaast is (impliciet) het verlies van eiseres voor het jaar 2014 vastgesteld op nihil. Voorts is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht en een verzuimboete opgelegd.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 23 december 2016 de aanslag IB/PVV verminderd naar een belastbaar inkomen van nihil. De beschikking belastingrente is overeenkomstig verminderd. De opgelegde verzuimboete is gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 mei 2017.

Eiseres is verschenen, bijgestaan door [persoon A] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [persoon B] en [persoon C] .

Ter zitting heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Na afloop van de zitting is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat het onderzoek in deze procedure niet volledig is geweest. Daarop heeft de rechtbank het onderzoek onder toepassing van artikel 8:68 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heropend teneinde partijen in de gelegenheid te stellen met elkaar in overleg te treden en het resultaat van dit overleg aan de rechtbank terug te koppelen.

Partijen hebben op 6 juni 2017 in [plaats] overleg gevoerd en de uitkomst van dit overleg schriftelijk aan de rechtbank teruggekoppeld.

Bij brief van 20 juni 2017 heeft de rechtbank beide partijen in de gelegenheid gesteld om, indien zij prijs stellen op een nadere zitting, dat binnen 4 weken, aan de rechtbank te laten weten. Nadat geen van partijen binnen gestelde termijn heeft aangegeven prijs te stellen op een nadere zitting heeft de rechtbank onder toepassing van artikel 8:64, vijfde lid, van de Awb bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft. Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Feiten

1. In 2014 is eiseres gestart met het opzetten van een kledingwinkel. In het bijzonder zijn de activiteiten gericht op het ontwerpen en verkopen van vrouwenmode voor de werkende zakelijke vrouw. Daartoe heeft zij, onder andere, vanaf mei 2014 een winkelruimte gehuurd aan de [straat] te [plaats] , deze winkelruimte ingericht en voorraad ingekocht bij een producent in Turkije.

2. Eiseres beschikte niet over eigen middelen om de winkel op te zetten. De kosten die zij in het kalenderjaar 2014 ten behoeve van de winkel heeft gemaakt bedragen € 19.612 en zijn gefinancierd door haar toenmalige echtgenoot.

3. In augustus 2014 is de huwelijksrelatie van eiseres verbroken. Haar echtgenoot is per direct naar het buitenland vertrokken, waarna eiseres geen toegang meer had tot gemeenschappelijke financiële middelen.

4. De in Turkije ingekochte (en deels betaalde) kleding is wegens omstandigheden bij de leverancier niet aan eiseres geleverd.

5. Eiseres heeft bij kredietverstrekker [kredietverstrekker] een kredietaanvraag gedaan ten behoeve van de winkel. Deze aanvraag is afgewezen wegens het ontbreken van een borgsteller, waarna eiseres haar activiteiten heeft gestaakt. Op 4 december 2014 is eiseres uitgeschreven bij de Kamer van Koophandel.

6. Eiseres stond van 15 juni 2015 tot 2 november 2015 in de Basisregistratie personen ingeschreven op het adres [adres 1] te [plaats 1] . Vanaf 2 november 2015 staat zij ingeschreven op het adres [adres 2] te [plaats 2] . Ten tijde van haar verhuizing van [plaats 1] naar [plaats 2] heeft eiseres voor haar post gebruik gemaakt van een doorzendservice.

7. Met dagtekening 28 februari 2015 is eiseres uitgenodigd tot het doen van aangifte IB/PVV voor het jaar 2014. Zij heeft daartoe uitstel gekregen tot 1 september 2015. Nadat binnen de gestelde termijn geen aangifte was ingediend, is met dagtekening 2 oktober 2015 een herinnering aan eiseres verstuurd. Daarop is door eiseres niet gereageerd. Vervolgens is eiseres aangemaand tot het doen van aangifte. Uit een verzendrapport van verweerder blijkt dat de aanmaning op 30 oktober 2015 ter verzending is aangeboden aan PostNL en is verstuurd naar het adres [adres 1] te [plaats 1] .

8. Nadat eiseres op de aanmaning niet heeft gereageerd heeft verweerder de aanslag IB/PVV voor het jaar 2014 ambtshalve opgelegd. De bij de aanslag IB/PVV opgelegde verzuimboete bedraagt € 369.

9. In zijn uitspraak op bezwaar inzake de aanslag IB/PVV heeft verweerder de kosten die eiseres ten behoeve van de winkel heeft gemaakt niet in aanmerking genomen.

Geschil

10. In geschil is of de kosten voor het opzetten van de winkel door verweerder terecht niet in aanmerking zijn genomen. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de activiteiten van eiseres een bron van inkomen vormen. Indien de rechtbank tot het oordeel komt dat sprake is van een bron van inkomen, is in geschil of het resultaat uit deze activiteiten moet worden aangemerkt als winst uit onderneming of als resultaat uit overige werkzaamheden. Daarnaast is in geschil of de verzuimboete terecht is opgelegd. De aard en de omvang van de kosten zijn niet in geschil. Hoewel er naast de aanslag IB/PVV tevens een aanslag Zvw is opgelegd is deze reeds op 23 december 2016 bij voor bezwaar vatbare beschikking vernietigd, zodat de rechtbank daaraan verder geen aandacht zal besteden.

11. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de kosten ten onrechte niet in aanmerking zijn genomen. Volgens eiseres was sprake van een bron van inkomen. Ten aanzien van de opgelegde verzuimboete stelt eiseres dat deze ten onrechte is opgelegd omdat zij de aanmaning tot het doen van aangifte nooit heeft ontvangen.

12. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de kosten terecht niet in aanmerking zijn genomen. Volgens verweerder vormden de activiteiten van eiseres geen bron van inkomen aangezien geen sprake kon zijn van een objectieve winstverwachting. De verzuimboete is volgens verweerder terecht opgelegd omdat eiseres is uitgenodigd tot het doen van aangifte en de aanmaning op 30 oktober 2015 naar haar toenmalige adres in [plaats 1] is verzonden en door eiseres gebruik is gemaakt van een doorzendservice.

Beoordeling van het geschil

Vooraf

13. Hoewel - gelet op het vorenstaande - eerst dient te worden beoordeeld of eiseres de vereiste aangifte heeft gedaan en of er al dan niet aanleiding is de bewijslast om te keren en te verzwaren gaat de rechtbank daaraan ten aanzien van de aanslag IB/PVV voorbij. De bewijslast ten aanzien van de bron van inkomen en van de ondernemingskosten rust immers reeds op eiseres en tussen partijen is de omvang van de kosten niet in geschil zodat de rechtbank daarvan uitgaat.

Bron van inkomen

14. Volgens vaste jurisprudentie worden als uitgangspunt de volgende drie algemene voorwaarden gesteld aan een bron van inkomen: deelname aan het economische verkeer, het (subjectieve) oogmerk om voordeel te behalen, en de (objectieve) verwachting dat het voordeel redelijkerwijs - in de toekomst - kan worden behaald.

15. Niet in geschil is dat de activiteiten van eiseres in het economisch verkeer hebben plaatsgevonden en dat eiseres het oogmerk heeft gehad om daarmee voordeel te behalen. Voor de beantwoording van de vraag of een voordeel redelijkerwijs is te verwachten, dient te worden onderzocht of de desbetreffende activiteiten voorzienbaar blijvend verliesgevend zijn, dan wel dat redelijkerwijs kan worden verwacht dat zij de desbetreffende persoon (in de toekomst) positieve zuivere opbrengsten zullen opleveren.

16. De rechtbank stelt voorop dat de toets of sprake is van een objectieve voordeelsverwachting dient te worden aangelegd op het moment van aanvang van betreffende activiteiten. Voorts stelt de rechtbank vast dat op eiseres de bewijslast rust dat sprake is van een objectieve voordeelsverwachting.

17. Eiseres heeft onderbouwd dat zij op een goede locatie een winkelruimte heeft gehuurd, de winkel heeft ingericht, voorraad heeft ingekocht en over de ervaring en kunde beschikte om van haar activiteiten een succes te maken. Zij had bovendien al eerder een winkel gehad. Voorts heeft eiseres toegelicht dat zij bij aanvang van haar activiteiten – middels haar echtgenoot – kon beschikken over voldoende kapitaal waarmee de noodzakelijke investeringen (in winkelinrichting en voorraad) konden worden gedaan. Gegeven deze omstandigheden bestond er naar het oordeel van de rechtbank objectief gezien geen aanleiding te veronderstellen dat de activiteiten van eiseres niet tot voordeel zouden kunnen leiden. De rechtbank ziet in de omstandigheden dat de breuk met haar echtgenoot enkele maanden na de opstart van de activiteiten verdere investeringen onmogelijk maakte en dat de kredietaanvraag bij [kredietverstrekker] bij afwezigheid van een borgsteller is afgewezen, alsmede het gegeven dat de leverancier van de ingekochte kleding niet aan zijn verplichtingen heeft voldaan, geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. Deze omstandigheden hebben er weliswaar toe geleid dat de activiteiten niet verder van de grond zijn gekomen, maar doen naar het oordeel van de rechtbank niet af aan de objectieve voordeelsverwachting bij aanvang van deze activiteiten.

18. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de door eiseres ten behoeve van haar activiteiten gemaakte kosten ten bedrage van € 19.612 ten onrechte niet in aanmerking zijn genomen bij het bepalen van het belastbaar inkomen uit werk en woning

Winst uit onderneming of resultaat uit overige werkzaamheden

19. De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de bron van inkomen van eiseres heeft geresulteerd in winst uit onderneming dan wel in resultaat uit overige werkzaamheden.

20. Een onderneming is een duurzame organisatie van kapitaal en arbeid waarmee wordt deelgenomen aan het economische verkeer met het doel en in de verwachting daarmee duurzaam positieve opbrengsten te behalen. Met het drijven van een winkel in de door eiseres beoogde vorm en omvang zal in de regel worden voldaan aan deze omschrijving. In de niet nader onderbouwde stelling van verweerder dat sprake is van resultaat uit overige werkzaamheden ziet de rechtbank geen aanleiding om daar in onderhavige geval van af te wijken. Naar het oordeel van de rechtbank vormt de bron van inkomen winst uit onderneming.

21. De rechtbank volgt eiseres echter niet in haar stelling dat zij in 2014 heeft voldaan aan het urencriterium. Met de grofmazige berekening die eiseres ter onderbouwing heeft overgelegd en de omstandigheid dat de activiteiten pas in de loop van het jaar zijn aangevangen en in hetzelfde jaar reeds zijn gestaakt, heeft zij naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij in het kalenderjaar 2014 ten minste 1.225 uren aan werkzaamheden voor haar onderneming heeft besteed.

22. Bij de vaststelling van het belastbaar inkomen uit werk en woning dient nog rekening te worden gehouden met de MKB-winstvrijstelling van 14%. Gelet op het verlies zal de MKB-winstvrijstelling het verlies verminderen met € 2.745 (14% x negatief € 19.612).

Verzuimboete

23. Aan eiseres is een verzuimboete opgelegd op grond van artikel 67a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Ingevolge dit artikel kan een verzuimboete worden opgelegd indien een belastingplichtige niet binnen de gestelde termijn aangifte heeft gedaan en hij evenmin gevolg heeft gegeven aan een aanmaning van de inspecteur.

24. Eiseres is enkele dagen na de datum van verzending van de aanmaning verhuisd van [plaats 1] naar [plaats 2] en heeft rond de datum van de verhuizing gebruik gemaakt van een doorzendservice. Eiseres heeft verklaard dat zij de aanmaning niet heeft ontvangen, hetgeen door [persoon A] , bewoner van het doorzendadres in [plaats 2] , ter zitting nogmaals is bevestigd. Gelet op de samenloop van verhuizing en verzending van de aanmaning kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden uitgesloten dat eiseres de aanmaning niet heeft ontvangen. De rechtbank weegt in dit oordeel mee dat het feit dat gebruik is gemaakt van de doorzendservice geen garanties biedt. De rechtbank acht ook geloof aan de verklaringen van eiseres en [persoon A] . Met het door verweerder overgelegde verzendrapport heeft verweerder weliswaar aannemelijk gemaakt dat de aanmaning aan eiseres is verzonden, maar de rechtbank acht gelet op het vorenstaande aannemelijk dat de voorafgaande aanmaning door eiseres niet is ontvangen. Voor oplegging van een boete is dan geen aanleiding (Hoge Raad 15 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ4416). De rechtbank zal de verzuimboete dan ook vernietigen.

25. Gelet op het voorgaande dient het beroep gegrond te worden verklaard en dient de aanslag IB/PVV voor het jaar 2014 te worden verminderd naar een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van negatief € 16.867 (negatief € 19.612 plus € 2.745). De bij de aanslag opgelegde beschikking belastingrente dient overeenkomstig te worden verminderd.

Proceskosten

26. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding. De reiskosten die eiseres ten behoeve van het overleg met verweerder in [plaats] heeft gemaakt komen niet voor vergoeding in aanmerking. Het Besluit proceskosten bestuursrecht beperkt de vergoeding van reiskosten namelijk tot kosten gemaakt om een zitting te kunnen bijwonen of om de behandeling van de zaak deugdelijk te kunnen voorbereiden. Overige kosten zijn niet gesteld.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de aanslag IB/PVV voor het jaar 2014 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van negatief € 16.867;

- vermindert de beschikking belastingrente overeenkomstig;

- stelt het verlies uit werk en woning vast op € 16.867;

- vernietigt de boetebeschikking;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46 aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. de Hek, rechter, in aanwezigheid van mr. T. Blauw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 augustus 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302,

2500 EH Den Haag.