Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:9825

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
30-08-2017
Datum publicatie
30-08-2017
Zaaknummer
C/09/536166 / FA RK 17-5416
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Internationale Kinderontvoering. Australie. Het beroep van de moeder op de weigeringsgronden van artikel 13 lid 1 onder a (berusting) en b (ondragelijke toestand) falen. Gelet op de door de moeder overgelegde aangifte en het veroordelend vonnis jegens de vader, neemt de rechtbank als vaststaand aan dat de vader de moeder op 18 december 2016 heeft mishandeld. Gezien de restrictieve uitleg van de weigeringsgrond (van artikel 13 lid 1 onder b), die maakt dat een beroep daarop alleen in extreme situaties kan worden gehonoreerd, staat dit gegeven aan een terugkeer van de minderjarige naar Australie evenwel niet zonder meer in de weg. Niet kan worden vastgesteld dat het huiselijk geweld op structurele basis heeft plaatsgevonden. Daarnaast is niet gebleken dat de veiligheid van de minderjarige in het bijzijn van de vader in eht geding is. Tot slot beschouwt de rechtbank Australie als modern land waar voldoende hulpverlening voorhanden is om zo nodig maatregelen te treffen om de veiligheid van de minderjarige te kunnen waarborgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Den HAAG

Meervoudige Kamer

Rekestnummer: FA RK 17-5416

Zaaknummer: C/09/536166

Datum beschikking: 30 augustus 2017

Internationale kinderontvoering

Beschikking op het op 13 juli 2017 ingekomen verzoek van:

[verzoeker] ,

de vader,

wonende te [woonplaats] , Australië,

advocaat: mr. A.D. Leuftink te Amsterdam.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[belanghebbende] ,

de moeder,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat: mr. J.A.M. Schoenmakers te Breda.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken, waaronder:

  • -

    het verzoekschrift met bijlagen;

  • -

    de brief van 21 juli 2017 van de zijde van de vader, met bijlagen.

Op 3 augustus 2017 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de advocaat van de vader, zonder zijn cliënt, en de moeder, bijgestaan door haar advocaat. Het betrof hier een regiezitting met het oog op crossborder mediation in internationale kinderontvoeringszaken met als behandelend rechter, tevens kinderrechter, mr. J. Visser. De behandeling ter terechtzitting is aangehouden.

Op genoemde regiezitting is aan partijen de gelegenheid geboden om een crossborder mediation traject te volgen, gefaciliteerd door het Mediation Bureau van het Centrum Internationale Kinderontvoering, teneinde tot een minnelijke regeling te komen. Partijen hebben daar om hen moverende redenen geen gebruik van gemaakt.

De rechtbank heeft voorts nog de volgende stukken ontvangen:

  • -

    de brief van 11 augustus 2017 van de zijde van de moeder, zijnde de pleitnotitie met bijbehorende producties 1 tot en met 22;

  • -

    de brief van 14 augustus 2017 van de zijde van de moeder, met als bijlage productie 23;

  • -

    de brief van 15 augustus 2017 van de zijde van de vader, met als bijlagen productie 8 tot en met 14;

  • -

    de brief van 16 augustus 2017 van de zijde van de vader, met als bijlage een verklaring van [naam] .

Op 16 augustus 2017 is de behandeling ter terechtzitting van de meervoudige kamer voortgezet. Hierbij zijn verschenen: de vader, bijgestaan door zijn advocaat en de heer
[naam] (tolk), alsmede de moeder, bijgestaan door haar advocaat. Ter zitting is door de advocaat van de vader een pleitnotitie overgelegd en zijn door de advocaat van de moeder kleurenprints van eerder overgelegde foto’s overgelegd.

Verzoek en verweer

De vader heeft verzocht, met toepassing van artikel 13 van de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering (hierna: de Uitvoeringswet), de onmiddellijke terugkeer van na te melden minderjarige te bevelen, voor 1 september 2017, althans de terugkeer van de minderjarige vóór een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum te bevelen, waarbij de moeder de minderjarige dient terug te brengen naar [woonplaats] , Australië, dan wel – indien de moeder nalaat de minderjarige terug te brengen – te bepalen op welke datum de moeder de minderjarige met de benodigde geldige reisdocumenten aan de vader zal afgeven, dan wel aan een nader aan te wijzen derde, zodat hij de minderjarige zelf mee terug kan nemen naar [woonplaats] , Australië, met veroordeling van de moeder in de kosten die de vader heeft moeten maken in verband met de ontvoering en teruggeleiding, waaronder zijn reiskosten vanuit Australië naar Nederland, zijn verblijfskosten in Nederland, de griffierechten van de rechtbank, alsmede de kosten van zijn procesvertegenwoordiging, nader op te maken bij staat, een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De moeder heeft verweer gevoerd tegen het verzoek van de vader, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Feiten

- Partijen zijn gehuwd op [huwelijksdatum] te [woonplaats] , Australië.

- Zij zijn de ouders van het volgende thans nog minderjarige kind:

- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , Australië.

- Op 5 januari 2017 is de moeder met de minderjarige niet naar Australië teruggekeerd en verblijven zij zonder de vader in Nederland.

- De vader heeft de Australische nationaliteit, de moeder heeft de Nederlandse nationaliteit en de minderjarige heeft de Nederlandse en de Australische nationaliteit.

- De vader heeft zich op 21 april 2017 gewend tot de Nederlandse Centrale Autoriteit (CA). De zaak is bij de CA geregistreerd onder IKO nr. [nummer] .

Beoordeling

Het verzoek van de vader is gebaseerd op het Haagse Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen van 25 oktober 1980 (hierna: het Verdrag). Nederland en Australië zijn partij bij het Verdrag.

Het Verdrag heeft – voor zover hier van belang – tot doel de onmiddellijke terugkeer te verzekeren van kinderen die ongeoorloofd zijn overgebracht naar of worden vastgehouden in een Verdragsluitende staat. Het Verdrag beoogt hiermee een zo snel mogelijk herstel van de situatie waarin het kind zich bevond direct voorafgaand aan de ontvoering of vasthouding. Een snel herstel van de aan de ontvoering of vasthouding voorafgaande situatie wordt geacht de schadelijke gevolgen hiervan voor het kind te beperken.

Ongeoorloofde overbrenging of vasthouding in de zin van artikel 3 van het Verdrag

Er is sprake van ongeoorloofde overbrenging of ongeoorloofde vasthouding in de zin van het Verdrag wanneer de overbrenging of het niet doen terugkeren geschiedt in strijd met een gezagsrecht ingevolge het recht van de staat waarin het kind onmiddellijk voor zijn overbrenging of vasthouding zijn gewone verblijfplaats had en dit recht alleen of gezamenlijk werd uitgeoefend op het tijdstip van het overbrengen of niet doen terugkeren, dan wel zou zijn uitgeoefend indien een zodanige gebeurtenis niet had plaatsgevonden (artikel 3 van het Verdrag).

Vaststaat dat [minderjarige] vanaf haar geboorte met haar ouders in [woonplaats] , Australië, heeft gewoond. Op of omstreeks 7 december 2016 is het gezin voor familiebezoek naar Nederland gekomen. Zij waren van plan om in januari 2017 terug te keren naar Australië. Op 18 december 2016 is de vader aangehouden door de politie naar aanleiding van een melding van de moeder van huiselijk geweld. Nadat de vader drie dagen in voorarrest had gezeten, is hij in vrijheid gesteld en op 24 december 2016 naar Australië teruggekeerd. De moeder en [minderjarige] verblijven sindsdien zonder de vader in Nederland en zij zijn op 5 januari 2017 niet naar Australië teruggekeerd. Ter beoordeling aan de rechtbank ligt voor de vraag of de moeder de minderjarige in strijd met het Verdrag in Nederland vasthoudt.

Niet in geschil is dat [minderjarige] onmiddellijk voor haar vasthouding in Nederland haar gewone verblijfplaats in [woonplaats] , Australië, had en evenmin is in geschil dat het gezagsrecht gezamenlijk werd uitgeoefend op het tijdstip van de vasthouding, dan wel zou zijn uitgeoefend, indien de vasthouding niet had plaatsgevonden. Nu voorts niet in geschil is dat de vader geen toestemming heeft gegeven voor de vasthouding in Nederland en dat de vasthouding van [minderjarige] in Nederland is geschied in strijd met het gezagsrecht van de vader naar Australisch recht, komt de rechtbank tot het oordeel dat de vasthouding van [minderjarige] in Nederland aangemerkt dient te worden als ongeoorloofd in de zin van artikel 3 van het Verdrag.

Onmiddellijke terugkeer in de zin van artikel 12 van het Verdrag

Ingevolge artikel 12 lid 1 van het Verdrag wordt de onmiddellijke terugkeer van een kind gelast wanneer er minder dan één jaar is verstreken tussen de overbrenging of het niet doen terugkeren van een kind en het tijdstip van indiening van het verzoek bij de rechtbank.

Nu er minder dan één jaar is verstreken tussen de vasthouding van [minderjarige] in Nederland en het tijdstip van indiening van het verzoek, komt de rechtbank niet toe aan de vraag of [minderjarige] in Nederland is geworteld en dient in beginsel de onmiddellijke terugkeer van [minderjarige] te volgen, tenzij er sprake is van één of meer weigeringsgronden als bedoeld in artikel 13 van het Verdrag.

De moeder heeft betoogd dat er sprake is van de weigeringsgronden, als bedoeld in artikel 13 lid 1 sub a en artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag. De rechtbank overweegt als volgt.

Weigeringsgrond ex artikel 13 lid 1 sub a van het Verdrag

Op grond van artikel 13 lid 1 sub a van het Verdrag is de rechter van de aangezochte Staat niet gehouden de terugkeer van het kind te gelasten indien de persoon die zich tegen de terugkeer verzet, aantoont dat de persoon die de zorg had voor de persoon van het kind, het recht betreffende het gezag niet daadwerkelijk uitoefende ten tijde van de overbrenging of het niet doen terugkeren, of naderhand in deze overbrenging of het niet doen terugkeren had toegestemd of berust.

De moeder stelt zich op het standpunt dat de vader heeft berust in het verblijf van [minderjarige] in Nederland. Nadat de vader in vrijheid was gesteld, is er kort contact geweest met de moeder. De vader wenste geen contact met de moeder over het zien van zijn dochter en is vervolgens naar Australië vertrokken. Hij heeft de moeder toen laten weten dat zij in Nederland met [minderjarige] gelukkig moest worden, heeft haar ‘all the best’ gewenst in Nederland en heeft aldus in de ogen van de moeder berust in het verblijf van [minderjarige] in Nederland. De moeder verwijst verder naar e-mailberichten van de vader aan haar waaruit volgens haar blijkt dat de vader instemt met het verblijf van [minderjarige] bij de moeder in Nederland. In de maanden nadat de vader naar Australië was teruggekeerd is uit niets gebleken dat hij wilde dat [minderjarige] naar Australië zou terugkomen. Gelet op dit alles mocht de moeder mocht er op vertrouwen dat de vader instemde met en berustte in het verblijf van [minderjarige] bij de moeder in Nederland.

De vader betwist dat hij heeft berust in het verblijf van [minderjarige] in Nederland. Voor het aannemen van berusting rust een zware bewijslast op de moeder, waaraan zij volgens de vader niet heeft voldaan. Ten eerste heeft de vader niet stilgezeten; het indienen van onderhavig verzoekschrift kent een voortraject via verschillende instanties. Dat dit enige tijd in beslag heeft genomen kan de vader niet worden aangerekend. Daarnaast kunnen de uitlatingen en gedragingen van de vader niet worden beschouwd als berusting. De door de moeder overgelegde mailwisseling is selectief en moet in de juiste context worden bezien. De opmerking van de vader waarin hij de moeder ‘all the best’ wenst is cynisch van aard en gedaan op een moment dat hij geconfronteerd werd met het plotselinge gemis van zijn dochter. De andere uitingen zijn gedaan op een moment waarop de vader al een verzoek tot teruggeleiding had ingediend bij de Centrale Autoriteit en kunnen reeds om die reden niet als berustend worden gekwalificeerd. Bovendien heeft de vader via (social) media expliciet laten blijken dat van berusting geen sprake is.

De rechtbank stelt voorop dat voor de beantwoording van de vraag of sprake is van berusting in de zin van artikel 13 lid 1 aanhef en sub a van het Haagse Verdrag alle omstandigheden van het geval in aanmerking dienen te worden genomen. Daarbij dient gekeken te worden naar de gedragingen van de vader zelf, zowel in actieve als in passieve zin, en niet naar de wijze waarop anderen deze gedragingen hebben opgevat. Beslissend is of uit objectieve omstandigheden kan worden afgeleid dat de vader heeft aanvaard dat het hoofdverblijf van [minderjarige] voortaan in Nederland zou zijn (Hoge Raad 1 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN6126). De rechtbank is van oordeel dat uit de door de moeder overgelegde e-mails van de vader (productie 1 en 2 van de zijde van de moeder) op zichzelf en bezien in de context waarin zij zijn geschreven – namelijk het verbreken van een relatie en het gemis van zijn dochter – niet kan worden afgeleid dat hij berust in het verblijf van [minderjarige] in Nederland. Dit temeer gelet op de uitingen van de vader op social media en in de gewone media waaruit het tegenovergestelde blijkt. Gelet op het vorenstaande in geen sprake van berusting in de zin van artikel 13 lid 1 aanhef en sub a van het Haagse Verdrag.

Weigeringsgrond ex artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag

De moeder beroept zich op deze weigeringsgrond en voert ter onderbouwing het volgende aan. Tijdens het huwelijk is sprake geweest van structurele en stelselmatige bedreigingen van de vader jegens de moeder en was sprake van huiselijk geweld. De vader had een kwade dronk en gedroeg zich in toenemende mate agressief jegens de moeder. Uit schaamte en vanwege het feit dat zij daar geen familie had, durfde de moeder in Australië geen professionele hulp in te schakelen of aangifte te doen. Op 18 december 2016, toen het gezin in Nederland was, heeft de vader de moeder – in aanwezigheid van [minderjarige] – ernstig mishandeld. De moeder heeft hiervan aangifte gedaan. De vader is door de politierechter bij vonnis van 13 april 2017 voor dit feit veroordeeld. Dit vonnis is onherroepelijk geworden. Uit zijn strafblad blijkt dat de vader in het verleden, zelfs nog in 2014, meermalen is veroordeeld voor onder meer geweld. Ondanks deze veroordelingen heeft de vader zich opnieuw schuldig gemaakt aan strafbare feiten, zo blijkt nu. Het is zorgelijk dat de vader dit alles betwist. Hiermee staat vast dat er zeer ernstige zorgen zijn over de veiligheid van de moeder en van [minderjarige] in Australië. Daar komt bij dat het voor de moeder onmogelijk is om terug te keren naar Australië nu zij daar geen inkomen en geen huisvesting meer heeft. De moeder acht de vader niet in staat voor [minderjarige] te gaan zorgen. De vader heeft tijdens het huwelijk nauwelijks voor [minderjarige] gezorgd en kan, gelet op zijn fulltime baan en beperkte netwerk in Australië, niet in staat worden geacht de volledige zorg en opvoeding van [minderjarige] op zich te nemen. Een teruggeleiding kan onder deze omstandigheden volgens de moeder slechts mogelijk zijn als maatregelen ter bescherming van [minderjarige] worden getroffen. Niet is gebleken dat de vader zich daartoe heeft ingespannen, zodat een ‘safe return’ van [minderjarige] en de moeder naar Australië niet is gewaarborgd. Mocht de rechtbank voorbijgaan aan het verweer van de moeder, dan verzoekt zij de beslissing aan te houden om het treffen van beschermingsmaatregelen mogelijk te maken.

De vader heeft een geheel andere lezing dan de moeder van de gebeurtenissen van 18 december 2016 en betwist met klem dat hij de moeder op de bewuste dag heeft mishandeld. Partijen waren een gelukkig gezin en er is geen sprake geweest van huiselijk geweld. De feiten op het strafblad zien op het verleden voordat hij een relatie met de moeder kreeg. De vader is zich ervan bewust dat hij destijds verkeerde keuzes in relaties en handelen heeft gemaakt en betreurt dit. De moeder heeft hem valselijk beschuldigd van huiselijk geweld met als doel om met [minderjarige] in Nederland te kunnen blijven, zonder hem. De overtrokken wijze waarop hij op 18 december 2016 werd gearresteerd en het feit dat er geen proces-verbaal is opgemaakt van zijn verhoor, versterken het vermoeden van de vader dat van een vooropgezet plan sprake was en vergroten zijn wantrouwen op dit punt. De strafzitting vond plaats toen de vader al lang en breed weer in Australië was, waardoor hij bij verstek is veroordeeld. Zijn kant van het verhaal is niet meegenomen, zodat niet zo zwaar mag worden getild aan het vonnis. Voor het treffen van beschermende maatregelen voor een ‘safe return’ is naar de mening van de vader geen plaats, nu er geen sprake is van enig gevaar voor de veiligheid van [minderjarige] of de moeder. Daar komt bij dat de vader gedurende het huwelijk dagelijks meedeelde in de verzorging van [minderjarige] . De vader is van mening dat niets aan een terugkeer van [minderjarige] naar Australië in de weg staat.

De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag is de rechter van de aangezochte Staat niet gehouden de terugkeer van het kind te gelasten, indien de persoon die zich tegen de terugkeer verzet, aantoont dat er een ernstig risico bestaat dat het kind door zijn terugkeer wordt blootgesteld aan een lichamelijk of geestelijk gevaar, dan wel op enigerlei andere wijze in een ondragelijke toestand wordt gebracht. De rechter van de aangezochte staat mag de in die bepaling gestelde strenge voorwaarden niet reeds vervuld achten, louter op grond van zijn oordeel dat het belang van het kind in het land van herkomst minder goed gediend is dan in het land van de aangezochte rechter. Bovendien mag hij bij de toepassing ervan niet anticiperen op een mogelijke (wijziging van een) gezagsbeslissing door de rechter van het land van herkomst na terugkeer van het kind. Het doel en de strekking van het Verdrag brengen met zich dat deze weigeringsgrond restrictief moet worden uitgelegd en slechts in extreme situaties kan worden gehonoreerd.

Ten aanzien van het door de moeder gestelde overweegt de rechtbank als volgt. Gelet op de door de moeder overgelegde aangifte en het daaropvolgende veroordelende vonnis jegens de vader, neemt de rechtbank als vaststaand aan dat de vader de moeder op 18 december 2016 heeft mishandeld met letsel in het gezicht en aan de handen tot gevolg.

Gezien de restrictieve uitleg van de weigeringsgrond, die maakt dat een beroep daarop alleen in extreme situaties kan worden gehonoreerd, staat dit gegeven aan een terugkeer van [minderjarige] naar Australië evenwel niet zonder meer in de weg. De rechtbank stelt daarbij voorop dat niet kan worden vastgesteld dat, zoals de moeder stelt, huiselijk geweld in de voorgaande jaren in Australië op structurele basis tussen de echtelieden heeft plaatsgevonden. Tegenover de gemotiveerde betwisting van de verklaring van de moeder daarover door de vader staat immers het gegeven dat de moeder in Australië geen aangifte tegen de vader heeft gedaan of op andere wijze professionele hulp ter bescherming van zichzelf en [minderjarige] heeft ingeschakeld. Het door de moeder overgelegde strafblad van de vader wijst hier in elk geval niet op nu dit niet ziet op de periode waarin partijen een relatie met elkaar hadden. Daarnaast is niet gebleken dat de veiligheid van [minderjarige] in het bijzijn van de vader in het geding is. Gesteld noch gebleken is dat de vader [minderjarige] heeft mishandeld, dat zijn boosheid en agressie op haar gericht zouden zijn geweest of dat hij haar veiligheid op enigerlei andere wijze in gevaar heeft gebracht. De moeder heeft geen feiten of omstandigheden gesteld waaruit blijkt dat een dergelijk gevaar in de nabije toekomst bij terugkeer naar Australië wel reëel dient te worden geacht.

Tot slot beschouwt de rechtbank Australië als een modern land waar voldoende hulpverlening voorhanden is om zo nodig maatregelen te treffen om de veiligheid van [minderjarige] te kunnen waarborgen. De rechtbank volgt de moeder niet in haar stelling dat de vader gehouden is beschermende maatregelen te treffen als voorwaarde voor teruggeleiding. De rechtbank weegt hierin mee dat er voldoende (juridische) voorzieningen aanwezig om de moeder in staat te stellen in Australië een zelfstandig bestaan, los van (de invloed van) de vader, te leiden. In dat verband gaat de rechtbank ook voorbij aan de stelling van de moeder dat het voor haar onmogelijk is om terug te keren naar Australië. De moeder woonde immers sinds 2011 in Australië en heeft, voordat zij de vader in 2014 leerde kennen, gedurende een jaar in haar eentje de wereld rondgereisd. In Australië, maar ook kort na haar aankomst in Nederland, heeft zij een baan weten te vinden en een sociaal netwerk weten op te bouwen. Vlak na de terugkeer van de vader naar Australië in december 2016 heeft de moeder bovendien op voortvarende wijze stappen gezet om tot een afwikkeling van de scheiding te komen, om zo snel mogelijk weer financieel onafhankelijk van de vader te worden. Dit alles schetst naar het oordeel van de rechtbank het beeld van een jonge, zelfstandige vrouw die zich in Australië, maar ook kort na de emotionele gebeurtenissen in Nederland, steeds heeft weten te redden. De rechtbank is mede gelet hierop van oordeel dat de moeder in staat moet worden geacht eventueel met hulp van instanties (opnieuw) een zelfstandig bestaan op te bouwen in Australië, onafhankelijk van de vader, en waarin de veiligheid van [minderjarige] gewaarborgd is. Het vorenstaande in onderlinge samenhang beschouwd brengt de rechtbank tot het oordeel dat het beroep van de moeder op de weigeringsgrond van artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag faalt.

Weigeringsgrond ex artikel 20 van het Verdrag

Tot slot stelt de moeder dat de teruggeleiding van [minderjarige] naar Australië in strijd is met artikel 20 van het Verdrag.

Ingevolge artikel 20 van het Verdrag kan de terugkeer van het kind overeenkomstig het bepaalde in artikel 12 van het Verdrag worden geweigerd wanneer deze op grond van de fundamentele beginselen van de aangezochte Staat betreffende de bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden niet zou zijn toegestaan. Deze bepaling ziet op uitzonderlijke gevallen waarin wordt aangetoond dat het kind in de staat van herkomst dreigt te worden tekort gedaan in de bescherming van de mensenrechten en fundamentele vrijheden. Voorts worden de fundamentele rechten van kinderen (en ouders) geacht te zijn geïncorporeerd in het Verdrag. Een aparte toetsing van het belang van het kind in het kader van artikel 8 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in samenhang met het Verdrag kan niet aan de orde zijn.

Los van het feit dat de moeder haar beroep op deze weigeringsgrond niet nader heeft onderbouwd, is ook overigens niet gebleken dat sprake is van omstandigheden die een beroep op deze weigeringsgrond kunnen rechtvaardigen. Zo is het de rechtbank niet gebleken dat door toewijzing van het verzoek tot teruggeleiding afbreuk wordt gedaan aan het belang van [minderjarige] , dat ook in zaken van internationale kinderontvoering voorop staat. De rechtbank merkt hierbij op dat – zoals in het voorgaande al is overwogen – niet is komen vast te staan dat [minderjarige] bij terugkeer naar Australië (langdurig) van haar moeder zal worden gescheiden. Het beroep van de moeder op deze weigeringsgrond slaagt dus evenmin.

Onmiddellijke terugkeer

Nu er geen sprake is van de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 en 20 van het Verdrag, terwijl er minder dan een jaar is verstreken tussen de ongeoorloofde vasthouding van [minderjarige] en de indiening van het verzoekschrift, dient ingevolge artikel 12 lid 1 van het Verdrag de onmiddellijke terugkeer van [minderjarige] te volgen.

Ingevolge artikel 13 lid 5 van de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering schorst een eventueel hoger beroep de tenuitvoerlegging van de beschikking, tenzij de rechter in het belang van het kind op verzoek of ambtshalve anders bepaalt. De rechtbank acht het wenselijk dat [minderjarige] een eventuele uitspraak in hoger beroep in Nederland kan afwachten en zal het verzoek van de vader om de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren afwijzen. De rechtbank zal de terugkeer gelasten op uiterlijk 14 september 2017, zijnde de eerste dag na afloop van de termijn waarbinnen hoger beroep tegen onderhavige beslissing kan worden ingediend.

Kosten

De vader verzoekt te bepalen dat de moeder de door hem gemaakte en nog te verwachten kosten in verband met de achterhouding en teruggeleiding van [minderjarige] aan hem dient te betalen. De vader heeft de proceskosten becijferd op € 5.299,-, exclusief BTW.

De rechtbank stelt voorop dat ingevolge artikel 26 lid 4 van het Verdrag en artikel 13 lid 5 van de Uitvoeringswet de moeder, zo nodig, kan worden veroordeeld tot betaling van de door de vader gemaakte noodzakelijke kosten in verband met de ontvoering en teruggeleiding van [minderjarige] . Nu de moeder de door de vader gestelde kosten niet heeft betwist, zal de rechtbank daarvan uitgaan. De rechtbank zal de moeder – als persoon die voor de internationale kinderontvoering van [minderjarige] verantwoordelijk is – veroordelen om de kosten tot een bedrag van € 5.299,-- aan de vader te voldoen.

Het vorenstaande leidt tot de volgende beslissing.

(alleen opnemen indien kostenveroordeling is verzocht)

Beslissing

De rechtbank:

gelast de terugkeer van de minderjarige:

- [minderjarige] geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , Australië,

naar Australië uiterlijk op 14 september 2017, waarbij de moeder [minderjarige] dient terug te brengen naar Australië en beveelt, indien de moeder nalaat [minderjarige] terug te brengen naar Australië, dat de moeder [minderjarige] met de benodigde geldige reisdocumenten aan de vader zal afgeven uiterlijk op 14 september 2017, opdat de vader [minderjarige] zelf mee terug kan nemen naar Australië;

veroordeelt de moeder tot betaling aan de vader van de door hem gemaakte kosten in verband met de ontvoering en teruggeleiding ter hoogte van € 5.299,- (zegge: vijfduizend tweehonderd negenennegentig euro);

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. H.M. Boone, O.F. Bouwman en J.Th.W. van Ravenstein, tevens kinderrechters, bijgestaan door mr. K. Willems als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 augustus 2017.

Van deze beschikking kan -voor zover er definitief is beslist- hoger beroep worden ingesteld binnen twee weken (artikel 13 lid 7 Uitvoeringswet internationale kinderontvoering) na de dag van de uitspraak door indiening van een beroepschrift ter griffie van het Gerechtshof Den Haag. In geval van hoger beroep zal de terechtzitting bij het hof - in beginsel - plaatsvinden in de derde of vierde week na deze beslissing.