Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:9819

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
31-08-2017
Datum publicatie
31-08-2017
Zaaknummer
09-827139-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor artikel 6 WVW met dodelijk slachtoffer en 8 WVW.

Méér dan aanmerkelijk, namelijk zeer onoplettend en onachtzaam gehandeld door onder invloed van GHB en amfetamine de weg op te gaan. Verdachte is in 2014 ook veroordeeld voor art 6 WVW met dodelijk slachtoffer.

Gevangenisstraf van 36 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren met als bijzondere voorwaarden

een meldplicht, behandelverplichting en een drugsverbod en tot een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 10 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/827139-17

Datum uitspraak: 31 augustus 2017

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1994 te [geboorteplaats] ,

BRP-adres: [adres] te [geboorteplaats]

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting Krimpen aan den IJsel, huis van bewaring “De IJsel”, te Krimpen aan den IJsel.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzittingen van 13 juni 2017 (pro forma) en 17 augustus 2017.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. D. Kortekaas en van hetgeen door de raadsvrouw van verdachte mr. J. Grabowsky, advocaat te Den Haag, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 15 februari 2017 te Waddinxveen als verkeersdeelnemer,

namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, te weten een personenauto,

daarmede rijdende over de weg, de Beijerincklaan (N453) ter hoogte van

hectometerpaal 2,3 en gaande in de richting van de Rijksweg A12, zich zodanig

heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft

plaatsgevonden door zeer, althans aanmerkelijk, onoplettend en/of onachtzaam:

- op voornoemde weg te rijden terwijl hij drugs had gebruikt en/of (vervolgens)

- onvoldoende aandachtig en/of bewust te rijden, althans onvoldoende aandacht

voor de weg vóór hem te hebben, en/of

- zijn motorrijtuig naar links te sturen, althans niet zoveel mogelijk rechts

te houden, althans op zodanige wijze te sturen, althans te rijden, dat hij

het door hem bestuurde motorrijtuig niet voortdurend onder controle heeft

gehad,

waardoor zijn motorrijtuig via de rijbaan die bestemd is voor tegemoetkomend

verkeer in de linker berm terecht is gekomen, en/of waarbij het motorrijtuig

een greppel en/of een kleine boom en/of een schakelkast heeft geraakt en/of

waardoor zijn motorrijtuig op de rechterzijde terecht is gekomen en/of ten

gevolge waarvan het motorrijtuig tegen een boom tot stilstand is gekomen,

waardoor een ander te weten de passagier in dat motorrijtuig ( [slachtoffer]

) werd gedood,

terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8,

eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, in die zin dat verdachte verkeerde

onder zodanige invloed van een of meerdere stof(fen), te weten GHB

(gamma-hydroxyboterzuur) en/of amfetamine, waarvan hij wist of redelijkerwijs

moest weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het

gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kan verminderen, dat hij niet

tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht;

Art. 6 jo. art. 175 lid 1 sub a en lid 3 WVW1994

art 6 Wegenverkeerswet 1994

subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een

veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 15 februari 2017 te Waddinxveen als bestuurder van een

voertuig (auto), daarmee rijdende op de weg, de Beijerincklaan (N453), als

volgt heeft gehandeld:

- op voornoemde weg heeft gereden terwijl hij drugs had gebruikt en/of

(vervolgens)

- onvoldoende aandachtig en/of bewust heeft gereden, althans onvoldoende

aandacht voor de weg vóór hem heeft gehad en/of

- zijn motorrijtuig naar links heeft gestuurd, althans niet zoveel mogelijk

rechts heeft gehouden, althans op zodanige wijze te sturen, althans te rijden,

dat hij het door hem bestuurde motorrijtuig niet voortdurend onder controle

heeft gehad,

waardoor zijn motorrijtuig via de rijbaan die bestemd is voor tegemoetkomend

verkeer in de linker berm terecht is gekomen, en/of waarbij het motorrijtuig

een greppel en/of een kleine boom en/of een schakelkast heeft geraakt en/of

waardoor zijn motorrijtuig op de rechterzijde terecht is gekomen en/of ten

gevolge waarvan het motorrijtuig tegen een boom tot stilstand is gekomen,

waardoor een ander te weten de passagier in dat motorrijtuig ( [slachtoffer]

) werd gedood en/of door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die

weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die

weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

art 5 Wegenverkeerswet 1994

2.

hij op of omstreeks 15 februari 2017 te Waddinxveen als bestuurder van een

voertuig, (auto), dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij verkeerde onder

zodanige invloed van (een) stof(fen), te weten GHB Gamma-hydroxyboterzuur

en/of Amfetamine, waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten, dat het

gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere

stof - de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen

in staat moest worden geacht;

art 8 lid 1 Wegenverkeerswet 1994

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding1

Deze zaak gaat over een ongeval dat heeft plaatsgehad in de nacht van dinsdag op woensdag 15 februari 2017 in Waddinxveen waarbij [slachtoffer] is overleden.

Daarbij kunnen de volgende feiten op grond van de gebruikte bewijsmiddelen als vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten hebben ter terechtzitting niet ter discussie gestaan en kunnen zonder nadere motivering als vertrekpunt voor de beoordeling van de bewijsvraag dienen.

De verdachte en [slachtoffer] waren die avond samen en hebben op enig moment midden in de nacht besloten om wat te eten te gaan halen met de auto. Zij hebben eerst twee vrienden naar huis gebracht. Nadat zij bedachten dat alles rond dat tijdstip gesloten zou zijn, zijn zij weer naar huis gereden. De verdachte reed in die nacht van 15 februari 2017 kort voor 05.00 uur als bestuurder van een auto op de provinciale weg de Beijerincklaan (N453) te Waddinxveen in de richting van de Rijksweg A12.2 [slachtoffer] zat als bijrijder bij hem in de auto.3 De verdachte is met zijn voertuig ter hoogte van hectometerpaal 2,2 over de andere weghelft gereden en vervolgens van de weg gereden en in de linkerberm (greppel)4 beland. Daar heeft de auto een boompje en een schakelkast geraakt. De auto is op de rechterzijkant terechtgekomen en is vervolgens liggend op die zijkant tegen een boom tot stilstand gekomen ter hoogte van hectometerpaal 2,3.5 Als gevolg van dit ongeval is [slachtoffer] overleden.6 De verdachte heeft voorafgaand hieraan in ieder geval de drug GHB gebruikt.7 In het bloed van verdachte zijn concentraties van GHB, amfetamine, THC en omzettingsproducten van cocaïne en cannabis aangetroffen.8

De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden, is of de verdachte een strafrechtelijk verwijt kan worden gemaakt met betrekking tot dit tragische ongeval. Daarbij is allereerst van belang vast te stellen of de verdachte schuld - in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW) - heeft aan het ongeval dat tot de dood van [slachtoffer] heeft geleid (feit 1 primair). Zo ja, dan moet daarbij ook de strafrechtelijke gradatie van schuld worden vastgesteld, te weten of sprake was van aanmerkelijk onoplettend en/of onachtzaam gedrag of van zeer onoplettend en/of onachtzaam gedrag. Als de rechtbank niet komt tot het oordeel dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW, dan moet de vraag beantwoord worden of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan gedrag dat gevaar of hinder veroorzaakt op de weg of in het verkeer in de zin van artikel 5 WVW (feit 1 subsidiair).

Ten slotte moet de rechtbank beoordelen of de verdachte heeft gereden onder invloed van verdovende middelen (art. 8 WVW, feit 2).

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 primair ten laste gelegde waarbij zij zich op het standpunt heeft gesteld dat, gelet op de combinatie van drugs die de verdachte heeft gebruikt en de onverklaarbare manoeuvre die hij heeft gemaakt, sprake is van schuld in de mate van zeer onoplettend en onachtzaam gedrag. Daarnaast heeft de officier van justitie gerekwireerd tot bewezenverklaring van het rijden onder invloed van verdovende middelen (feit 2).

3.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit feit 1 primair en subsidiair ten laste gelegde. De raadsvrouw heeft betoogd dat het enkele drugsgebruik van de verdachte onvoldoende is voor het aannemen van schuld in de zin van artikel 6 WVW. Nu voor het overige volstrekt onduidelijk is gebleven waarom de auto van verdachte van de weg is geraakt, kan noch schuld, noch het veroorzaken van gevaar worden bewezen, aldus de raadsvrouw. De verdediging heeft zich voor het rijden onder invloed van verdovende middelen (feit 2) gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging9

ten aanzien van het onder 1 primair tenlastegelegde:

Over de toedracht van het ongeluk heeft de verdachte verklaard dat hij zich nog kan herinneren dat hij ribbels aan de rechterzijde van zijn weghelft voelde en dat hij naar links heeft gestuurd.10 Daarna laat de herinnering van de verdachte hem in de steek, zo heeft hij verklaard. Uit het onderzoek naar de toedracht komt naar voren dat de auto van de verdachte aan de linkerkant van de weg, op vier wielen, in de berm is gereden. Ook blijkt dat sporen van het uít de berm sturen – die veelal te zien zijn in dit soort gevallen – ontbreken. Daarbij worden in de bandensporen in de berm geen kenmerken gezien die duiden op een remming.11 Ook uit het aanvullende onderzoek dat is gedaan aan de airbagmodule volgt niet dat er is geremd voorafgaande aan de daadwerkelijke botsing.12 Ten slotte blijkt uit de verkeersongevallenanalyse dat er geen gebreken of bijzonderheden met betrekking tot de weersgesteldheid, het wegdek en de verkeerssituatie zijn gezien die mogelijk van invloed zijn geweest op het ontstaan dan wel het verloop van het ongeval.13

Uit toxicologisch onderzoek van het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) volgt dat de verdachte - onder meer - amfetamine en GHB, in zijn bloed had. De concentratie amfetamine bedroeg 0,11 milligram amfetamine per liter bloed en de concentratie van GHB bedroeg 44 milligram per liter bloed. Een werkzame concentratie amfetamine begint blijkens het rapport van het NFI bij 0.03 milligram per liter en een dergelijke concentratie kan de rijvaardigheid nadelig beïnvloeden door onder andere verminderde oplettendheid en onjuiste risico-inschatting. Volgens het NFI treedt bij gebruik van GHB in de concentratie tussen 10 en 55 milligram per liter bloed in het algemeen (lichte) duizeligheid en sufheid op. Op grond van deze concentraties komt de onderzoeker van het Nederlands Forensisch Instituut tot de conclusie dat de rijvaardigheid bij de verdachte waarschijnlijk nadelig beïnvloed was door amfetamine en GHB. Dat is de hoogste schaal van waarschijnlijkheid bij de door het NFI gehanteerde conclusieschaal.14

Verdachte is zich ook zelf bewust geweest van het gevaar van drugs in het verkeer. Hij heeft ter terechtzitting van 17 augustus 2017 verklaard dat hij normaalgesproken niet rijdt na drugsgebruik en dat hij het stom van zichzelf vindt. 15

De rechtbank is van oordeel dat de verdachte zich méér dan aanmerkelijk, namelijk zeer onoplettend en onachtzaam in het verkeer heeft gedragen door midden in de nacht onder invloed van deze hoeveelheden drugs de weg op te gaan. Gelet op de door het NFI genoemde effecten van deze drugs, die in werkzame hoeveelheden en in combinatie met elkaar in het bloed van verdachte zijn aangetroffen, was de verdachte volstrekt niet in staat om auto te rijden. Daarbij heeft hij, zonder dat daarvoor enige aanleiding was, anders dan het voelen van de ribbels aan de rechterzijkant van de weg, zijn auto zover naar links gestuurd dat hij over de middenstreep en de andere weghelft is gereden en uiteindelijk, in de linkerberm terecht is gekomen. Dat is, zo leidt de rechtbank uit het sporenonderzoek en de bijbehorende foto’s tevens af, geen scherpe bocht geweest, maar eerder een flauwe bocht naar links, zodat een normaal oplettende bestuurder tijd en gelegenheid zou hebben gehad om te corrigeren. Verdachte heeft evenwel niet die correctiehandelingen verricht die bij een oplettende bestuurder wel zijn te verwachten, zoals remmen of bijsturen. Hij heeft zijn auto zodanig onvoldoende onder controle gehad, dat deze in de linkerberm in de greppel eerst een boom en een elektriciteitskast heeft geraakt en uiteindelijk op zijn rechterzijkant is geraakt en tegen een boom tot stilstand is gekomen. Dit handelen, in het bijzonder het niet adequaat reageren en corrigeren, past naar het oordeel van de rechtbank bij een bestuurder die onder invloed van middelen verkeert.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten ongeval heeft plaatsgevonden waardoor een ander is gedood. De gradatie van schuld bestaat naar het oordeel van de rechtbank uit zeer onoplettend en onachtzaam gedrag, nu uit het handelen van verdachte, zoals hierboven uiteen is gezet, blijkt van een grotere mate van onvoorzichtigheid en onoplettendheid dan het maken van een of meer verkeersfouten.

ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde:

Gelet op het hierboven genoemde rapport van het NFI en de verklaring van de verdachte ter terechtzitting16 acht de rechtbank eveneens wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte heeft gereden onder invloed van verdovende middelen zoals strafbaar is gesteld in artikel 8, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat:

1.

hij op 15 februari 2017 te Waddinxveen als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, te weten een personenauto, daarmede rijdende over de weg, de Beijerincklaan (N453) ter hoogte van hectometerpaal 2,3 en gaande in de richting van de Rijksweg A12, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer onoplettend en onachtzaam:

- op voornoemde weg te rijden terwijl hij drugs had gebruikt en

- onvoldoende aandachtig en bewust te rijden en

- zijn motorrijtuig naar links te sturen en het door hem bestuurde motorrijtuig niet voortdurend onder controle heeft gehad,

waardoor zijn motorrijtuig via de rijbaan die bestemd is voor tegemoetkomend verkeer in de linker berm terecht is gekomen, en waarbij het motorrijtuig een greppel en een kleine boom en een schakelkast heeft geraakt en waardoor zijn motorrijtuig op de rechterzijde terecht is gekomen en ten gevolge waarvan het motorrijtuig tegen een boom tot stilstand is gekomen,

waardoor een ander te weten de passagier in dat motorrijtuig ( [slachtoffer]

) werd gedood,

terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, in die zin dat verdachte verkeerde onder zodanige invloed van meerdere stoffen, te weten GHB (gamma-hydroxyboterzuur) en amfetamine, waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kan verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht

2.

hij op 15 februari 2017 te Waddinxveen als bestuurder van een voertuig, (auto), dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van stoffen, te weten GHB Gamma-hydroxyboterzuur en Amfetamine, waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden wordt opgelegd, met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, waarvan 4 maanden voorwaardelijk. Daarbij heeft de officier van justitie geëist dat daarbij de bijzondere voorwaarden van een drugsverbod, ambulante behandelverplichting en verplicht reclasseringscontact (meldplicht) worden opgelegd zoals door de reclassering is geadviseerd.

Daarnaast heeft officier van justitie geëist dat aan de verdachte een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 5 jaar met aftrek van de tijd waarin het rijbewijs al ingevorderd en ingehouden is geweest wordt opgelegd.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich gelet op het pleidooi voor vrijspraak niet uitgelaten over de hoogte van de straf. De verdediging heeft wel bepleit dat het van belang is dat de hulpverlening snel wordt opgestart.

Voor wat betreft de duur van de ontzegging van de rijbevoegdheid heeft de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank gerefereerd.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf en bijkomende straf zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

De verdachte heeft onder invloed van drugs een verkeersongeval veroorzaakt waarbij zijn passagier [slachtoffer] , zijn beste vriend van nog maar 20 jaar oud, is overleden. Het leed dat de verdachte daarmee heeft veroorzaakt is groot en onherstelbaar en zal tot in lengte van dagen haar sporen nalaten bij de nabestaanden, zoals ook naar voren is gekomen in de verklaringen die de vader en de zus van [slachtoffer] ter terechtzitting hebben afgelegd. Ook voor de omwonenden en de maatschappij als geheel brengt een dergelijk feit veel onrust en gevoelens van angst met zich. De rechtbank is zich ervan bewust dat geen enkele straf het leed dat is veroorzaakt kan compenseren.

De rechtbank heeft met betrekking tot de persoon van de verdachte acht geslagen op het rapport van psychologisch onderzoek van 26 mei 2017 bij de verdachte. De psycholoog concludeert dat de verdachte niet lijdt aan een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling, dat de verdachte als volledig toerekeningsvatbaar kan worden beschouwd en dat de invloed van middelen als meest belangrijke risicofactor naar voren komt. De psycholoog adviseert een verplicht reclasseringscontact om de verdachte toe te leiden naar een ambulante hulp bij een GGZ-instelling, zoals “de Waag”, ter verwerking van de meegemaakte gebeurtenissen en de gevolgen daarvan voor zijn persoonlijke leven. De psycholoog heeft daarbij opgemerkt dat dit mede wordt geadviseerd vanwege het maatschappelijk belang wat zou kunnen spelen op het moment dat de verdachte een en ander niet goed heeft verwerkt en zich teveel verliest in bijvoorbeeld overmatig middelengebruik en mogelijke opgebouwde frustratie naar buiten toe afreageert.

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op het rapport van de reclassering van 16 augustus 2017. De reclassering ziet druggebruik, emotioneel welzijn en denkpatronen als criminogene factoren. Volgens de reclassering is een adequate rouwverwerking van belang om de kans op een negatieve maatschappelijke ontwikkeling op lange termijn te voorkomen, wat de kans op recidive vergroot. De reclassering adviseert om een drugsverbod op te leggen omdat de dempende functie van drugs de rouw- en traumaverwerking kan frustreren. De reclassering adviseert daarnaast een verplichte behandeling, gelet op de directe samenhang tussen de persoonlijkheid van de verdachte, zijn middelengebruik en het criminele gedrag. Om uitvoering te geven aan het drugsverbod en de verplichte behandeling adviseert de reclassering ook een verplicht reclasseringscontact (een meldplicht). De reclassering heeft geadviseerd deze verplichte behandeling en de meldplicht als bijzondere voorwaarden te verbinden aan een voorwaardelijk strafdeel en deze voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

De rechtbank heeft tevens acht geslagen op de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. De rechtbank is van oordeel dat dit, de ernst van het feit en de recidive onvoldoende tot uitdrukking komen in de eis van officier van justitie.

Blijkens het de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 2 maart 2017 is de verdachte meermalen veroordeeld voor verkeersfeiten waaronder het rijden zonder rijbewijs. Het meest in het oog springend is de veroordeling voor dood door schuld in het verkeer in 2014. De verdachte die pas 22 jaar oud is, heeft eerder een verkeersongeval veroorzaakt waarbij een vriend van hem is overleden. Hij heeft toen - zo blijkt uit het rapport van de reclassering - als bestuurder van een scooter, met zijn vriend achterop op een spoorwegovergang een botsing veroorzaakt met een passerende trein. Beide ongevallen kenmerken zich naar het oordeel van de rechtbank door de omstandigheid dat de verdachte het niet zo nauw neemt met de regels die gelden in het verkeer. Beide ongevallen kenmerken zich daarnaast door de risico’s die de verdachte bereid is te nemen in het verkeer. Bij de eerdere veroordeling heeft de verdachte een ontzegging van de rijbevoegdheid opgelegd gekregen voor de duur van twee jaar. Verdachte heeft in december 2016 zijn (auto)rijbewijs gehaald. Voorafgaand daaraan, in oktober 2016, heeft hij echter ook nog een keer in een auto gereden zonder rijbewijs. Twee maanden na het behalen van zijn rijbewijs heeft dit ongeval plaatsgehad waarbij de verdachte, zoals eerder vermeld, met heel veel drugs op in de auto is gestapt. Hoe de verdachte hiertoe is gekomen, is nauwelijks te bevatten. De fatale afloop van een eerder door hem veroorzaakt ongeval, waarbij zijn vriend is overleden, heeft hem er kennelijk niet van weerhouden om wederom grote risico’s te nemen in het verkeer en daarmee de veiligheid van zijn medeweggebruikers en passagiers op het spel te zetten.

Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van een langere duur dan door de officier is gevorderd een passende reactie vormt. Daarbij ziet de rechtbank, dit alles overziend, zonder meer de noodzaak om de verdachte de langst mogelijke ontzegging van de rijbevoegdheid op te leggen. Nu de verdachte er kennelijk niet voor terugdeinst om ook zonder rijbewijs een auto te besturen zal de rechtbank daarnaast een gevangenisstraf in voorwaardelijke vorm opleggen, teneinde ook op die manier de kans op herhaling zoveel mogelijk te verkleinen.

Daarnaast baart het de rechtbank zorgen dat de verdachte, die zelf verklaard heeft alleen in de weekenden drugs te gebruiken, drugs heeft gebruikt op een doordeweekse avond en, sterker nog, het hem ook nu tijdens detentie niet lukt om drugsvrij te zijn, naar zijn zeggen omdat hij nu veel aan zijn hoofd heeft. Kennelijk zoekt de verdachte in moeilijke omstandigheden zijn heil in het gebruik van middelen. Daarom is een drugsverbod, mede gezien de bevindingen van de psycholoog hierover, naar het oordeel van de rechtbank aangewezen. Ook daarvoor dient het voorwaardelijk deel van opgelegde gevangenisstraf waarbij het drugsverbod als bijzondere voorwaarde zal worden opgelegd. Ten slotte zal de rechtbank ook de ambulante behandelverplichting en de meldplicht, zoals is geadviseerd, als bijzondere voorwaarden opleggen. Gelet op de duur van het onvoorwaardelijk deel van de op te leggen gevangenisstraf ziet de rechtbank geen aanleiding deze voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren zoals door de reclassering is verzocht.

7 De vordering van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

ten aanzien van de vordering van [naam 1]

[naam 1] , nabestaande van het slachtoffer, heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 8.016,62.

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot volledige toewijzing van de vordering van de benadeelde partij met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij bepleit, gelet op de hoogte en complexiteit van de vordering.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van een (te) complexe vordering. De gevorderde schade betreft de kosten van de uitvaart en reiskosten, welke kosten voldoende zijn onderbouwd door de benadeelde partij. Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde feit. De rechtbank zal derhalve de vordering, die door de verdediging niet inhoudelijk is betwist, toewijzen tot een bedrag van € 8.016,62.

De rechtbank zal voorts de gevorderde wettelijke rente toewijzen, nu vast is komen te staan dat de schade met ingang van 15 februari 2017 is ontstaan.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu verdachte jegens [naam 1] , nabestaande van het slachtoffer, naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 1 primair bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 8.016,62, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 15 februari 2017 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [naam 1] .

ten aanzien van de vordering van [naam 2]

[naam 2] , nabestaande van het slachtoffer, heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 8.435,-

7.4

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat deze vordering, gelet op het karakter van een begroting van het schadebedrag van de uitvaart, niet als vordering kan worden beschouwd en als zodanig geen beslissing behoeft.

7.5

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich gelet op het standpunt van de officier van justitie niet uitgelaten over deze vordering.

7.6

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij afwijzen aangezien het een begroting van een schadebedrag voor de uitvaart betreft en de gefactureerde daadwerkelijke kosten van de uitvaart door [naam 1] zijn betaald en gevorderd.

Dit brengt mee, dat de rechtbank de kosten die in verband met deze vordering zijn gemaakt zal compenseren door te bepalen dat de verdachte en de benadeelde partij ieder de eigen kosten dragen.

8 De inbeslaggenomen goederen

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich niet uitgelaten over het beslag.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich niet uitgelaten over het beslag.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal het op de beslaglijst vermelde voorwerp, te weten de Renault Twingo met kenteken [naam 2] , verbeurdverklaren.

Dit voorwerp is voor verbeurdverklaring vatbaar aangezien dit voorwerp aan verdachte toebehoort en met behulp van dit voorwerp het onder 1 bewezenverklaarde feit is begaan.

Bij de vaststelling van deze bijkomende straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

9 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en bijkomende straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:

- 14 a, 14b, 14c, 33, 33a, 36f en 55 van het Wetboek van Strafrecht;

- 6, 8, 175, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994;

-

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1 primair en 2 tenlastegelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

eendaadse samenloop van

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994;

en

overtreding van artikel 8, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 36 (zesendertig) maanden;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 12 (twaalf) maanden, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de hierbij op drie jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- ter vaststelling van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich gedurende de proeftijd meldt bij de GGZ Reclassering Palier aan de Witte Singel 8 te Leiden op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zolang de reclassering dat noodzakelijk acht;

- zich gedurende de proeftijd onthoudt van het gebruik van verdovende middelen en zich verplicht ten behoeve van de naleving van dit verbod mee te werken aan bloedonderzoek en/of urineonderzoek, zolang de reclassering dat noodzakelijk acht;

- zich gedurende de proeftijd onder behandeling stelt van de forensische polikliniek De Waag, of een vergelijkbare instelling, op de tijden en plaatsen als door of namens die instelling aan te geven, teneinde zich te laten behandelen voor delictpreventie, middelengebruik en rouw- en traumaverwerking;

geeft opdracht aan GGZ Reclassering Palier tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

veroordeelt de verdachte ter zake van feit 1 voorts tot:

- ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor 10 (tien) jaren;

bepaalt, dat de tijd, dat het rijbewijs vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak reeds ingevorderd of ingehouden is geweest bij de uitvoering van de hem onvoorwaardelijk opgelegde ontzegging geheel in mindering zal worden gebracht;

de vordering van de benadeelde partij [naam 1] :

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam 1] toe en veroordeelt verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [naam 1] , een bedrag van € 8.016,62, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 15 februari 2017 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 8.016,62 ten behoeve van het slachtoffer [naam 1] ;

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 75 dagen;

bepaalt dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

de vordering van de benadeelde partij [naam 2] :

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij af;

bepaalt dat de benadeelde partij en verdachte ieder de eigen kosten dragen;

ten aanzien van de inbeslaggenomen auto:

verklaart verbeurd het op de beslaglijst vermelde voorwerp, te weten: Renault Twingo met kenteken [naam 2] .

Dit vonnis is gewezen door

mr. M. Rootring, voorzitter,

mr. M.J.J. Visser, rechter,

mr. R.E. Perquin, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. S. Kramer en M.H.W. Verhoeven, griffiers,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 31 augustus 2017.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2017043817, van de politie eenheid Den Haag, district Alphen aan den Rijn - Gouda , met bijlagen (doorgenummerd blz. 1 t/m 175)

2 Proces-verbaal van voorlopige verkeersongevallenanalyse, p. 22 onder 4 en proces-verbaal van verhoor verdachte, p 124, vierde en vijfde alinea

3 Proces-verbaal van voorlopige verkeersongevallenanalyse, p. 22 onder 5 en proces-verbaal van verhoor verdachte p. 124, vierde alinea

4 Proces-verbaal van voorlopige verkeersongevallenanalyse, p. 22 onder 4 en proces-verbaal van verhoor verdachte p. 124, vijfde alinea, eerste zin

5 Proces-verbaal van voorlopige verkeersongevallenanalyse, p. 22 onder 4 en 5

6 Proces-verbaal aanrijding misdrijf, p. 7 en schouwverslag d.d. 15 februari 2017 van A. de Booij- Fuite , forensisch arts KNMG

7 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 125

8 Toxicologisch onderzoek van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 24 februari 2017 door dr. B.E. Smink , apotheker-toxicoloog

9 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2017043817, van de politie eenheid Den Haag, district Alphen aan den Rijn - Gouda , met bijlagen (doorgenummerd blz. 1 t/m 175).

10 Verklaring verdachte ter terechtzitting van 17 augustus 2017

11 Proces-verbaal van voorlopige verkeersongevallenanalyse, p. 19-53

12 Aanvullend proces-verbaal van verkeersongevallenanalyse, p. 160 onder B

13 Proces-verbaal van voorlopige verkeersongevallenanalyse, p. 19-53

14 Toxicologisch onderzoek van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 24 februari 2017 door dr. B.E. Smink , apotheker-toxicoloog, p. 70-73

15 Verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 17 augustus 2017

16 Zie de noten 10 en 16