Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:9816

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
31-08-2017
Datum publicatie
31-08-2017
Zaaknummer
09-787001-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Jeugdzaak. Veroordeling ter zake van de opzettelijke brandstichting in een pand in gebruik bij Sportvereniging RKDEO te Nootdorp tot deels voorwaardelijke jeugddetentie met bijzondere voorwaarden waaronder een behandelverplichting bij de Waag en begeleiding ITB Harde Kern van de jeugdreclassering. Daarnaast een werkstraf en oplegging van de vrijheidsbeperkende maatregel, inhoudende onder meer een gebiedsverbod op het terrein van RKDEO en een gebod om tijdens de komende 2 jaarwisselingen binnen te blijven

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummer 09/787001-17; 09/852127-17 (ttz.gev.)

Datum uitspraak: 31 augustus 2017

Tegenspraak

(verkort vonnis)

De rechtbank Den Haag, rechtdoende in jeugdstrafzaken, heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaken van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te ’ [geboorteplaats] op [geboortedag] 2000,

[adres] .

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting met gesloten deuren op 18 mei 2017 en

17 augustus 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. R.P. Tuinenburg en van hetgeen door de raadsvrouw van de verdachte mr. N. Harlequin, advocaat te Den Haag, door de verdachte, door de ter terechtzitting verschenen deskundigen en door de ter terechtzitting verschenen vertegenwoordigers van de benadeelde partij naar voren is gebracht.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van de hem bij (gewijzigde) dagvaarding met parketnummer 09/787001-17 onder 1 primair en onder 2 ten laste gelegde feiten en het bij dagvaarding met parketnummer 09/852127-17 ten laste gelegde feit wordt veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van 240 dagen met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, waarvan 120 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de jeugdreclassering, het deelnemen aan ITB Harde Kern, het volgen van behandeling bij De Waag, het volgen van onderwijs, een contactverbod met de medeverdachten en een gebod thuis te blijven tijdens de jaarwisselingen van 20.00 uur tot 08.00 uur.

Daarnaast is gevorderd de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid op te leggen en te bevelen dat de verdachte zich niet ophoudt op het terrein van de R.K. sportvereniging Door Eendracht Omhoog (RKDEO) voor de duur van de proeftijd.

De officier van justitie heeft verzocht de dadelijke uitvoerbaarheid van de voorwaarden, het toezicht en de vrijheidsbeperkende maatregel te gelasten.

Tot slot is verzocht om aan de verdachte op te leggen een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 120 uren, waarbij de officier van justitie zich niet heeft uitgelaten over de duur van de vervangende jeugddetentie.

De tenlastelegging.

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging inzake parketnummer 09/787001-17 ter terechtzitting van 17 augustus 2017 - ten laste gelegd dat:

t.a.v. 09/787001-17:

1.

hij op of omstreeks 1 januari 2017 te Nootdorp, gemeente Pijnacker-Nootdorp, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met een brandbom, althans vuurwerk (een Cobra) en/of een (fles inhoudende) brandbare vloeistof, althans met een brandbare stof, ten gevolge waarvan een pand van/in gebruik bij sportvereniging RKDEO, gelegen [adres] , en/of in dat pand aanwezige inboedel geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor dat pand en die inboedel, in elk geval gemeen gevaar voor goederen te duchten was;

subsidiair, indien het bovenstaande niet tot een bewezenverklaring kan leiden:

[medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] op of omstreeks 1 januari 2017 te Nootdorp, gemeente Pijnacker-Nootdorp, tezamen en in vereniging met elkaar, althans alleen, opzettelijk brand hebben/heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met een brandbom, althans vuurwerk (een Cobra) en/of een (fles inhoudende) brandbare vloeistof, althans met een brandbare stof, ten gevolge waarvan een pand van/in gebruik bij sportvereniging RKDEO, gelegen [adres] , en/of in dat pand aanwezig inboedel geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor dat pand en die inboedel, in elk geval gemeen gevaar voor goederen te duchten was, bij het plegen van welk misdrijf verdachte toen en daar opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest door de omgeving van dat pand te verkennen en/of op de uitkijk te gaan staan en/of blijven staan

2.

hij op of omstreeks 1 januari 2017 te Nootdorp, gemeente Pijnacker-Nootdorp, openlijk, te weten op of aan de openbare weg, [adres] , in elk geval op of aan een openbare weg en/of voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een pand, gelegen [adres] , van/in gebruik bij sportvereniging RKDEO en/of de in dat pand aanwezige inboedel, welk geweld bestond uit

- het lopen in de richting van dat pand en/of het verkennen van de omgeving en/of

- het tegen, althans in de onmiddellijke nabijheid van dat pand (aan)zetten/plaatsen/schuiven van een bloembak en/of

- het tegen en/of op die bloembak in de onmiddellijke nabijheid van dat pand (aan)zetten/plaatsen en/of van een brandbom, althans vuurwerk (een Cobra) en/of een (fles inhoudende) brandbare vloeistof en/of

- het gooien van een brandbom, althans vuurwerk (een Cobra) en/of een (fles inhoudende) brandbare vloeistof, in en/of in de richting van dat pand en/of

- het tot ontploffing brengen van die brandbom, althans dat vuurwerk (een cobra) en/of (die fles inhoudende) een brandbare stof, in elk geval het in aanraking brengen met (open) vuur met dat pand en/of de in dat pand aanwezige inboedel en/of

- voornoemd strafbaar feit te filmen,

terwijl hij, verdachte, deze vernieling opzettelijk heeft gepleegd;

t.a.v. 09/852127-17:

hij op of omstreeks 23 januari 2015 te Nootdorp, gemeente Pijnacker-Nootdorp,

[slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] (meermalen) naar de grond te trekken en/of te duwen en/of de capuchon van de jas van die [slachtoffer] om haar hoofd vast te snoeren.

Vrijspraak.

De rechtbank acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte bij dagvaarding met parketnummer 09/787001-17 onder 2 is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. Zoals hieronder nog zal worden uiteengezet, kan naar het oordeel van de rechtbank namelijk niet wettig en overtuigend worden bewezen dat het door de verdachte uitgeoefende geweld in vereniging met een ander of anderen is gepleegd.

De bewijsmiddelen.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist met de bewijsmiddelen, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit vonnis zal worden gehecht.

De bewezenverklaring.

Door de inhoud van de vorenstaande bewijsmiddelen – elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft – staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast en is de rechtbank op grond daarvan tot de overtuiging gekomen en acht zij wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het bij dagvaarding met parketnummer 09/787001-17 onder 1 primair vermelde feit en het bij dagvaarding met parketnummer 09/852127-17 vermelde feit heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht dat:

t.a.v. 09/787001-17:

1. primair (na wijziging tenlastelegging)

hij op 1 januari 2017 te Nootdorp, gemeente Pijnacker-Nootdorp, opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met vuurwerk en een fles inhoudende een brandbare vloeistof, ten gevolge waarvan een pand in gebruik bij sportvereniging RKDEO, gelegen [adres] , en in dat pand aanwezige inboedel geheel of gedeeltelijk zijn verbrand en daarvan gemeen gevaar voor dat pand en die inboedel te duchten was;

t.a.v. 09/852127-17:

hij op 23 januari 2015 te Nootdorp, gemeente Pijnacker-Nootdorp, [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] meermalen naar de grond te trekken en de capuchon van de jas van die [slachtoffer] om haar hoofd vast te snoeren.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Nadere overwegingen.

T.a.v. 09/787001-17:

De rechtbank stelt voorop dat, anders dan de raadsvrouw heeft betoogd, een forensisch-technisch onderzoek door (bijvoorbeeld) het Nederlands Forensisch Instituut niet een voorwaarde is om tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde brandstichting te kunnen komen. Op basis van de bewijsmiddelen kan naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam worden geconcludeerd dat de brand is veroorzaakt door de combinatie van open vuur, vuurwerk en een fles met brandbare vloeistof .

Uit de verklaringen van de medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] , die bij het incident aanwezig zijn geweest en over het ontstaan van de brand gedetailleerd hebben verklaard, volgt dat het de verdachte is geweest die de brand heeft gesticht op de door de medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] in hun verklaringen beschreven werkwijze. Hierbij overweegt de rechtbank dat de verklaringen van genoemde medeverdachten voorts aansluiten bij de bevindingen van de politie na onder meer onderzoek ter plaatse, zoals neergelegd in het proces-verbaal van bevindingen d.d. 11 april 2017 (Pv nummer 187, onderzoek Archeron/DH4R017002, p. 650-654 van het dossier). Naar het oordeel van de rechtbank kan over het ontstaan van de brand op basis van het dossier geen gerede twijfel bestaan.

Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de brandstichting en daarmee ook de ten laste gelegde openlijke geweldpleging tezamen en in vereniging zijn gepleegd, zodat de verdachte ter zake van het medeplegen inzake feit 1 primair en ter zake van feit 2 wordt vrijgesproken. Op basis van de bewijsmiddelen kan wèl worden vastgesteld dat de medeverdachten [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in de nabijheid van de verdachte bij het pand van RKDEO aanwezig zijn geweest voor en tijdens de brandstichting door de verdachte. Naar het oordeel van de rechtbank kan echter niet overtuigend worden vastgesteld dat een of meer van de medeverdachten samen met de verdachte een plan zouden hebben opgevat om brand te stichten, of dat een of meerdere van deze medeverdachten bepaalde handelingen hebben verricht die hebben geleid tot de brandstichting. Een nauwe en bewuste samenwerking, zoals noodzakelijk om tot bewezenverklaring van medeplegen te kunnen komen, kan dan ook niet worden vastgesteld. De verdachte zelf heeft ontkend betrokken te zijn geweest bij de brandstichting bij RKDEO en heeft daarover niets willen verklaren, en dus ook niet over een eventuele betrokkenheid van (een van) de medeverdachten.

De officier van justitie heeft ter zitting onder meer betoogd dat het medeplegen voortvloeit uit het gegeven dat ter plaatse een plantenbak is verschoven om de brandstichting mogelijk te maken. Het betreft een plantenbak die te zwaar is om door één persoon te worden verschoven. De rechtbank heeft in het dossier met betrekking hierop aangetroffen de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 2] dat ”de plantenbak daarvoor al opzij was geschoven”. De rechtbank kan daaruit niet voorshands afleiden dat dat dus kort voor het incident in aanwezigheid van en/of door de verdachte en zijn medeverdachten moet zijn geweest. Verder zijn er geen gegevens in het dossier waarmee kan worden vastgesteld wanneer en door wie de plantenbak is verplaatst. De enkele bevestiging tijdens een verhoor door medeverdachte [medeverdachte 2] in antwoord op de vraag of een door de verhorende verbalisant gegeven samenvatting van de inhoud van zijn eerdere verhoor juist was (Pv nummer 124, onderzoek Archeron/DH4R017002, p. 207 van het dossier), acht de rechtbank daarvoor onvoldoende.

T.a.v. 09/852127-17:

De aangeefster heeft verklaard dat het de verdachte is geweest die haar meerdere malen naar achter heeft getrokken waardoor zij meerdere keren ten val is gekomen en ook dat hij het was die de capuchon over haar hoofd trok. [getuige] , die telkens voorop liep, hoorde de aangeefster meermalen ’au’ roepen, waarna zij omkeek en zag dat de aangeefster op de grond lag. De verklaring van de verdachte dat er helemaal niets is gebeurd, is naar het oordeel van de rechtbank dan ook ongeloofwaardig.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

Strafmotivering.

De rechtbank houdt bij het bepalen van de strafmaat rekening met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder zij zijn gepleegd en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

De verdachte heeft zich ten eerste schuldig gemaakt aan de opzettelijke brandstichting van een pand van een plaatselijke sportvereniging, RKDEO, gepleegd in de nieuwjaarsnacht van 2017. Over het motief is geen duidelijkheid omdat de verdacht het feit ontkent. Hij heeft met behulp van een aansteker, een fles met brandbare vloeistof en vuurwerk brand gesticht. Hierdoor is een gedeelte van het pand van RKDEO en een gedeelte van de inboedel verbrand, hetgeen tot grote (financiële) schade heeft geleid. Enkel wegens de opmerkzaamheid van omwonenden en doordat de brandweer snel ter plaatse was, kon een nog veel grotere brand worden voorkomen. Het betreft een buitengewoon ernstig feit, en niet alleen door de enorme materiële schade. Door de brand is het clubhuis lange tijd onbruikbaar geworden en was het niet beschikbaar voor de leden. Andere gebruikers hebben moeten uitwijken naar voorzieningen elders. Niet alleen de sportvereniging zelf heeft veel materiele schade geleden, die, zoals is gesteld, niet geheel door de verzekering wordt vergoed, maar ook andere personen, zoals huurders en gebruikers van het pand, zijn gedupeerd door deze brandstichting doordat het pand langere tijd niet kon worden gebruikt. Niet is gebleken dat de verdachte op enig moment heeft afgevraagd hoe groot de schade had kunnen zijn dat de schade nog veel groter had kunnen zijn, of dat hij zich ervan heeft vergewist dat er geen mensen meer in het pand aanwezig waren.

De rechtbank neemt het de verdachte voorts zeer kwalijk dat hij op geen enkele manier verantwoordelijkheid voor zijn handelen heeft willen nemen en zijn betrokkenheid blijft ontkennen dan wel zich blijft beroepen op zijn zwijgrecht. Het is uiteraard een recht dat een verdachte heeft om te zwijgen, maar een en ander weegt wel in zijn nadeel mee.

De verdachte heeft zich daarnaast geruime tijd geleden schuldig gemaakt aan de mishandeling van een meisje, door haar meerdere malen naar de grond te trekken en haar capuchon om haar hoofd te snoeren. Ook ten aanzien van dit feit heeft de verdachte geen verantwoordelijkheid genomen. Dit betreft een kwalijk feit. Echter, gelet op het tijdsverloop sinds het moment dat de verdachte in die zaak als verdachte is aangemerkt – ruim tweeëneenhalf jaar - en de leeftijd van de verdachte ten tijde van dat feit, te weten 14 jaar, zal de rechtbank de bewezenverklaring van dit feit niet tot uitdrukking laten komen in de op te leggen straf.

De rechtbank heeft acht geslagen op het rapport van 7 juni 2017, van het psychologisch onderzoek, ondertekend door [naam] , onder meer het volgende inhoudend, verkort en zakelijk weergegeven.

Bij de verdachte is sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, te weten een oppositionele-opstandige stoornis. Daarnaast is er sprake van een leer- of onderwijsprobleem. Op eventuele gedragskeuzes en gedragingen van hem ten tijde van de ten laste gelegde feiten is geen zicht gekregen omdat de verdachte weigert te praten over de delicten. Er kan dus niet worden ingeschat in hoeverre de feiten hem toe te rekenen zijn. De kans op toekomstig gewelddadig gedrag is matig tot hoog, waarbij wordt opgemerkt dat, omdat niet over de delicten kon worden gesproken, het moeilijk is om een individueel risico op toekomstig gewelddadig gedrag te beschrijven. Risicofactoren die gerelateerd kunnen zijn aan de oppositionele-opstandige stoornis zijn de negatieve opvattingen die de verdachte heeft, die de rechtmatigheid van zijn grensoverschrijdende gedrag goedpraten, de geringe coping vaardigheden, het gebrek aan empathie en berouw dat hij toont, de beperkte medewerking aan interventies en de weinige interesse in en binding met school of werk. Behandeling en begeleiding zijn geïndiceerd. Hij moeten leren adequaat om te gaan met autoriteit, zijn gewetensontwikkeling moet gestimuleerd worden en zijn coping vaardigheden versterkt. Het is zeer wenselijk dat de verdachte een concreet doel voor ogen krijgt waar hij naartoe wil werken en waarvoor hij gemotiveerd is zijn gedrag te veranderen. De gebrekkige motivatie zal het grootste struikelblok zijn voor de behandeling. Dagbehandeling wordt niet geadviseerd en een klinische behandeling wordt als te zwaar ingeschat. Idealiter wordt een systemische behandeling zoals MDFT geadviseerd, maar dit is niet haalbaar. Geadviseerd wordt om ambulante individuele of groepsbehandeling op te leggen bij bijvoorbeeld het Palmhuis. Hiernaast wordt ITB Harde Kern of CRIEM geadviseerd in verband met het aanbieden van structuur en grenzen en het omgaan met meer vrijheden. Toezicht vanuit de jeugdreclassering is daarbij van belang.

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op diverse rapportages van de Raad voor de Kinderbescherming en Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden en met name het adviesrapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 15 augustus 2017, alsmede op hetgeen ter terechtzitting door de deskundigen van die instellingen is gezegd.

Naar voren is gekomen dat een passende schoolgang en een structuurvolle dagbesteding zeer belangrijk zijn. Inmiddels is er werk voor de verdachte gevonden en heeft hij zich aangemeld voor een opleiding. De Raad voor de Kinderbescherming acht het opleggen van ITB Harde Kern in het kader van een bijzondere voorwaarde van groot belang. De Raad vindt behandeling vanuit De Waag op dit moment het meest passend. De verdachte moet leren gezag te accepteren, zich te houden aan afspraken en er dient aandacht te worden besteed aan zijn morele ontwikkeling en zijn gebrekkige empathische vermogens. De Raad adviseert voorts een meldplicht bij de jeugdreclassering en de verplichting onderwijs te volgen of een andere zinvolle dagbesteding.

De rechtbank acht zich voldoende voorgelicht en zal de adviezen overnemen.

De rechtbank is van oordeel dat een deels voorwaardelijke vrijheidsbenemende straf een passende reactie vormt. Ten aanzien van de duur van de op te leggen jeugddetentie is de rechtbank van oordeel dat de ernst van het feit onvoldoende tot uitdrukking komt in de eis van de officier van justitie. Om de schoolgang en het werk van de verdachte niet te doorkruisen zal de duur van het onvoorwaardelijke deel van de detentie worden gelijkgesteld aan het aantal dagen dat de verdachte in beide zaken in voorarrest heeft gezeten. Echter, gezien de grote ernst van het feit, de proceshouding van de verdachte en met name de omstandigheid dat de verdachte geen enkele verantwoordelijkheid neemt voor zijn daden, alsmede gezien het feit dat hij tot op heden nauwelijks heeft meegewerkt aan behandeling en begeleiding, waardoor eerder een tussentijdse opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis is uitgesproken, zal de rechtbank de duur van het voorwaardelijke deel van de op te leggen detentie bepalen op een langere duur dan geëist, te weten 180 dagen. De rechtbank acht gelet op het voorgaande ook de oplegging van een werkstraf van aanmerkelijke duur op zijn plaats.

De officier van justitie heeft nog verzocht om een gebiedsverbod ten aanzien van het terrein van RKDEO, een contactverbod met de medeverdachten en een gebod om gedurende de proeftijd tijdens de jaarwisseling telkens binnen te blijven.

Daarnaast is de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden, de vrijheid beperkende maatregel en het toezicht van de jeugdreclassering geëist. De rechtbank zal ook dit deel van de eis overnemen.

De rechtbank overweegt dat de wet ten aanzien van de dadelijke uitvoerbaarheid van de voorwaarden en het toezicht (art. 77za Wetboek van Strafrecht) bepaalt dat deze kan worden bevolen indien er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Hoewel inzake 09/787001-17 slechts is ten laste gelegd en bewezen verklaard dat er door de brandstichting gemeen gevaar voor goederen is ontstaan, brengt de aard van het gepleegde feit naar het oordeel van de rechtbank mee dat er wel degelijk ook gevaar is veroorzaakt gericht tegen personen.

De vordering van de benadeelde partij.

R.K. Sportvereniging Door Eendracht Omhoog heeft zich inzake parketnummer 09/787001-17 als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot

€ 79.953.

De vordering betreft materiële schade, te weten een bedrag van:

- € 10.012 ter zake van marge omzetderving periode januari-juni 2017;

- € 12.900 ter zake van accommodatie huurderving;

- € 57.041 ter zake van kosten tijdelijke voorzieningen.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering, nu uit het onderzoek ter terechtzitting van 17 augustus 2017 is gebleken dat de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Hoewel de rechtbank geen twijfels heeft over het feit dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde feit aanzienlijke omzetschade heeft geleden, huurinkomsten is misgelopen en kosten voor tijdelijke voorzieningen heeft moeten maken, is de rechtbank van oordeel dat de vordering nog de nodige vragen oproept die niet eenvoudig kunnen worden beantwoord.

De benadeelde partij kan haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Dit brengt mee, dat de rechtbank de kosten die in verband met deze vordering zijn gemaakt zal compenseren door te bepalen dat de verdachte en de benadeelde partij ieder de eigen kosten dragen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De artikelen:

38v, 38w, 63, 77a, 77g, 77h, 77i, 77m, 77n, 77we, 77x, 77y, 77z, 77za, 77aa, 77gg, 157 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Beslissing.

De rechtbank:

t.a.v. 09/787001-17 feit 2:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

t.a.v. 09/787001-17 feit 1 primair (na wijziging tenlastelegging); t.a.v. 09/852127-17:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de hem ten laste gelegde feiten heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

t.a.v. 09/787001-17 feit 1 primair (na wijziging tenlastelegging):

OPZETTELIJK BRAND STICHTEN, TERWIJL DAARVAN GEMEEN GEVAAR VOOR GOEDEREN TE DUCHTEN IS;

t.a.v. 09/852127-17:

MISHANDELING;

verklaart het bewezene en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte bij dagvaarding meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot

jeugddetentie voor de duur van 286 dagen

bepaalt dat een gedeelte van de jeugddetentie groot 180 dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten wegens niet nakoming van na te melden voorwaarden;

stelt de proeftijd vast op 2 jaren onder de algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

- zijn medewerking zal verlenen aan het door de jeugdreclassering te houden toezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich zal melden bij Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden en zich daarna gedurende een door de jeugdreclassering te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) zal blijven melden zo lang en zo frequent als de jeugdreclassering noodzakelijk acht;

- zal meewerken aan begeleiding van ITB Harde Kern, voor de duur van maximaal 6 maanden;

- onderwijs volgt, werkt, of een andere zinvolle dagbesteding heeft;

- zich gedurende maximaal 3 maanden houdt aan een avondklok van 19.00 uur tot de volgende morgen 05.00 uur en zich gedurende die tijden niet buitenshuis zal begeven tenzij met goedkeuring van de jeugdreclassering;

- zich onder ambulante behandeling zal stellen van De Waag;

geeft opdracht aan Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

bepaalt dat de gestelde voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht (in totaal 106 dagen, te weten 104 dagen inzake parketnummer 09/787001-17 en 2 dagen inzake parketnummer 09/852127-17) bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

veroordeelt verdachte voorts tot:

een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de tijd van 120 UREN;

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de tijd van 60 DAGEN;

legt de verdachte op

de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid;

inhoudende dat de verdachte wordt bevolen:

- zich gedurende 2 jaren niet op te houden op het terrein van de R.K. Sportvereniging Door Eendracht Omhoog, [adres] te Nootdorp;

- zich gedurende 2 jaren te onthouden van contact met de medeverdachten, te weten [medeverdachte 1] , geboren [geboortedag] 1999, [medeverdachte 3] , geboren [geboortedag] 1995 en [medeverdachte 2] , geboren [geboortedag] 1997;

- zich tussen 31 december 2017 te 20.00 uur en 1 januari 2018 te 08:00 uur en tussen 31 december 2018 te 20.00 uur en 1 januari 2019 te 08.00 uur niet buiten de woning zal begeven alwaar hij in de Basisregistratie Personen staat ingeschreven;

beveelt dat voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan vervangende jeugddetentie wordt toegepast voor de duur van ten hoogste 1 week, voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan;

beveelt dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is;

t.a.v. 09/787001-17:

bepaalt dat de benadeelde partij R.K. Sportvereniging Door Eendracht Omhoog niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en zij de vordering in zoverre slechts bij de burgerljike rechter kan indienen;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, welke kosten tot op heden worden begroot op nihil;

t.a.v. 09/787001-17:

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M. van Loenhoud, kinderrechter, voorzitter,

mr. E.M.M. Engbers, kinderrechter en

en mr. M.C. Bruining, kinderrechter,

in tegenwoordigheid van mr. T.B. van Amen, griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 31 augustus 2017.