Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:9798

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
28-07-2017
Datum publicatie
27-09-2017
Zaaknummer
NL17.3169
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

- Herhaalde asielaanvraag

- 1F

- geen nova

- beroep ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.3169


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 juli 2017 in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. M.C. Heijnneman),

en

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. N.H.T. Jansen).


Procesverloop
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 14 juni 2017 (het bestreden besluit).

Het onderzoek ter zitting is op 6 juli 2017 op verzoek van eiser aangehouden, omdat de tolk niet was verschenen. Vervolgens heeft het onderzoek ter zitting, tezamen met de behandeling van de zaak NL17.3170, plaatsgevonden op 20 juli 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen S. Khalaf. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

  1. Eiser is van Syrische nationaliteit. Hij is geboren op [geboortedatum]. Op 25 augustus 2015 heeft hij een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Bij besluit van 20 april 2016 en aanvullend besluit van 28 april 2016 heeft verweerder de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder j, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verweerder heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat er ernstige redenen bestaan om te veronderstellen dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen zoals bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag. Tevens is daarbij aan eiser een inreisverbod voor de duur van tien jaar opgelegd. Bij uitspraak van 6 oktober 2016 (NL16.838) heeft deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, eisers beroep tegen het inreisverbod ongegrond verklaard en zijn beroep tegen de afwijzing van asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaard. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft deze uitspraak op 6 december 2016 bevestigd (201607797/1/V1).

  2. In voornoemde uitspraak van 6 oktober 2016 heeft de rechtbank - voor zover van belang - het volgende overwogen. Eiser heeft verklaard dat hij samen met [naam] eind 2013 de Liwa al Salam heeft opgericht, die later deel is gaan uitmaken van het samenwerkingsverband Fastaqem Kama Umirt (FKU). Uit de door verweerder genoemde openbare bronnen blijkt dat vanaf juli 2012 in Aleppo gevechten plaatsvinden tussen het Syrische leger en gewapende oppositiegroeperingen, waaronder de FKU. Daaruit blijkt ook dat diverse oppositiegroeperingen geïmproviseerde wapens gebruiken, waaronder de zogenaamde ‘hell cannons’. Eiser heeft niet betwist dat de FKU, waarvan de Liwa al Salam onderdeel is, in Aleppo gebruik heeft gemaakt van deze ‘hell cannons’. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het gebruik van ‘hell canonns’ in Aleppo door de FKU als oorlogsmisdrijf is aan te merken. Door het gebruik van deze wapens in de stedelijke omgeving van Aleppo is bewust het risico genomen dat ook burgerslachtoffers zouden vallen. Volgens een artikel van Amnesty International zijn door het gebruik van deze ‘hell cannons’ in 2014 minstens 600 burgers gedood. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat sprake is geweest van ‘knowing and personal participation’, gelet op onder meer het volgende. Eiser heeft blijkens een in Griekenland gepubliceerd interview verklaard dat hij leiding gaf aan een rebelleneenheid, dat hij 700 man heeft aangevoerd en dat hij betrokken is geweest bij de militaire strijd. Tijdens het eerste gehoor heeft hij bovendien verklaard dat hij militair commandant was. Verder neemt de rechtbank in aanmerking dat eiser wisselende verklaringen heeft afgelegd over zijn betrokkenheid bij militaire acties. Verder is er beeldmateriaal waarop te zien is dat eiser – bewapend en in militair uniform – een verklaring van de FKU voorleest, waarna een ‘hell cannon’ wordt geladen en afgeschoten. Geconcludeerd wordt in deze uitspraak dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat sprake is van knowing and personal participation omdat eiser als leidinggevende heeft aangezet tot de inzet van hell canons en de daarmee gepleegde misdrijven tegen de burgerbevolking in Aleppo heeft gefaciliteerd. Daarom is sprake van ernstige redenen om te veronderstellen dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen als bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag.

  3. Op 12 juni 2017 heeft eiser een opvolgende aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Aan deze aanvraag heeft hij ten grondslag gelegd dat artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag ten onrechte aan hem is tegengeworpen, omdat geen sprake is van ‘knowing and personal participation’. Eiser stelt dat de hell canons slecht gericht werden op een zone waar zich geen burgers meer bevonden en dat deze hell canons slechts een bereik hadden van enkele tientallen meters. Ter onderbouwing heeft eiser twee kaarten overgelegd waarop hij de zones heeft ingetekend. Verder stelt eiser dat hij slechts werkzaam is geweest in de civiele tak van de rebellenbeweging. Ter onderbouwing heeft eiser een verklaring van de commandant, [naam], overgelegd en een door eiser opgesteld organogram van de rebellenbeweging. Voorts stelt eiser dat in zijn eerste asielprocedure voorbij is gegaan aan het feit dat hij de videoboodschap onder dwang heeft ingesproken en dat hij niet op de hoogte was van het feit dat er beelden van de hell canons in deze boodschap zouden worden opgenomen.

  4. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de opvolgende asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw en besloten dat het opgelegde inreisverbod niet wordt opgeheven. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser aan zijn opvolgende aanvraag geen nieuwe elementen of bevindingen ten grondslag heeft gelegd. Ten aanzien van de overgelegde kaarten stelt verweerder zich op het standpunt dat deze niet afkomstig zijn uit een objectieve bron, nu eiser de frontlinies daarop zelf heeft ingetekend. Bovendien blijkt uit verschillende bronnen, die reeds in de vorige procedure door verweerder zijn genoemd, dat het bereik van de ‘hell cannons’ aanzienlijk groter is dan de afstand die eiser noemt. Met betrekking tot eisers stelling dat hij slechts werkzaam is geweest in de civiele tak, stelt verweerder zich op het standpunt dat in de vorige procedure reeds vast is komen te staan dat eiser in een leidinggevende rol betrokken is geweest bij militaire operaties. Niet valt in te zien waarom de verklaring van de commandant en het organogram niet tijdens de vorige procedure zijn overgelegd, zodat reeds daarom geen sprake is van nieuwe elementen of bevindingen. De verklaring is bovendien slechts in kopie overgelegd en beide documenten zijn niet afkomstig uit een objectieve bron. Tot slot valt niet in te zien dat eiser in de vorige procedure niet heeft verklaard dat hij de videoboodschap onder dwang zou hebben opgenomen. Toen het onderwerp destijds ter sprake kwam, heeft hij een andere verklaring gegeven.

  5. Eiser heeft in beroep het volgende aangevoerd. Verweerder kan geen verwijtbaarheidstoets hanteren, nu artikel 40, vierde lid, van de Richtlijn 2013/32/EU (Procedurerichtlijn) niet in de Nederlandse wetgeving is geïmplementeerd. Voorts wijst eiser op een aantal video’s op YouTube, waaruit blijkt dat er verschillende types ‘hell cannons’ zijn. Eisers groepering heeft slechts ‘hell cannons’ gebruikt met een korte en relatief smalle loop, die juist bedoeld zijn voor korte afstand en gerichte beschieting. Van ‘knowing participation’ kan dus geen sprake zijn. Ook van ‘personal participation’ was geen sprake nu [naam] de militair leider was. Voorts betoogt eiser dat er bij het opnemen van de videoboodschap sprake was van een dwangsituatie, zodat er sprake moet zijn van persoonlijke vrijwaring. Tot slot heeft eiser in beroep twee brieven van bekenden van eiser overgelegd, waarin zij verklaren dat eiser slechts werkzaam is geweest in de civiele tak van zijn organisatie.
    De rechtbank oordeelt als volgt.

6. Met betrekking tot de door eiser overgelegde kaarten en het organogram heeft verweerder er terecht op gewezen dat deze niet afkomstig zijn uit een objectieve bron, nu eiser deze zelf heeft opgesteld. Niet valt in te zien waarom deze stukken zouden moeten leiden tot een ander oordeel dan het oordeel dat reeds in rechte vast staat. Verweerder heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat deze stukken niet kunnen worden aangemerkt als nieuwe elementen of bevindingen.

7. Ook de verklaring van [naam] kan niet worden aangemerkt als nieuw element, reeds omdat deze slechts in kopie is overgelegd. Bovendien wordt in de verklaring niet gesteld dat eiser geen leidinggevende rol in militaire operaties speelde of dat hij geen wetenschap had van deze militaire operaties. Eisers verwijzing ter zitting naar het arrest M.A. tegen Zwitserland van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 18 november 2014 (52589/13) waaruit volgens eiser volgt dat kopieën wel degelijk van belang zijn, kan niet tot een ander oordeel leiden. Er is geen sprake van een met dat arrest vergelijkbaar geval, reeds omdat het arrest een eerste asielprocedure betrof en het ging om kopieën van documenten om het asielrelaas te onderbouwen.

8. Ten aanzien van eisers betoog dat hij in een dwangsituatie verkeerde ten tijde van het opnemen van de videoboodschap, stelt de rechtbank vast dat sprake is van een niet onderbouwde stelling. Bovendien valt niet in te zien waarom eiser niet tijdens de eerste procedure heeft aangevoerd dat sprake was van dwang. Ook dit betoog heeft verweerder daarom terecht niet aangemerkt als nieuw element.

9. Ten aanzien van de in beroep overgelegde brieven waarin wordt verklaard dat eiser slechts werkzaam is geweest voor de civiele tak van de Liwa al Salam, stelt de rechtbank allereerst vast dat eiser in de vorige procedure ook heeft aangevoerd dat hij slechts verantwoordelijk was voor de coördinatie en logistiek binnen de FKU en dat hij zich onder meer bezig hield met het oprichten van medische centra en de wederopbouw na bombardementen. In de onder 2 genoemde uitspraak is overwogen dat deze grond wordt verworpen omdat eiser hieromtrent wisselende verklaringen over zijn betrokkenheid bij militaire acties heeft afgelegd en verder is overwogen dat verweerder deze verklaringen terecht heeft opgevat als een poging van eiser om zijn werkzaamheden en taken te bagatelliseren en minimaliseren. De brieven die eiser nu heeft overgelegd kunnen niet afdoen aan het in rechte vaststaande oordeel dat eiser hieromtrent wisselend heeft verklaard. Bovendien zijn de brieven slechts in kopie overgelegd en zijn ze op verzoek van eiser opgesteld, zodat ze niet afkomstig zijn uit een objectieve bron.

10. Voor zover eiser ter zitting heeft betoogd dat het rapport ‘Hell Cannons: from minor nuisance to major threat – The evolution of Syrian opposition siege artillery’ van 21 augustus 2015 moet worden aangemerkt als nieuw element, overweegt de rechtbank dat dit rapport reeds bij de vorige procedure is betrokken, zodat reeds daarom geen sprake kan zijn van een nieuw element.

11. De slotsom is dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser aan zijn opvolgende aanvraag geen nieuwe elementen of bevindingen ten grondslag heeft gelegd. Het beroep is ongegrond.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. P.M. van Dijk-de Keuning, rechter, in aanwezigheid van mr. A.A. Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 juli 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.