Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:9778

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
29-08-2017
Datum publicatie
29-08-2017
Zaaknummer
NL17.6125
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin Italië – onjuiste grondslag claimverzoek op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b van de Dublinverordening – dat Italië het overnameverzoek van België heeft geaccepteerd betekent nog niet dat eisers in België ingediende asielverzoek ook in Italië in behandeling is - eiser zal logischerwijs in Italië een asielverzoek moeten indienen om daar in de procedure te worden opgenomen - eiser is door de onjuiste grondslag echter niet in zijn belangen geschaad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.6125

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 augustus 2017 in de zaak tussen


[naam] , geboren op [geboortedag] 1996, alias [naam] , geboren op
[geboortedag] 1980, alias [naam], geboren op [geboortedag] 1990, alias [naam], geboren op [geboortedag] 1996, alias [naam], geboren op [geboortedag] 1999 van Eritrese nationaliteit, eiser

(gemachtigde: mr. I.N. Schalken),

en

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. A. Schut).

Procesverloop

Bij besluit van 31 juli 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen, omdat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling hiervan.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en tevens verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de voorlopige voorziening (NL17.6126), plaatsgevonden op 22 augustus 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen D. Habtab, in de taal Tigrinya. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 niet in behandeling genomen, indien op grond van de Dublinverordening (Verordening (EU) 604/2013) is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

2. Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 1 september 2016 de buitengrens van de lidstaten die gebonden zijn aan de Eurodacverordening (Verordening (EU) 603/2013) op illegale wijze heeft overschreden via Italië en dat in Italië de vingerafdrukken van eiser zijn afgenomen. Eiser is in Italië bekend onder de personalia [naam] en [naam] geboren op [geboortedag] 1980 respectievelijk [geboortedag] 1990. Verder is gebleken dat eiser op
19 oktober 2016 in België een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend en dat daar ook zijn vingerafdrukken zijn afgenomen. Eiser staat in België bekend onder de personalia [naam] en [naam] geboren op
[geboortedag] 1996 respectievelijk [geboortedag] 1999. Uit leeftijdsonderzoek in België is voorts gebleken dat eiser ten tijde van het indienen van zijn asielaanvraag 20,6 jaar oud was met een standaarddeviatie van twee jaar. Gelet op het voorgaande heeft België de Italiaanse autoriteiten op 22 november 2016 verzocht eiser terug te nemen op grond van artikel 13, eerste lid, van de Dublinverordening. Doordat Italië niet tijdig heeft gereageerd op dit verzoek, is sprake van een fictief claimakkoord.

3. Op 19 mei 2017 heeft verweerder de Italiaanse autoriteiten verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening. De Italiaanse autoriteiten hebben niet binnen een maand gereageerd op dit verzoek, zodat Italië op grond van artikel 25, tweede lid, van de Dublinverordening wordt geacht te hebben ingestemd met terugname van eiser per 20 juni 2017 en is wederom een fictief claimakkoord met Italië tot stand gekomen. Het voorgaande betekent dan ook dat Italië in beginsel verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek. Verweerder heeft vervolgens bij het bestreden besluit de aanvraag van eiser niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw 2000.

4.1

Op grond van artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening dient verweerder het asielverzoek zelf te behandelen als het niet mogelijk is een asielzoeker over te dragen aan de lidstaat die in de eerste plaats als verantwoordelijke lidstaat is aangewezen, omdat ernstig moet worden gevreesd dat de asielprocedure en de opvangvoorzieningen voor asielzoekers in die lidstaat systeemfouten bevatten die resulteren in onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het Handvest).

4.2

Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening kan elke lidstaat, in afwijking van artikel 3, eerste lid, besluiten een bij hem ingediend verzoek om internationale bescherming van een onderdaan van een derde land of een staatloze te behandelen, ook al is hij daartoe op grond van de in deze verordening neergelegde criteria niet verplicht.

4.3

Op grond van het beleid van verweerder, zoals neergelegd in paragraaf C2/5 van de Vreemdelingencirculaire 2000, maakt verweerder terughoudend gebruik van de bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming te behandelen op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Verweerder gebruikt deze bevoegdheid in ieder geval in de situatie dat er concrete aanwijzingen zijn dat de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat zijn internationale verplichtingen niet nakomt, of in de situatie dat bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling aan de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt.

5.1

Eiser voert allereerst aan dat hij ten onrechte niet langer wordt aangemerkt als alleenstaande minderjarige. Ter onderbouwing van zijn minderjarigheid heeft hij een doopakte overgelegd. Eiser heeft verklaard dat hij in Italië een onjuiste geboortedatum heeft opgegeven om te voorkomen dat hij daar zou worden opgenomen in de opvang voor minderjarigen. Hij was van plan om door te reizen. Uit het leeftijdsonderzoek dat is uitgevoerd door België blijkt dat hij ten tijde van het indienen van zijn verzoek om internationale bescherming 20,6 jaar oud was met een standaarddeviatie van twee jaar. Hij kan dus nooit de in Italië opgegeven leeftijden (27 en 37 jaar) hebben zodat daar niet van kan worden uitgegaan. Volgens paragraaf C1/4.4.5 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000 blijkt dat een leeftijdsonderzoek onder andere het resultaat kan opleveren dat de vreemdeling ten minste 20 jaar oud is. Dat eiser ten minste 20 jaar oud is blijkt echter niet uit het leeftijdsonderzoek dat is gedaan door België, zodat verweerder op grond van het Belgische onderzoek niet kan uitgaan van meerderjarigheid.

5.2

De rechtbank is van oordeel dat verweerder er terecht van uitgegaan is dat eiser meerderjarig is. De rechtbank stelt voorop dat eiser in Italië, België en Nederland staat geregistreerd onder vijf verschillende personalia met verschillende geboortedata, waarvan er drie uitgaan van de meerderjarigheid van eiser. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder er in beginsel van uit mag gaan dat de Belgische autoriteiten het medisch leeftijdsonderzoek op zorgvuldige wijze hebben uitgevoerd. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat in zijn geval van dit uitgangspunt moet worden afgeweken. De rechtbank verwijst in dit kader naar een recente uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 13 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1596. De door eiser overgelegde doopakte maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat aan de uitslag van het leeftijdsonderzoek moet worden getwijfeld. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat een doopakte niet kan worden aangemerkt als een identificerend document. De overgelegde doopakte is immers niet afgegeven door de overheid van Eritrea en bevat geen pasfoto en geboorteplaats van eiser. De rechtbank verwijst in dit kader naar de uitspraak van de Afdeling van 22 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2591. Hoewel de rechtbank het standpunt van eiser volgt dat, gelet op het leeftijdsonderzoek dat is gedaan in België, de registratie in Italië in ieder geval niet kan kloppen, volgt hieruit evenmin dat aan de meerderjarigheid moet worden getwijfeld, nu uit dit leeftijdsonderzoek wel volgt dat eiser meerderjarig is. Het betoog van eiser ter zitting dat verweerder in strijd met zijn eigen beleid uitgaat van meerderjarigheid gezien de resultaten van het leeftijdsonderzoek volgt de rechtbank niet. Het resultaat uit het leeftijdsonderzoek van België is immers ook dat eiser ouder is dan 20 jaar.

6.1

Verder voert eiser aan dat verweerder het terugnameverzoek op een onjuiste grondslag heeft gebaseerd. Eiser heeft geen asielverzoek in Italië ingediend zodat Italië ook niet op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening verantwoordelijk kan zijn voor de behandeling van zijn asielaanvraag. Eiser heeft in Italië illegaal de grens overgestoken, maar er is in Italië geen asielaanvraag in behandeling.

6.2

Verweerder heeft ter zitting zich op het standpunt gesteld dat eiser weliswaar geen asielverzoek heeft ingediend in Italië, maar dat toch terecht geclaimd is op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening, omdat Italië met het fictief claimakkoord het asielverzoek van België heeft overgenomen. Verweerder gaat er daarom van uit dat het in België ingediende asielverzoek thans in Italië in behandeling is. Subsidiair heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat, ook al zou er voor de claim een onjuiste grondslag zijn gebruikt, eiser daardoor niet in zijn belangen is geschaad.

6.3

Op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening is de verantwoordelijke lidstaat verplicht een verzoeker wiens verzoek in behandeling is en die, voor zover hier van belang, een verzoek in een andere lidstaat heeft ingediend, volgens de in de artikelen 23, 24, 25 en 29 bepaalde voorwaarden terug te nemen.

6.4

De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat eiser gedurende zijn verblijf in Italië geen asielverzoek heeft ingediend. De rechtbank volgt het standpunt van verweerder, dat door het (fictief) claimakkoord eisers in België ingediende asielverzoek nu in Italië in behandeling is, niet. Het feit dat Italië het overnameverzoek van België heeft geaccepteerd, betekent nog niet dat sprake is van een asielverzoek dat in Italië in behandeling is zoals bedoeld in artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening. Het claimakkoord betekent slechts dat Italië zich heeft verplicht om eiser over te nemen. Daarmee heeft Italië nog niet eisers in België ingediende asielverzoek overgenomen. Hoe verweerder dit standpunt feitelijk voor zich ziet, heeft hij ter zitting ook niet kunnen verduidelijken, nu hij desgevraagd niet heeft kunnen bevestigen dat bij een Dublinoverdracht het asieldossier (met bijvoorbeeld – al dan niet vertaalde – verslagen van gehoren) wordt overgedragen. Bovendien is het besluit om een asielaanvraag niet in behandeling te nemen niet slechts een procedurele beslissing in de asielprocedure maar het eindpunt daarvan. Na overdracht aan Italië zal eiser logischerwijs in Italië een asielverzoek moeten indienen om aldaar in de procedure te worden opgenomen en tot dan is er in Italië geen asielverzoek in behandeling. Het voorgaande betekent dat verweerder een onjuiste grondslag heeft gebruikt voor het claimverzoek aan Italië. Verweerder had een claimverzoek moeten indienen op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder a, van de Dublinverordening.

6.5

De rechtbank volgt verweerder echter wel in diens standpunt dat eiser hierdoor niet in zijn belangen is geschaad. Daarbij acht de rechtbank van belang dat het enige materiële verschil tussen een terugname- en overnameverzoek is dat de aangezochte lidstaat bij terugname binnen één maand en bij overname binnen twee maanden na ontvangst van het verzoek moet reageren. Het bestreden besluit is in dit geval genomen na het verstrijken van de reactietermijn voor overname zonder dat van de Italiaanse autoriteiten een reactie is ontvangen, zodat eiser niet in zijn belangen is geschaad.

7.1

Voorts voert eiser aan dat in Italië sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen in de asielprocedure en dat er concrete aanwijzingen zijn dat Italië zijn internationale verplichtingen met betrekking tot het asielverzoek van eiser niet na zal komen. Ter onderbouwing hiervan verwijst eiser naar de Engelstalige versie van het rapport “Reception conditions in Italy: Report on the current situation of asylum seekers and beneficiaries of protection, in particular Dublin returnees van Schweizerische Flüchtlingshilfe (SFH) van 15 augustus 2016 in het algemeen en naar paragraaf 9.4 in het bijzonder. De uitspraak van de Afdeling van 16 januari 2017 waar verweerder naar verwijst heeft betrekking op een gezin met minderjarige kinderen en is om die reden niet van toepassing op zijn situatie, aldus eiser.

7.2

Eiser beroept zich aldus op het bepaalde in artikel 3, tweede lid, dan wel artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening.

7.3

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat Italië zijn verdragsverplichtingen niet zal nakomen en dat bij terugkeer een situatie zal ontstaan die in strijd is met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) heeft in verschillende arresten (zie onder meer het arrest van 26 november 2015 in de zaak J.A. en anderen tegen Nederland, nr. 21459/14, en van 9 juni 2016 in de zaak S.M.H. tegen Nederland, nr. 5868/13) geoordeeld dat de situatie in Italië niet zodanig is dat overdracht aan dat land zonder meer leidt tot een met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest strijdige situatie. Er zijn weliswaar zorgen over de toegang tot opvang, de opvangfaciliteiten en rechtshulp, maar er is geen sprake van dusdanig ernstige tekortkomingen dat deze aan de overdracht van asielzoekers aan Italië in de weg moeten staan. Het EHRM heeft verder meermaals overwogen dat de situatie voor asielzoekers in Italië niet kan worden vergeleken met de situatie in Griekenland ten tijde van de uitspraak van het EHRM van 21 januari 2011 in de zaak M.S.S. tegen België en Griekenland (nr. 30696/09).

7.4

Wat betreft eisers beroep op het rapport van SFH van augustus 2016 verwijst de rechtbank naar de recente uitspraak van de Afdeling van 16 januari 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:73), en daarin genoemde andere uitspraken van de Afdeling, waaruit volgt dat ten aanzien van Italië nog altijd van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. In deze uitspraak heeft de Afdeling ook genoemd SFH-rapport besproken. Het is juist dat de uitspraak van 16 januari 2017 met name ziet op gezinnen met minderjarige kinderen. Paragraaf 9.4 van het SFH-rapport, waarop eiser zich beroept, biedt naar het oordeel van de rechtbank echter onvoldoende grond voor de veronderstelling dat Italië zijn internationale verplichtingen niet zal nakomen. Uit deze paragraaf blijkt dat alleenstaande mannen niet worden beschouwd als bijzonder kwetsbaar en dat verondersteld wordt dat zij voor zichzelf kunnen zorgen. Verder blijkt uit voornoemde paragraaf dat met name gezonde alleenstaande jonge mannen het risico lopen dat voor hen geen opvang beschikbaar is, omdat voorrang wordt gegeven aan kwetsbare personen. Paragrafen 10.3 en 10.6 maken verder melding van een gebrek aan adequate opvang in Italië in het algemeen en van kwetsbare personen in het bijzonder, maar daarbij zijn geen concrete gevallen of aantallen genoemd zodat onduidelijk blijft of in Italië een structureel gebrek aan adequate opvang bestaat. Het beroep van eiser op paragraaf 9.4 biedt naar het oordeel van de rechtbank dan ook onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat ten aanzien van alleenstaande mannen sprake is van ernstige structurele tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Italië op grond waarvan niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.

7.5

Verweerder heeft voorts terecht gesteld dat eiser, gelet op het arrest van het EHRM van 2 december 2008 inzake K.R.S. tegen het Verenigd Koninkrijk (nr. 32733/08), eventuele klachten over de asielprocedure en de omstandigheden waaronder asielzoekers in Italië verblijven bij de Italiaanse autoriteiten naar voren moet brengen en zo nodig daarna bij het EHRM, zodat hier in beginsel geen taak is weggelegd voor de Nederlandse autoriteiten. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken als er sprake is van ernstige structurele tekortkomingen in het systeem van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen. Zoals hiervoor is overwogen, is daarvan niet gebleken.

8. Gelet op het voorgaande is er geen grond voor het oordeel dat met de overdracht van eiser aan de Italiaanse autoriteiten een situatie zal ontstaan die strijdig is met het EVRM of het Handvest. Het bepaalde in artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening is niet van toepassing. Verweerder heeft in hetgeen eiser heeft aangevoerd ook geen aanleiding hoeven zien om gebruik te maken van zijn bevoegdheid om de behandeling van het asielverzoek onverplicht aan zich te trekken op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening.

9. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het beroep ongegrond verklaren. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.T.C. Wijsman, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.H.S. Abbing, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
29 augustus 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.